


|  |
Karel van de Woestijne
Gij draagt een schoone vlechte haar
allangs uw lage leênen ….
– Het is een trage dag voorwaar
van weiflen en van weenen.
Het is een lengende avond van
mis-troosten en mis-prijzen.
’t Is of de dag niet sterven kan
en of geen nacht kan grijzen ….
– Gij gaat mijn duister huis voorbij,
verlangenloos en rechte;
ik rade uw naakte, maegre dij;
ik zie uw donkre vlechte.
(uit: “Het huis aan den vijver, bij het woud” in: De gulden schaduw, 1910)
|
|