


|  |
Karel van de Woestijne
In ’t bosch een late bijle,
en over-Leië een luide zweep.
Ten Westen, ’t lange wijlen
der laatste zonne-streep.
De witte bloem der erwte
blaauw schaduw-bevend op den grond.
Gekweekt van alle smerte,
een glimlach om mijn mond.
(uit: “Het huis op de vlakte, aan de rivier” in De gulden schaduw, 1910)
|
|