


|  |
Karel van de Woestijne
Geven, geven! Alle vrachten
rijzen in het hoogste want,
en de leęgte legt een zachten
weemoed in de moede hand.
Geven, géven! Laat de huizen,
sluit de ramen, dek den haard:
de open heemlen zijn de sluizen
voor uw ongeduld'gen vaart.
'k Ben geleęgd; ik ben verleden;
'k wórde dood: ik heb gevoed.
Al wat komt is mijn verleden,
waar 't gewerd uit mijne bede en
lacht uit mijn vergeten bloed.
(uit: “De voedster” in Het berg-meer, 1928)
|
|