Terug naar de cover
Terug naar de inhoudstafel

Karel van de Woestijne


De ladder en de koorde; 't stroo; de gladde kilte
van teile en mes .... De huiver-morgen veinst en wacht.
De lucht is lui. De stilten luistren naar de stilte.
Het huis is doover dan een sneeuwen winter-nacht.
– De ketel is gekuischt waar zwoele draffen brasten,
en 't beest is buiten. Logge en wijze vingren tasten;
de zeuge rilt; hare oogen loenschen .... En de dag
is als een doode vrouw die 'k niet beminnen mag ....
– De dag is ledig. Hoor ten stal de peerden stampen.
De dag is ijl; de holle kerste-klokken tampen ....

Mijn God, ik was het hoofd waar Ge Uw genâ beweest.
Zij wisten 't. En zij voedden mij, gelijk dit beest
dat hun begeeren voedde en dat hun lust zal slachten.
Ze voedden van hun wrok mijn hunkrende gedachten
en ik werd schóon, en had hun afgunst niet verstaan ....
Thans is de tijd, mijn God, dat ze mij slachten gaan
en – niets waar mijn verweer zijn angst weet vast te klampen ....

– De dag is ijl. De holle kerste-klokken tampen ....

(uit: “De rei der maanden” in De gulden schaduw, 1910)

Bloemlezing Karel van de Woestijne : © samenstelling Hans Vandevoorde