Terug naar de cover
Terug naar de inhoudstafel

Karel van de Woestijne


Ik ben de hazel-noot. - Een bleeke, weeke made
bewoont mijn kamer, en die blind is, en die knaagt.
Ik ben die van mijn zaad een duisternis verzade.
En 'k word een leęgt', die klaagt noch vraagt.

'k Verlaat me-zelf; 'k lijd aan me-zelven ijle schade.
Ik ben 't aanhoudend maal, in een gesloten kring,
van eene domme, duldelooze, ondankb're made.
Maar raak' de vinger van een kind me, dat me rade:
hij hoort mijn holte; ik luid; ik zing.


(uit: “De voedster” in Het berg-meer, 1928)

Bloemlezing Karel van de Woestijne : © samenstelling Hans Vandevoorde