Terug naar de cover
Terug naar de inhoudstafel

Karel van de Woestijne


Gelijk het gonzend bliksmen van motoren,
waaraan een menschen-wil zich-zelven riemt,
het ondoorgrondlijk-ijle wil doorboren
tot waar 't den blik van Godes oog doorpriemt;

neen, gelijk licht in licht: gelijk een kaarse
zóo karig, dat de zonne haar doorvreet
van 't vroege groenen tot het late paarsen,
maar die haar kleinheid onverdoofbaar weet;

neen, gelijk karpers die ter dikste drabben
wat leven gapen, tot de Dood ze treft
die dán eerst, door de peerlemoeren schabben
hun blonden buik naar 't waaiend lichten heft;

maar neen, maar neen: 'lijk aarde en 'lijk metalen,
verdicht bij dringe' en zuigen van 't heelal,
worden verhole' en ongenaakb're stralen
vergaderd in čen trane van krystal;

neen, dood stuk vleesch, vervloeid in logge beken
of weeldrig bloeiend in een wormen-feest;
neen, slechts dat vleesch, dat vleesch en arrem leken,
en 't lage beest dat danst op 't hooge beest;

neen, neen, o God (ik weet niet hoe te zeggen;
ik weet niet, God, ik weet niet, maar ik zeg:
God);

gelijk de...

gelijk...



(uit: “Verzoeking van God” in God aan zee, 1926)

Bloemlezing Karel van de Woestijne : © samenstelling Hans Vandevoorde