


|  |
Karel van de Woestijne
‘Schaduw in den schaduw zijn
en zich-zelf vergeten,
- was daar niet van de oude pijn
nieuwe bete.
Zwijgen, 'lijk de zonne zwijgt
in de rechte halmen,
- hijgde niet 'lijk storrem hijgt
lijdens galmen.
Heel mijn lijf is droef en trotsch
in de smart geklonken.
- Gij, o God, klets uit de rots
eindlijk vónken.
(uit: “De schurftige danser” in God aan zee, 1926)
|
|