Terug naar de cover
Terug naar de inhoudstafel

Karel van de Woestijne


‘Uw eenzaamheid? Gij zijt als die wolvin.

‘Zwijmlend van honger, en van moederschap
bliksmen-verblind en 't ingewand doorflitst,
heeft, bij de trill'ge guurt van winter-nacht,
in 't gladde leem van een doorweekte sloot,
deze wolvin, al hare tanden bloot,
geworpen zeven jongen, schicht aan schicht.

‘En in den nacht heeft niemand haar gezien,
en geen geluid is in den nacht van haar.
Zij ligt. Zij beeft. Traag likt ze hare wond.

‘Maar in een verre wijdte, de einders rond,
op elke hoeve snuift, aan 't eigen hok
geketend - en ze snokt haar kele toe -,
snuift teef aan teef den geur dier moeder op.
Haar kranke weelde schiet de flanken door;
begeert dooradert de oogen; dof gemor
wordt huilen, hoeve aan hoeve, vert aan vert.
Zij liggen aan den band. Hŕar lijf is hňl...

‘- Uw eenzaamheid? Werp uwe kindren, gij!’



(uit: “De schurftige danser” in God aan zee, 1926)

Bloemlezing Karel van de Woestijne : © samenstelling Hans Vandevoorde