Terug naar de cover
Terug naar de inhoudstafel

Karel van de Woestijne


Harde modder, guur krystal:
in mijn naakte woonste
rijk en arm aan niets en al,
ben 'k de ziekste en schoonste.

Huis dat afsluit en dat kijkt:
hart dat, onbewogen,
hoort de zee die wast en wijkt
vóor verzádigde oogen.

In geen spiegel, gruwvol-eêl,
't beeld van een begeeren.
Al de beezmen zijn te veel
om den grond te keeren.

Ziekste en schoonste; - neen: zelfs niet
de armoê van te weten
dat u niemand lijden ziet,
en de schoonheid u verliet
waar gij roerloos in uw Niet
waart gezeten.



(uit: “De heete asch” in God aan zee, 1926)

Bloemlezing Karel van de Woestijne : © samenstelling Hans Vandevoorde