UITZOOMEN
Als je even uitzoomt op de geschiedenis, zie je hoelang we al om matigheid vragen. Eeuwenlang. In 1905 had William Morris in Kunst en socialisme – typisch een titel van die tijd – geschreven dat het ‘ontwikkelend’ zou zijn voor iemand met genoeg kracht om op een werkdag door twee of drie van de voornaamste straten van Londen te lopen en nauwkeurig te letten op alles wat in de winkelramen hinderlijk of overbodig was. Refereerde hij aan Socrates die in Athene bij een etalage van toen had verzucht, hoeveel dingen de mensen van zijn stad wel niet nodig hadden? Socrates zelf had bijna niets nodig, droeg een versleten jas, en zal ook die dag wel blootsvoets zijn geweest. Hij toonde dat we altijd meer kopen dan we nodig hebben, toen al, maar ook dat een filosofische houding vooral onthechting betekende. Onze historische onervarenheid, al was ze door presocratici voorbereid, begon toen. Socrates was niet eender wie. Zijn manier van leven en sterven was zo indrukwekkend dat velen na hem hem als voorbeeldig beschouwden. Plato, zijn grootste bewonderaar, meende zelfs in het spoor van zijn meester dat alle dingen van de wereld slechts de afschaduwing waren van ware ideeën die zich elders bevonden. Socrates had liefst zo min mogelijk van de concrete werkelijkheid in bezit. Maar zie ook de scholen die volgden. Stoďcijnen wilden liever helemaal niets bezitten, omdat ze dan niets konden kwijtraken – geen naďeve gedachte, Epicuristen wilden maar zoveel als hun verlangen naar genot aankon, en dat was minder dan je zou denken. De cycnici waren het extreemst. De bekendste, Diogenes, wilde niet eens een huis, zo vertelt men, maar woonde in een soort wijnkruik. Binnenshuis bezat hij slechts een eetschaal en een drinkkom, maar toen hij een kind zag dat uit de handen at en dronk, gooide hij ook deze weg.
Waren ze allemaal zo? Neen. Verschillend van Socrates, tot in het hart van hun metafysica, zat volgens Aristoteles het ware, het schone en ook het goede altijd in het handelen en in het leven zelf, en de dingen hoorden daarbij. Hij schreef de Ethica, het eerste handboek ethiek, en dat Griekse woord čthos betekende bij hem nog ‘gewoonte’, ‘gedrag’ en ‘gebruik’. Bij hem lees je dat de gevel van je huis ook een sieraad is voor de stad, en dat je geschenken moet kunnen geven en kunnen krijgen. Al lag het geluk ook bij hem in de filosofie, hij erkende dat men een huis, uitwendige voorspoed en alledaagse dingen nodig had. ‘Vele en grote dingen’ waren echter niet nodig voor een geslaagd leven. Bij filosofen stonden de dingen de wijsheid of de deugdzaamheid in de weg, maar bij gelovigen hinderden ze de omgang met god of het recht op de hemel. Oude gnostische groepen, oosterse wijsheidsleren, en ook de christenen beleden het ascetische ideaal van een drinkkom, een eetbordje of nog minder. In het klassieke christelijke zondenlijstje stond de gulzigheid bovenaan, dan de ontucht, dan de geldzucht. Als men moreel over de dingen sprak, filosofisch of religieus, vroeg men om matigheid, in eten, drinken en menselijk gestoei, maar ook in elk ander materieel genot. Waarde hechten aan de dingen was ijdel, oppervlakkig, zondig. Heel de geschiedenis door. De protestanten wierpen zich dan ook op als betere gelovigen dan katholieken omdatze minder dingen nodig hadden.

Ziet u de geschiedenis al een beetje verschijnen? De matigheid is een klassieke Grieks-Romeins-christelijke deugd die de westerse mens is gevolgd, misschien zelfs tot in het modernisme toe. In elk geval tot bij de meeste cultuurcritici; de Mei 68-beweging, tot in het ideaal van selfreliance, het consuminderen,en onze fascinatie voor Nepal en Zen. De deugdzame wijze of de verlichte gelovige die boven zijn menselijke behoefte aan de dingen staat.En loop dan maar eens eender welke wereldstad in. Dit ideaal is blijkbaar alleen aantrekkelijk voor wijzen, heiligen en hippies.

Kwam de vraag om matigheid door de geschiedenis heen niet bovenal van bovenaf, van strenge filosofen, priesters of cultuurcritici die de altijd eer verzamelende, bewarende, consumerende mensen op het hoofd sloegen?