INZOOMEN

Loos Alarm. ‘Gelukkig Amerika!,’ riep Loos in Ornament & misdaad, hij was effectief drie jaar in Amerika gelukkig geweest, ‘gelukkig het land dat zulke achterblijvers en marodeurs niet kent’ – marodeurs zijn achtergebleven soldaten die plunderen. Klinkt deze Amerika-kreet na Rilke’s gezucht bevrijdend of is het juist een teken van het Stockholmsyndroom? Toch was Loos mogelijk nog meer dan Rilke bezorgd om dingen en mensen, en wel concreet om de gevaren van de wegwerpcultuur en het lot van de arbeiders. Niet gedurig omkijken naar het verleden, moesten we doen, maar die historische stijlen en uitbundige versieringen niet meenemen naar de toekomst. Ze waren nu eenmaal overbodig geworden, in hun scherpste betekenis anachronistisch, en konden geen uitdrukking meer zijn van onze cultuur. Er waren betrekkingen en verbanden van ver terug verloren gegaan, dat was zo, erkende ook Loos. Zoals een kind opgroeide, zo ook de mensheid, poneerde Loos die avond. Zo zag het kind volgens hem op z’n twee jaar de wereld nog als een papoea, en op zes jaar als Socrates. ‘Het kind heeft geen moraal. De papoea evenmin.’ Loos gooide zonder voorbereiding die avond zijn overtuigingen de zaal in, ze werden later luidop en kapot geciteerd. Men vergat te zeggen dat Loos het zó zei: ‘Het kind heeft geen moraal. De papoea evenmin, vinden wij.’ En verder. ‘De papoea tatoeëert zijn huid, zijn kano, zijn roer, kortom alles wat hem in handen komt.’ Maar hij is geen misdadiger, de moderne mens die zich tatoeëert wél. De niet-modernen waren het ornament nog niet te boven gekomen, constateerde Loos. Papoea’s, maar ook schoenmakers, boerinnen en Oostenrijkse oude dames vonden er een naïef en primitief plezier in om van versieringen te houden en in het verleden te leven. De moderne mens had daar geen nood meer aan.
Waarom niet? Omdat de moderne mens intussen de kunst had, en vooral de muziek. Verrassend? Een stukje Loos.‘Wij luisteren na onze dagelijkse beslommeringen naar Beethoven of we gaan naar een opvoering van Tristan.’ Beethoven en Wagner, toch muziek met enige ornamentiek, niet? En je vraagt je af, waarom geen Schönbergs deuntje, de moderne Weense componist die juist die jaren het tonale systeem losliet – al wat een deuntje bij elkaar houdt. Hij was een vriend van Loos.
Hoe die Romantische Wagner iedereen kon inspireren in die tijd! En Beethoven? Tja. Beethoven had – verschillend van vroeger tijden – verboden dat solisten zijn composities met improvisaties verfraaiden, maar hij bezat nog meer revolutionair gehalte. Wagner, Nietzsche en Marx hielden van hem. Ook Loos blijkbaar. Verder in zijn tekst stelt Loos dat Beethovens symfonieën niet geschreven konden zijn door iemand gekleed in zijde, fluweel en kant. Hij bedoelt dat duidelijk positief.
De hoogst moderne componist Schönberg verkondigde luid dat hij onder directe invloed van Beethoven stond. Wie goed luisterde, zo zei hij, hoorde in zijn strijkkwartetten Beethovens late kwartetten. Wie erg goed luisterde en erg lang misschien, schamperden de mensen van zijn tijd, en ze liepen bij de eerste klanken naar huis. Schönberg was gekrenkt en besliste om nog slechts voor klein publiek te spelen. Mensen waren nu eenmaal ouderwets, achterblijvers en marodeurs. Zijn gedrag doetaan veel latere modernistische architecten denken. Het lijkt er op dat Loos een en ander van het hardnekkige ouderwetse van de mens in Ornament en misdaad erkende. Diezelfde avond verkondigde hij zelfs – op waarlijke Nietzschiaanse wijze – de aristocraat. Hij vond dat de modernen – minstens nog een tijd wellicht – aristocratisch moesten aanvaarden dat de niet-modernen ouderwets wilden blijven – wellicht ook minstens nog een tijd.
Citaat. ‘De moderne mens, die groot respect heeft voor het ornament als symbool van het kunstzinnig surplus van voorbije tijden… De aristocraat laat ze begaan, hij weet dat dergelijk werk hun ziel en zaligheid is.’ (Eigen cursivering.)
De revolutionair, vervolgde Loos, zou op de niet-moderne mens afstappen en zeggen dat het allemaal onzin was, maar hij verkondigde hen de aristocraat. ‘Ik verdraag de ornamenten van de kaffer, de Pers, de Slowaakse boerin, de ornamenten van mijn schoenmaker, want zij allen komen via het ornament tot de hoogtepunten van hun bestaan.’ (Eigen cursivering)
En het is op deze plaats in Ornament en misdaad dat Loos zei, dat hij de modernen de kunst de plaats van het ornament had ingenomen. Let wel. Adolf Loos zei dat ze pas na de dagelijkse beslommeringen naar muziek luisterden, na hun tekenwerk. Zie je het voor ogen? Het Wenen van die tijd. Adolf Loos die klaar is met werken en naar muziek luistert. Er zit zoveel Wenen van toen in die tekst. Ook als Loos – alweer Nietzschiaans – de staat aanvalt, de koudste van alle monsters, krijgt de lezer de Oostenrijks-Hongaarse dubbelmonarchie voor ogen. Kakanië, met zijn jubileumoptochten, met volksgroepen als versierde paradepaardjes. En wie vandaag in een tekst verder leest dat Goethe moet verkozen worden boven de Pegnitzschäfer, maar ook leest over mensen als kaffer en Pers, over dingen als zijde, fluweel en kant, en peperkoek, fazant en rosbief, weet dat er nog veel meer kennis nodig is, en dat men moet inzoomen, tot in het kleinste en meest alledaagse, om een tekst te begrijpen.