Vroeger was Adriaan van Dis een "Avenue"-coryfee. Tegenwoordig ligt dat magazine in de lappenmand en viert de schrijver Van Dis met autobiografische ontboezemingen zowaar ongekende triomfen bij publiek en kritiek. Hoe komt het dat iemand die nog steeds hetzelfde afgelikte "Avenue"-proza schrijft, plots wordt omhooggestoken als groot romancier? Wat bezielt een professionele jury om iemand die edelkitsch produceert, te canoniseren met zakken vol geld en prestige? Een mogelijke verklaring ligt allicht in het esthetiserende klimaat van de jaren negentig waarin professioneel ingeblikt autobiografisme de commerciële en dus literaire wet dicteert. Commercialisering en professionalisering staan op ieders agenda, ook in de artistieke sector. Tegen een boek dat "lekker" geschreven is, kan niemand toch wat hebben? Welaan dan!
Autobiografie versus autobiografisme
De moderne roman heeft zijn verhaalstof inderdaad haast altijd gepuurd uit het leven van de verteller zelf. De achttiende-eeuwse Bildungsroman - van Henry Fielding en Jane Austen tot J.W.Goethe - ensceneerde de emotionele ontwikkeling van een individu. Het hoeft geen betoog dat deze auteurs voor de literaire verdichting van die belevenissen in het eigen hart keken en dat de ontwikkelingsromans in zekere zin het autobiografische pad van de schrijver zelf volgden. In zekere zin, wel te verstaan. In die drie woorden schuilt het verschil tussen authentieke romankunst en verdienstelijk geschreven autobiografisme dat echter nergens het niveau van kitsch overstijgt. Romantechniek is inderdaad ver te zoeken in de vlot lopende zinnetjes van Van Dis & co, laat staan: een extra-individuele dimensie die verder reikt dan tot de emotionele navel van Van Dis himself. Autobiografisme staart zich blind op het eigen ik terwijl een autobiografie of autobiografisch angehauchte romankunst de persoonlijke lotgevallen uitvergroot tot en verstrengelt met maatschappelijke ontwikkelingen.
Van Daniel Defoe's "Moll Flanders" (1722) tot Fieldings "Tom Jones" (1749) werd de autobiografische component gekoppeld aan een panoramisch beeld van een veranderende samenleving. Ook in de klassieke ontwikkelingsroman - waarvan Goethes "Wilhelm Meister" (1795) het prototype is - fusioneerde het subjectieve, persoonlijke beleveniskarakter met een objectief-beschrijvende tendens die samen met het persoonlijke reilen en zeilen het maatschappelijke leven in kaart bracht. Zelfs extreem autobiografische documenten, zoals Jean Jacques Rousseau's "Confessions"(1782), fungeerden als spiegel voor een burgerlijke stemmingsdynamiek die zichzelf aan het ontdekken was. Op die manier had deze extreem subjectivistische belijdenisliteratuur wel degelijk een objectieve functie in de genese van het burgerlijk individu.
Het meest sprekende voorbeeld uit de recente Nederlandstalige literatuur waarin de allerindividueelste expressie van de allerindividueelste emotie zich objectiveert in een intrigerend tijdsbeeld van de laatste decennia, is de romancyclus "De tandeloze tijd" van A.F.Th. van der Heijden. Als de literaire kritiek een signaal wil geven dat literatuur die er toe doet meer is dan wat verbale pirouettes rond het eigen ik, ligt een belangrijke onderscheiding voor dit oeuvre toch voor de hand? Maar neen, de overkunstmatig in elkaar gedraaide achttiende-eeuwse namaakliteratuur van Thomas Rosenboom of het aai-mij-alstublieft-taaltje van teddybeer Van Dis zijn zoveel leuker. Indien de mandarijnen graag de publiekslieveling uithangen, waarom dan niet gekozen voor een bestsellerauteur als Leon de Winter? De Winter mag dan een enkele keer te glad geconstrueerde fabricageprodukten afleveren, in de regel is De Winter één van de weinige Nederlandstalige romanciers met internationale allures. "Kaplan" (1986), "Hoffman's honger" (1990) en in mindere mate "Sokolov's ruimte" (1992) en "Zionoco" (1995) brengen niet alleen verhalen met vaart en anti-helden met flair voor het absurde. De tragi-komische lotgevallen van zijn protagonisten serveren overtuigende statements over het moderne leven waarin zelfcontrole op elk moment kan omslaan in het tegendeel. Maar neen dus weer, want De Winter is te on-Nederlands, heet het dan, te Amerikaans, kortom, te briljant. Vervolgens kiest men toch liever voor de pedante klasse van eigen volk, en wordt iemand als Harry Mulisch uit plaatsvervangende schaamte op handen gedragen. Zijn werk is de volmaakte cursorische lectuur waar elke suffige leraar met genoegen stoffige vraagjes kan over stellen, want meester Mulisch heeft vraag annex antwoord reeds in de tekst zelf gesteld.
Heelte en kitsch
Van Dis was een excellente talkshower die met zijn reisreportages in "Avenue" aardig op zijn plaats was: zacht sensualistisch vertelde de reiziger-schrijver over de exotische geuren en kleuren die hij elders opsnoof en ondertussen kon hij koketteren met het eigen parfum. Het glanspapier van dit magazine voor al wie in een vacuümverpakt designleventje glorieerde, paste perfect bij de zucht naar heelheid, zoals Van Dis' vertellers dat heimwee naar een heile Welt overal rondbazuinen. Wanneer Van Dis die nostalgie echter ook in romans begint hard te maken en zijn "Avenue"-stijl van destijds zelfs door de kritiek op handen wordt gedragen, moeten bij een dergelijk over het paard getild estheticisme dringend vragen worden gesteld.
Hoe ziet die edelkitsch er in de romans van Van Dis dan wel uit? Het schema van zijn pointillistische "vertelkunst" is vrij eenvoudig. Van Dis heeft het voortdurend over de eigen getroubleerde puberteit en doet geen moeite om zichzelf te camoufleren. Zelfs het putje in de kin van de "echte" Van Dis mag mee poseren in de literaire etalage: "Zilver wil niet wekelijk zijn. Een innerlijke zwakte tekent zijn gezicht, geen kin die trots vooruitsteekt, maar een zachtgedeukte welving die voor het harde leven wijkt. Hij heeft de lippen van een leugenaar, maakt elk verhaal mooier dan het is, plukt nullen uit de lucht en laat getallen groeien."("Zilver", p.45) Met deze kleine roman uit 1988 detoneert de literaire schoonschrijverij van Van Dis die er altijd op uit is geweest om "het verhaal mooier te maken dan het is". Eveneens in "Zilver" maakt de verteller - Van Dis zelf dus - geen heel uit zijn obsessie voor literaire kosmetica: "Zilver houdt van hele dingen."(p.102) Volgt een lofzang op de pianovleugel van de moeder van Zilvers vriendje waar geen enkele kras of buil op of in staat. Ook de vingers van de pianiste-moeder zijn ongeschonden wit, zoals "geschrapte schorseneren". (Waarom geen asperges?) Kortom: "Dat is de heelte waar Zilver van houdt. Niet het kapotte, zoals de voorgeschreven rafels aan zijn jas, het losse merkje in zijn trui dat er telkens uitwipt, en de punaisegaten in de muur. De wereld moet mooi zijn, als een pasgeverfde plank, glimmend, zonder een spoor van verval."(p.103)
Pas geverfde, glimmende zinnetjes
Dàt is de literatuur van de heelte die Van Dis tot in den treure serveert: pasgeverfde, glimmende zinnetjes die in al hun popperigheid ontroeren maar nergens beklijven. Ondertussen heeft Van Dis alle glanzende pseudoniemen achter zich gelaten en spreekt hij op hetzelfde gepolijst toontje van destijds open en bloot over zichzelf en zijn familie. In zijn recent meesterwerkje, "Indische duinen" (1994), legt hij zijn credo opnieuw af met die hem typerende babbelziekte: "Hoe groter de chaos om me heen, hoe meer ik aan heelte hecht."(p.84) Letterlijk en figuurlijk baden stijl en inhoud in een hang naar positiviteit die het waarmerk is van alle kitsch: van de lachende tuinkabouter in de tuin tot het knusse Biedermeier-interieur van de gegoede burger.
Stilistisch-figuurlijk betekent dit dat de verteller Van Dis voortdurend op zoek is naar kleurrijke pasteltafereeltjes: "De boot toeterde en juist op dat moment brak de zon door, een voorzichtige zon. Daar lagen de duinen, rijen dik, de wolken scheurden in het licht en het zand kleurde goudgeel. Niemand praatte, de meeuwen doken naar het land en de zon liet een schaduw over de duinen dansen, een wajangspel in de kou."(p.10) Haast elke scène, of het nu gaat om de dood van zijn naasten of om andere haperingen in de schone schijn, loopt steevast uit op het precieus vastpinnen van een geurtje of een kleurtje. Voor een dandy is een vlek op het vest inderdaad de ultieme, existentiële crisis. Voor Van Dis draait alles om het fixeren van zijn fragiele, zintuigelijke impressietjes, genre: "Mijn zaad rook naar knoflook."(p.19) Hoe anders gaat Jeroen Brouwers te werk in "Bezonken rood". De sensuele, barokke stijl van Brouwers is niet te beroerd om ook zichzelf in het gezicht te slaan. Brouwers' verteller verraadt "het kapotte" of "het verval" dat hij ziet in het Jappenkamp - of in de eigen ziel - geenszins voor het inventariseren van gratuite impressietjes, zoals Van Dis dat wel doet. De fragmentaire, nogal korzelige structuur van Brouwers boek gaat trouwens in tegen de welsprekendheid van de verteller. De werkelijkheid van die dagen, zo suggereert Brouwers, verdraagt nu eenmaal geen exhibitionistische mooipraterij zonder meer. Woorden verbleken bij dergelijke horreur, hoe mooi die woorden ook zijn en hoe moeilijk het ook is om die eloquentie niet te gaan cultiveren. Van Dis houdt niet van dergelijke dubbelzinnigheid, maar schrijft om zich eindelijk helemaal te kunnen laten gaan als de kwallige dandy voor wie uitsluitend het eigen palatum de hoogste hemel is.
Ook letterlijk probeert Van Dis voor zichzelf een imago uit één stuk te verzinnen. Of het nu gaat om de Van Dis uit "Zilver" of uit "Indische duinen", de verteller wil onafgebroken de scherven van zijn eigen identiteit tot een vaas zonder lijmsporen reconstrueren. Een dergelijke onmogelijke opdracht - een gelijmde vaas, zoals ieders identiteit, vertoont nu eenmaal sporen van verval of van opgelopen verwondingen - leidt tot dat typisch leugenachtige, fake wereldje van Van Dis.
Verwarde tweeslachtige
In alles en iedereen projecteert hij zichzelf. Zo begint Van Dis de zoektocht naar zijn vader - én dus uiteraard naar zichzelf - in zijn laatste roman met de dood van zijn zus Ada. Lang duurt het niet of Van Dis' eigen manwording komt om de hoek gluren. Een blik op het neefje Aram die aan het wenen is, doet de verteller denken aan zijn eerste zaadlozing: "Ik vond het ongepast bij dit sterven aan zoiets levengevends als zaad te denken, maar Aram herinnerde me te veel aan de dagen van mijn vaders dood, en aan mijn groei van jongen tot man."(p.18) Het duurt weliswaar enkele tientallen bladzijden vooraleer Van Dis ook in deze roman eindelijk zichzelf in het zonnetje zet voor al wie daar nog mocht aan getwijfeld hebben: "Ik besefte dat ik niet om Ada rouwde, maar om mijn vader."(p.72) Vervolgens is het maar een kleine stap om weer eens zijn jongensverdriet uit de kast te halen en zich af te vragen waarom zijn vader hem zo vaak molesteerde met of zonder liniaal. Van Dis kan het ook nu weer niet laten om terloops een flatterend zelfportret van de kunstenaar als jonge man op te hangen: "Ja, ik ben gaan schrijven, het alfabet heb je er met je liniaal in geramd en het is blijven hangen, nog bedankt. Ik maak nog steeds spelfouten, maar mijn zinnen lopen. Robin is nog steeds mijn held, een reus die mensen in zijn hand kon laten dansen. Dat kan ik ook."(p.159) Over zijn "verleidelijke", "dansende" stijl die iedereen voor hem inneemt - hoe helderziend is Van Dis toch! -, kwebbelde hij ook al in "Zilver": "Hij zal tonen wie hij werkelijk is: een reiziger met koffers vol ervaring, een schrijver die langzaam danst in zijn verhalen, een toneelspeler die verleidt, niet achter maar tussen de gordijnen."(p.157)
Wanneer Van Dis via zijn vader zichzelf heeft gevonden, mag de andere zus sterven en wijdt de moeder haar laatste gedachten uiteraard aan zoonlief, kwestie van de hele thematiek van Van Dis' schokkende jongensverdriet nog eens ter offerande te dragen: "Vroeger was ze weleens bang dat hij verliefd was op zijn eigen vader, een soort verwarde Oedipus, wie weet bestond dat wel."(p.313) Van Dis is echter niet zozeer een verwarde Oedipus, maar een verwarde tweeslachtige die doorheen andere personages voortdurend het eigen lichaam aan het betasten is. Is hij wekelijk of sterk, vrouwelijk of mannelijk? Zou het geheim achter Van Dis' exhibitionisme de zucht van de bisexueel zijn om eindelijk verlost te worden van die tegenstrijdige, vrouwelijke of mannelijke verlangens? Is hij daarom zo frenetiek op zoek naar een "hele" mannelijke identiteit?
Autobiografisme als norm
Deze hypothesen doen er niet zo toe. Wat er wel toe doet, is de beate bewondering voor de heile Welt van Van Dis. Het succes van zijn ijdel gebadineer leidt in de Nederlandstalige literatuur tot wat ik de mondaine dictatuur van la pièce bien faite zou willen noemen. De commerciële en professionele ingesteldheid van de Nederlandse uitgeverijen hebben het overwicht van dit autobiografisch zeepbellenproza in de literaire produktie van de laatste jaren zonder meer in de hand gewerkt. Uiteraard zijn commercialisering en professionalisering an sich onvermijdelijke en vaak ook positieve evoluties. Maar de literaire substantie zelve wordt door professioneel marktdenken eveneens aangetast.
De paradepaardjes van menige Nederlandse uitgeverij ogen zeer professioneel en uiterst verzorgd maar gehoorzamen stilistisch meer en meer aan een sjabloon, zoals dat door de Van Dis-literatuur exemplarisch wordt uitgedragen. Een bepaalde "schoonschrijverige stijl" zonder risico's wordt gevraagd met liefst een autobiografisch aandoend verhaal dat vlot maar zeer traditionalistisch - dus chronologisch en met een scheutje beeldspraak hier en humor of Weltschmerz daar - een modale levensstory inlepelt. Een dergelijke esthetiserende instelling maakt van het literaire boek een weliswaar professioneel, maar o zo pietluttig produkt. Prikkelen doet de Van Dis-literatuur zeker en vast, maar het blijft bij een kortstondig coca cola-effect. Een beetje bubbels, een de zintuigen prikkelend spumante, en dat is het dan. Literatuur moet toch meer bieden dan wat kinderlijk vuurwerk, zou ik zo denken, meer dan wat charmante pirouettes rond het eigen ik waarin Van Dis inderdaad een meester is. Maar de druk van de markt is dermate groot dat de Van Dis-literatuur het vaak haalt op het authentieke werk.
Verkoop-bevorderend versus verkoop-stollend
Daniël Robberechts had daar in 1991 zo zijn eigen bedenkingen bij en stelde dat de literatuur in het begin van de jaren negentig werd overspoeld door verkoop-bevorderende werken: "boeken die de lezer net niet genoeg ontgoochelen opdat ze helemaal stoppen met lezen en naar een concurrerende vorm van vrijetijdsbesteding overstappen, maar die hen achteraf toch zo onbevredigd laten dat ze onmiddellijk naar weer een ander boek verlangen." ("Kunst en de vrije markt-economie", p.115) Robberechts identificeerde de "verkoop-bevorderende" boeken weliswaar niet met wat hier de Van Dis-literatuur wordt genoemd, maar heeft het elders abstracter over "het vlotte schrijven" dat hij in parenthesis omschrijft als small talk en koud gelul. De mooie praatjes van het autobiografisme, zoveel staat vast, werken alleszins verkoop-bevorderend en niet verkoop-stollend, zoals een literair meesterwerk dat volgens Robberechts doet. Met het opgecoiffeerde wereldje van de Van Dis-literatuur dat bol staat van de personaliserende en pseudo-dramatische wendingen, kan iedereen zich moeiteloos identificeren. "Echte" literatuur, aldus nog Robberechts, is daarentegen van nature uit anti-commercieel, want economisch niet verantwoord: "Terwijl de boekenmarkt van de consumenten verwacht dat ze altijd meer en ander boeken lezen, of tenminste kopen, zet een literair werk van topkwaliteit de lezer ertoe aan veel langer bij deze bepaalde tekst te blijven stilstaan dan eigenlijk economisch verantwoord is." (p.115) De moralist Robberechts roept op om de markt te boycotten en als schrijver zijn eigen ding te doen: "Want telkens als iemand zich naar de regels van de markt volgt, maakt hij ze ook zoveel dwingender." (p.116) Robberechts onderschatte blijkbaar de zuigkracht van de markt want niemand - ook Robberechts niet - ontsnapt eraan. Natuurlijk is er een hemelsbreed onderscheid tussen een schrijver die zich bewust is van de commerciële context waarin hij nu eenmaal opereert en een heuse collabo die kost-wat-kost "verkoop-bevorderend" wil schrijven en zo inderdaad Robberechts' conclusie bevestigt.
Autobiografisme op zijn Vlaams
Ondertussen heeft de Vlaamse, literaire achtertuin zich reeds voor een belangrijk deel geassimileerd aan de esthetiserende smaak van de Nederlandse norm. Vlaamse schrijvers die het bij ons voor het zeggen hebben en ook in Nederland worden gecelebreerd, vervallen in het autobiografisch gezeur van de Hollandse kitsch. Ze vertellen min of meer onverbloemd over zichzelf op een afgelikt toontje dat de eigen lotgevallen nergens optilt tot een algemener niveau. Benno Barnard en Paul de Wispelaere zijn de exponenten van deze opstelletjesstijl die zich verliest in verbaal geronk uit de oude doos en waar na lectuur van de respectievelijke meesterwerken niets van bijblijft. Ik herinner mij uit De Wispelaeres "Het verkoolde alfabet" dat Paul in een plotse bui van jaloezie het slipje van zijn ontrouwe echtgenote gaat besnuffelen, terwijl Barnards "Het gat in de wereld" geen enkel spoor whatsoever in mijn leesmemorie heeft achtergelaten. Natuurlijk zijn er belangrijke verschillen tussen Van Dis aan de éne en Barnard-De Wispelaere aan de andere kant. Van Dis wentelt zich rond in autobiografisme terwijl Barnard en De Wispelaere zich willen distantiëren van het autobiografische en er daardoor des te dieper in verzinken. Barnard reflecteert voortdurend op het autobiografische genre maar verzandt in gesofistikeerde omsingelingsbewegingen rond het eigen ik. De Wispelaere tracht met aandoenlijke ernst de eigen subjectieve indrukken tot aforismen te objectiveren maar tussen droom en daad of intentie en werk gaapt in het geval van De Wispelaere voor mijn part een hilarische kloof.
Méér directheid, meer wereld a.u.b.!
Het hoeft dan ook niet te verwonderen dat een rebellie tegen een dergelijk zeepbellenproza à la Van Dis vanuit een min of meer perifere hoek in Nederland werd opgestart. "Wij hebben een voorkeur voor boeken die aanzetten tot lachen, rillen, huilen, kotsen en klaarkomen. Directheid prefereren we boven (...) estheticistisch gepriegel." Aldus de princiepsverklaring van de smalend genoemde Generatie Nix rond de Nijgh & Van Ditmar-auteurs Arnon Grunberg en Ronald Giphart. Met uitzondering misschien van "Blauwe maandagen" van Grunberg, wordt ook deze literatuur van de intensiteit echter meestal overgoten met dat typische eenheidssausje dat de meest recalcitrante brokken licht verteerbaar moet maken. De esthetiserende gladheid, kortom, van het commercieel produkt eist dus blijkbaar ook hier zijn tol.
"Als je het aantrekkelijk opschrijft, heb je vaak natuurlijk ook meer gelijk." Dergelijk gekoketteer uit de schone mond van de jonge essayist Stephan Sanders doet het beest in mij steigeren. De Nederlandstalige literatuur heeft vandaag geen behoefte meer aan een zoveelste proeve van dandyesk geposeer maar aan een onbehouwenheid of alleszins onbevangenheid die het niet om de vorm maar om de inhoud is te doen. Het moet maar eens gedaan zijn met de "kritische" ophemeling van de Van Dis-literatuur die Sanders hier ideologisch ondersteunt. De schone heeft het beest al te lang getemd. Wie schrijft, moet iets te zeggen hebben. "Aantrekkelijk schrijven" over zichzelf is bijzaak, dwingend spreken over de wereld rondom ons daarentegen des te belangrijker. Het huidige autobiografisme leidt ons van die wereld alleen maar weg en veroordeelt de literatuur tot het verdomhoekje van een overbodige of marginale kunst voor self-kickers.
Het citaat van Stephan Sanders komt uit een recent interview uit een Nijmegens universitair faculteitsblad van de afdeling Communicatie waarvan ik de verdere bibliografische gegevens niet meer vermag op te sporen. Het opstel van Robberechts, "Kunst en de vrije-markteconomie", werd gelicht uit zijn bundel beschouwende teksten: "Een leven lezen", Houtekiet, Antwerpen, 1995, 180 blz.