Op de rug der dingen Ann Meskens(Ann Meskens, mei 2006 Premsela Stichting voor Nederlandse Vormgeving, Amsterdam - http://www.premsela.org/home)
‘Nu ik probeer mijn taak te overzien, wordt het mij duidelijk dat ik niet over mensen moet praten, maar over dingen. Dingen. Terwijl ik dat uitspreek - hoort u wel? - ontstaat er een stilte; de stilte die om de dingen is.’En na deze woorden zal Rilke wel een mooie stilte gelaten hebben, zo één die in de zaal tussen de mensen viel, zich neervlijde en niet meer wegging. Want zo was hij, een bedaard man, ernstig en gevoelig. Het zijn zinnen die ik uit de context van een publiekslezing knipte die Rilke begin vorige eeuw in Wenen hield over de beeldhouwwerken van Rodin. U moet het zich voorstellen. Enerzijds de Duitse dichter, Rainer Maria Rilke, een beetje mager, wat ziekelijk, erg vergeestelijkt, altijd bezorgd om dat ijle medium waarin hij werkte. Die gedachten en de ideeën in zijn hoofd. En of hij wel de woorden vond. En of zijn taal een blik op een nieuwe wereld kon tonen. Wat moest hij die avond vertellen? Want anderzijds had je die Franse beeldhouwer August Rodin, rondborstig en oergezond, een man die met zijn handen en zijn lijf werkte, en als je Rilke mag geloven, zonder aarzeling. Rodin, die maakte dingen waar je niet omheen kon, beeldde ermee een nieuwe wereld uit. Eén die was gevormd uit de klei van de echte wereld, tastbaar en concreet. Het is ook Rilkes eigen stilte die in dit begincitaat weerklinkt, een soort schaamte, onzekerheid en twijfel, nu hij zich vlakbij de echte, materiële, werkelijke dingen bevond. Hij durfde slechts over Rodin te spreken, die avond, omdat een hardnekkige liefde hem dreef. Lijk ik op hem? Ik, een filosofe, die een eeuw later haar woorden zoekt, om mogelijk te praten over het werk van vormgevers en architecten. Ja, ik lijk wat op die talige en beschroomde Rilke. Ik herken dat verdomde zoeken en opgezocht worden door taal, dat verlangen naar, en ik herken de liefde die Rilke - die zelf veelal in woorden leefde -- niettemin voor de dingen had. En ja, ik herken ook het ontzag voor dat niet-talige dat tot zwijgen dwingt. Zo zijn er gebouwen - kleine huizen en statige kerken, functionele stations, prachtige musea en nieuwe hemelhoge wolkenkrabbers die me doen verstommen. Neen, ik noem hier geen namen van architecten. En zo zijn er voorwerpen – en ook hier doe ik maar niet aan namedropping - zoals hoogpotige stoelen, oude winterjassen, handige vouwfietsjes, geestige ladenkasten, een bril, mijn bril, en ingenieuze spelcomputers - waardoor ik mijn grote mond wel moet houden. Maar neen, ik lijk geenszins op die bedaarde Rilke. Zoveel liever was ik hier vandaag arrogant en vrolijk de zaal binnengewaaid, want zo ben ik, had ik even gezwaaid naar de mensen voor mij, mijn publiek, en zonder één woord te wijden aan de dingen vlakbij mij - het ontwerp van deze lezenaar of de Nederlandse huisarchitect Berlage - had ik u verhalen verteld, over hoe ik zovele dingen van vandaag beleef, en wat ik daarover als mens al eens denk, en ik zou de gêne, de twijfel en de onzekerheid van mij hebben afgeschud. Zo had ik mogelijk gepraat over, zeg maar, mijn aanhankelijkheid aan een trouwe afwasmachine, het ontgoochelingsgehalte van touwtjesschoenen in de regen, de onvermoede vrijheid van de Homo Ludens in Playstation II? En ook, wellicht onvermijdelijk, hoe mijn computer als ding en ik als mens verdwijnen, als wij samen in plezierige pas schrijven. En toch. De filosofe en de ethica in mij, dat was toch de bedoeling, hadden de hele tijd aan het woord gebleven. Want, zo geloof ik in mijn meest moedige momenten, als filosofie altijd opnieuw vertrekt vanuit het verlangen te willen verstaan en te willen begrijpen, al wat we zijn, en al wat mee met ons is, mogen we de dingen in ons denken niet veronachtzamen, in hun diepste ding-zijn, in hun verwevenheid met ons, en ook in het kleinste en meest alledaagse. Stop discrimination of cheap philosophy! Want als !filosofie ook altijd opnieuw het zoeken is naar een taal, zowel om de wereld te interpreteren, te aanvaarden en niet onmiddellijk in te grijpen, als om de wereld te betwijfelen en, als het even kan, een duwtje te geven, dan had ik woorden gewild, die toonden dat de dingen ziel hadden en menselijk zijn, en dat de mensen niet en nooit zonder de dingen kunnen. Maar. Ik had dichter moeten worden en geen filosoof. Zo zeiden mijn vrienden die filosoof zijn of ethicus. En zo zeiden ook mijn vrienden die vormgever zijn of architect. Hoezo, zeiden de filosofen. Ga je dan niet over onze wereld praten. Met veel taal. Over Socrates, Aristoteles, Descartes, tja, iemand als Bruno Latour? Toch over ideeën en ethiek?, en als het even kan, verwijs naar het belang van de metafysica. En praat over de mens, bovenal over de mens. En over het verleden, alsjeblieft. Hoezo, zeiden de vormgevers. Ga je dan niet over onze wereld praten. Met veel beeld. Over Adolf Loos, Le Corbusier, ‘le Corbu’ zoals we zeggen, Henry Dreyfuss, tja, iemand als Victor Papanek? Liever over voorwerpen, materialen, functie en als het even kan, blijf bij de wetten van de fysica. En praat over het ding, bovenal over het ding, en over het heden en de toekomst, wil je. En beiden wezen ze mij op al het eigene van de eigen wereld en op al het andere van de andere wereld, en op de hoge afscheidingen tussen onze werelden. Alsof we niet ook in één en diezelfde wereld leefden, dacht ik. Alsof er naast onze twee werelden niet iets als een derde wereld bestond. Alsof er geen gat in de ozonlaag was. Boven uw hoofden en het mijne. En om te beginnen: hebben we dan niet diezelfde geschiedenis? En ik merkte, terwijl ik intussen koppig verderschreef aan verhaaltjes over de oudste keukentafel en de nieuwste dvd-speler en toch ook over, hoe moet ik het zeggen, mijn filosofie, waarvan ik wil - en hoop en hoop - dat ze in mijn woorden sluipt. Ik merkte. Als je eens wat minder op de verschillen let, maar meer de gelijkenissen in het oog houdt - en dan heb ik het niet eens over het simpele feit dat filosofen wellicht ook vormgeven, en vormgevers en architecten allicht ook filosoferen, maar over raakvlakken die nog dieper gaan, en die het menselijke, al te menselijke betreffen, en daarom ook de dingen - dan heb je veel meer woorden nodig dan diegene die ik in een uurtje kan uitspreken. En als je het eens over die ene grote wereld wil hebben, waarin wij, filosofen én vormgevers, maar ook wij in de zin van mensen én dingen, vandaag allemaal leven, en die net zo goed uit, zeg maar, 48.565 werelden bestaat in plaats van uit onze twee - het is maar hoe je die ene wereld, vol materialiteit en vol immaterialiteit indeelt - dan raak je gewoonweg niet uitgepraat. En ik raakte niet uitgeschreven voor vandaag. En ik vreesde dat ik in de imposante Beurs van Berlage dan toch weinig stilte zou laten… Maar toen vertelde een conceptueel kunstenaar mij, zo iemand die je misschien zowel filosoof als ontwerper moet noemen, het volgende grapje. Hoe krijg je filosofen/ethici en architecten/ontwerpers in één en dezelfde zaal zonder dat ze in onmin komen? Antwoord. Zet ze elk aan één kant van de ruimte, plaats een hoog hek in het midden, zeg dat de filosofen hun grote mond moeten houden, en vraag dat de ontwerpers/architecten hun handen willen thuishouden. Ook ik kon hier niet om lachen. Maar het snoerde me wel even de mond. Hij wilde mij maar duidelijk maken, dat er nu eenmaal verschillen bestaan, bijvoorbeeld dat gestrenge onderscheid tussen mensen & dingen, en wat ik wilde was blijkbaar sprongetjes maken over de grenzen van bezield & onbezield, over de grenzen van natuur & cultuur, en ik zou hierdoor ook het onderscheid van mensen die denken & mensen die doen belachelijk maken. Ik was een naïef kind en een wilde indiaan, zei hij. Juist. Laat mij het dus vooral over gestrenge verschillen hebben, zo dacht ik. En dat ik er niet tegen kan, dat ze altijd en overal moeten gelden. (Al dacht ik er onmiddellijk bij dat ik zou moeten verduidelijken dat ze ook handig zijn en voordelen hebben.) De verhalen van de dingen en mijzelf - tot in het kleinste en het meest alledaagse - moeten dus wachten, al zouden ze illustreren wat ik tegen rigide afgrenzingen heb. Ik spreek dus nu verder over het onderscheid. Onder andere: Mens en ding (cultuur/natuur) Oud en nieuw (verleden/toekomst) Hier, daar en overal (lokaal/globaal) Typisch moderne afgrenzingen. En ik blijf er bij stilstaan, juist omdat ik het over de vermenging en ontgrenzing wil hebben. En zo zal het eveneens gaan over ons, u aan de ene kant van de zaal, en ik aan de andere kant, maar vandaag dan toch in diezelfde ruimte. Ik zal geen afbeeldingen tonen van huizen en dingen, dat moet u maar eens op een andere avond voor mij doen, u bent daar beter in dan ik, dat weet ik. Ik zal een uur lang mijn mond niet houden, en niet schromen filosofen aan te halen, noch bang zijn vormgevers of architecten te noemen, als ik dat nodig vind. Ik wil de wereld voor ogen houden. Ik wil de geschiedenis in het achterhoofd houden. En ik hoop dat we ergens elkaar tegenkomen. Dat moet wel. 1. BEELD Er was eens Socrates & Aristoteles Plaats: ergens in Griekenland Tijd: enkele eeuwen voor Christus Aristoteles verdeelde de wereld allereerst in bezield en onbezield. Het bezielde verdeelde hij in mensen, dieren en planten. Dus ook paarden en bomen kregen bij hem nog ziel. Maar niet de dingen, die hoorde bij het andere uitgestrekte onbezielde domein, en zeker niet de artefacten, de niet-natuurlijke dingen. Dat juist Aristoteles een aanzet gaf om de dingen te degraderen, is overdreven, maar wie onderverdelingen maakt, kiest ook de plaats waar alles moet staan. In Aristoteles wereld stond de ruwe materie - zelfs nog zonder enige vorm - onderaan, en bovenaan stond god die slechts vorm was, geheel immaterieel. De mens kwam hoog op de ladder terecht, omdat hij door zijn geest deel had aan het goddelijke, maar u begrijpt, voor de dingen viel dat slechter uit. En erger, wat lager stond, meende Aristoteles, diende uiteindelijk toch voor wat zich hoger bevond, de mens. Zowel de natuurlijke als de niet-natuurlijke dingen waren tot onzer beschikking. Er zit een zekere arrogantie in die ons is gevolgd. Maar belangrijker is naar Socrates te kijken. Socrates had iets vroeger het onderscheid tussen ding en mens al scherp gesteld. Ook met een zekere zelfingenomenheid. Volgens hem was de mens zelfs het enige wezen dat ziel had, een geestelijke en onsterfelijke ziel. In plaats van bijgelovig verzonken te zijn tussen de dingen, de dieren en de planten, alsof alles zomaar ziel kreeg toebedeeld, moest de mens leren zijn verstand te gebruiken. Want, zo meende Socrates, door zijn schitterende rede kon de mens afstand nemen van de wereld om zich heen. Dat had vele voordelen, neem nu filosofie, en zeker met de Aristotelische nieuwsgierigheid van daarna, wetenschap en kennis van het ding, de techniek en het lef om iets nieuws uit te vinden, en niet in de laatste plaats onafhankelijkheid en vrijheid voor de mens. Hierdoor kreeg die mens echter wel een nieuw bewustzijn en een eigen identiteit, zeg maar ons Westers bewustzijn en onze identiteit. Een individu dat redelijk onderscheid kan maken tussen de eigen persoon en de op zichzelf staande dingen. Ach, zo zegt men, ervoor was de oude wereld vervlochten, vermengd en verliefd geweest, animistisch wat vol van ziel betekent, en werd de wereld als vanzelf kosmos genoemd, en alles zonder onderscheid hoorde daarbij. De rationele golf die Griekenland overspoelde, spoelde heel wat luister weg. En zo klaagt men aan: het is onze filosofische Westerse manier van denken die de mensen en de dingen wreed uit elkaar rukte, met alle gevolgen van dien, zo zeggen de cultuurcritici, en dan wijst men naar dat gat in de ozonlaag. De schuld van de volwassen nuchtere Westerse mens in een indrukwekkend meervoud. En de cultuurcritici hebben dan een punt. Want kijk. Kinderen hebben nog wel eens moeite met de Socratisch-Aristotelische indeling. Ze praten tegen de goudvis, galopperen ons op een bezem voorbij, menen dat de stoel waar zij tegenaan lopen hen heeft aangevallen, en houden een vuil ding als hun kameraad aan het handje. Hun persoonlijke ervaringen zijn nog niet duidelijk afgescheiden van de wereld, zeggen psychologen, ze zijn er nog in verzonken, leven nog samen met alles rondom hen waarmee ze in voortdurend gesprek zijn. Dat is te horen in hun kindertaaltje. De kleintjes groeten s’ morgens de dingen. Dag brood op de tafel. Of ze verzuchten: dat ongelukkige autootje. ’s Avonds groeten ze opnieuw. Dag maan, slaap zacht, dag koe in de nacht. In hun kinderlijke onredelijke moraal moet men lief zijn voor de dieren, mag men niet stout zijn voor de kasten, en kan men de vriend worden van de straatstenen. Met de ontwikkeling van de taal, verdwijnt deze poëzie. Ook voor indianen, zo zeggen antropologen, is die gestrenge opsplitsing niet zo vanzelfsprekend. Ze gaan als mensen met de dieren, planten en dingen om in een wederkerigheid die ons minstens vreemd overkomt. Dat zou verwijzen naar een animistisch of participerend bewustzijn tegenover dat klassieke Griekse bewustzijn dat ons is gevolgd. Wat valt er te beluisteren in de indianentaal? Een voorbeeld. Voor mensen als Aristoteles en wij zijn het huis, de stoel, de bliksem in de lucht of de golf in het water zeer zelfstandige naamwoorden. Voor Hopi-indianen zijn dingen als bliksem en golf werkwoorden omdat ze te snel weer weg zijn, pas een wolk duurt lang genoeg om een zelfstandig naamwoord te zijn. Nog een voorbeeld. Wij, Westerse volwassen mensen, zouden onszelf als subjecten zien die vervolgens handelen, maar Navaho-indianen zeggen niet 'Ik - ga in bed liggen' maar iets als 'Ik behoor tot een groep die zich ten ruste heeft begeven', zij ervaren vooral het harmonisch invoegen. En nog een laatste voorbeeld. Zo zouden er Noord-Amerikaanse indianen zijn die na de eerste zalmvangst van het seizoen alle graten terug in zee gooien, zodat de zalm zich weer kan samenvoegen en terugkomen. Als ze dit niet doen, beledigen ze de vis. Ook moreel lijken ze ons primitief en onredelijk. Kinderen en indianen, voegen psychologen en antropologen eraan toe, hechten trouwens aan ons verschil tussen gisteren, vandaag en morgen niet hetzelfde belang als wij. 2. BEELD Er was eens Descartes en Newton Plaats: 48°48’N 02°20E & 52°12’N 00°07’E Tijd: 17de eeuw na X. Voor de Westerse nuchtere volwassen mensen - waaronder ikzelf - klinkt dit hoogst kinderlijk of wild exotisch. We kunnen nooit meer een kind zijn, we kunnen geen indiaantje meer spelen. We wenden eraan te leven in een moderne Westerse maatschappij. Want wat in Griekeland begon, kreeg bij het begin van onze moderne tijd serieuze versterking. De opdeling waarvan ik u het begin schetste, werd geradicaliseerd. Mensen werden hoofdzakelijk subjecten genoemd, de dingen objecten. Enerzijds, en u mag aan Descartes en Newton denken. In elk geval kwam een objectief wetenschappelijke kennis van het ding op het voorplan. In het labo, bijvoorbeeld, kon het natuurlijke ding los van zijn context en los van mens en god worden beschouwd. Dat had zijn voordelen. Natuurkunde. Wetenschap, kennis, een nooit geziene durf en creativiteit. De wetenschappers, de technici, de ingenieurs van vandaag horen nog altijd bij die natuurlijke orde. De kant der dingen, al zijn dat soms ook dieren en planten. Het gaat om de feiten, de natuur, de wetten. Neem nu de universele valsnelheid van 9,81 seconde kwadraat. (Dit is te kort samengevat, één kant van de moderne opsplitsing, de natuurkant.) Anderzijds, en u mag aan Hobbes en Kant denken. In elk geval beschouwde men de mensen meer en meer als politieke, historische en vooral rationele subjecten. Dat de maatschappelijke orde eveneens meer afgescheiden werd van dat rommelige cultuur/natuurleventje eronder, had zijn voordelen. Onafhankelijkheid, vrijheid, gelijkheid een nooit en nergens geziene democratie. En zeg hier maar Menskunde. De sociologen, politicologen, psychologen en ook de filosofen en ethici van vandaag horen bij de sociale orde. Zij kozen de kant van de mensen. Het gaat om de waarden, de cultuur, de wetten. Neem nu die universele mensenrechten. (Dit is dus eveneens te kort samengevat, de andere kant van die opsplitsing, de cultuurkant.) Ik besef, ik zeg niets spectaculairs, het lijkt zo evident, ik beschrijf onze wereld. Ja toch? Iedereen met wat historisch besef, heeft dit verhaal vaker gehoord. Ik herhaal slechts. Maar het is goed af en toe te herhalen dat die strenge opdeling verwonderlijk uniek is en enig, in tijd en in plaats. Goed, maar waar zitten de architecten en de vormgevers, zult u denken, over hen spreek ik later. Het viel te verwachten dat men binnen dat moderne kader - zowel aan de natuurkant als aan de cultuurkant - moderne wetenschappers als moderne filosofen - bepaalde moderne voorkeuren deelde. We verwijderden ons verder van de kinderen en de indianen dan ooit. Bijvoorbeeld. Allereerst. Een eerdere aandacht voor het bijzondere en het lokale, verschoof naar het universele of het algemene. Wat betekent dit? Denk opnieuw (binnen die natuurkant) aan die valsnelheid die nu overal en voor alles gold. En geen rekening meer hield met de wind die in het concrete, bijzondere en lokale leven zonder labo-omstandigheden wel eens voor andere snelheden zorgt. Denk opnieuw aan de mensenrechten die overal en voor alle mensen moesten gelden. Rechten die liever geen rekening meer hielden met hoe men in Parijs, Brussel of in Amsterdam gewoontegetrouw omging met zijn buren. En zelfs of men nu een Slowaakse boerin, een kaffer, een Pers of een bewoner van het verste eilandje was. Zelfs de taal werd in deze tijden modern. Het traditionalisme bleef de taal liever als een geschenk van god zien, bijzonder en locaal gebabbel, maar woorden konden ook als de schepping van de universele rede worden beschouwd, en dan was de grammatica dat ook. Eerder praatte men gewoon zijn streektaaltje, of als men buiten de grenzen ging, het Latijn, maar vanaf de moderne tijd, dacht men er of verlicht of romantisch, maar bijna altijd schriftelijk, ernstig over na. Vervolgens. Ondanks Socrates en Aristoteles waren de mensen - de boeren, de ambachtslieden, de monniken, zeg maar iedereen - toch altijd nog verzonken geweest in een cyclische oude tijd die altijd weer terugkwam - het werd zomer, winter en opnieuw zomer. De oude tijd cirkelde om de mens heen. De modernen wilden liever de tijd rechtlijniger beschouwen. Pas dan zouden we vooruit kunnen gaan en verlangen naar een nieuwe toekomst in plaats van dat alles bij het oude bleef. Neem nu de utopist Francis Bacon, hét moderne voorbeeld van de vooruitstappers. Hij droomde in 1580 in het boek Het Nieuwe Atlantis van ‘het verleggen van de grenzen der menselijke heerschappij’, en dit ‘voor het tot stand komen van alle mogelijke dingen.’ Ik verknipte wat citaten voor u - en ook ik verzwijg zoals vrijwel iedereen die hem citeert het opmerkelijke aandeel God in deze tekst. Bacon droomde. Van beesten en vogels op te sluiten in parken en omheiningen om secties en proefnemingen op dieren te doen. Ook de planten wilde hij opsluiten in labo’s om met enten en oculeren ongeziene soorten en variëteiten te ontwikkelen. Alles in dienst van de mens. Voor wie hij een ongeziene levensverlenging fantaseerde, en - ik citeer - ‘de genezing van ongeneeslijke ziekten, de verandering van gelaatskleur en de verandering van dikheid en magerheid’. Ik moet vermelden dat hij voor de mensheid ook nieuw ‘vernietigingstuig, oorlogstuig en vergif’ wenste. U gelooft het niet. Bacon droomde van machines ter versterking van de wind, van nieuwe kunstmatige metalen, van nieuwe kledingstoffen en nieuwe cementsoorten. En van middelen voor - letterlijk - ‘het opvrolijken en in een goede stemming brengen van de geest’. Mocht dat nog nodig zijn met zo’n toekomst. Droomde Bacon in de 16de eeuw al van Prozac? Bravo, zeggen cultuurcritici in het begin van de 21ste eeuw die Francis Bacon lezen, dit is visionair. Zo raakten we dus in onze typische Westerse ellende: van massaconsumptie waarin de individuele eenvoudige mens zoekraakte en van massaproductie waarin het individuele handgemaakte keukenkastje verdween, van ongebreideld kapitalisme, technologisch wapengeweld en schrijnende armoede, van tuchteloze wetenschap en stuitende milieuvervuiling, ik adem in, van verkeersfiles, eenzaamheid en depressie. Van een prins die van het warme Monaco tot aan de koude Noordpool reist, omdat hij dan toch bezorgd raakte om het milieu. Van een jongen die in Brussel wordt vermoord om zijn MP3-speler. Tja. Westerse moderne filosofen bedachten en verwoorden opdelingen, zekerheden en overtuigingen. Dat is zo. Wat men zo mooi techno-wetenschappelijke en sociaal-politieke ontwikkelingen noemt, die volgden opgewekt fluitend en zingend in hun spoor. Dat bleek zo. Maar allicht stapten we toen in die veelbelovende moderniteit, vooruit de 17de, de 18de, de 19de eeuw in… en namen we een hoge vlucht. Wie zou niet? Wie wil hier vandaag zonder aarzelen zijn MP3-speler inleveren, jullie de Cadcam, en ik de Word - samen met alle andere moderne verworvenheden? Vrijheid en gelijkheid, democratie bijvoorbeeld. Geen drie eeuwen na het moderne begin klonken er al te veel tegenstemmen om ze niet meer te horen. Genoeg, zeiden ze. 3. BEELD Nietzsche & Marx Plaats: Europa Tijd: 19de eeuw (En verder. Evolutietheorie, kwantumtheorie, relativiteitstheorie) U mag aan Nietzsche en Marx denken. (En u mag het verdacht vinden dat ik niet over Freud praat.) Tja. Misschien werden Nietzsche en Marx niet toevallig allebei van het ene land naar het andere gejaagd. Ze waren zo meesterlijk in het verwoorden van hun wantrouwen, dat men hen het liefst de mond wilde snoeren. In elk geval was in de 19de eeuw het naïeve optimisme van de moderniteit voorbij, hoewel niet voorgoed. Waren we met de moderne tijden niet in een akelige werkelijkheid terechtgekomen vol mensen en dingen van alle goden verlaten? Kijk naar die geobjectiveerde, ontzielde, onttoverde, verdinglijkte, commerciële, mechanische, technologische wereld, zo zei men. Letterlijk, ik citeer gewoon. Diegenen die verontrust waren, waren bang dat de oorspronkelijke of individuele mens zou opgaan én ondergaan in de moderne massa en ze vreesden evengoed dat we het handgemaakte, eerlijke en getrouwe ding zouden kwijtraakten. Dat ambachtelijke persoonlijke en aardige keukenkastje. Niet zonder reden. Hoe raakte de vooruitgang die we zo graag wilden, aan al die neveneffecten die we niet wilden? De Westerse mens kreeg de nadelen in het oog. En dat was nog maar het begin. Aan het gat in de ozonlaag dacht nog niemand. En hoe moesten we omgaan met zelfs de schitterende voordelen van die opsplitsing, maar die zo verpletterend leken in hun omvang? Er waren plots zoveel meer dingen, en zoveel meer mensen. Ook en bovenal omdat onder en naast die strikte indeling van, zeg maar rechts en links, natuur & cultuur, of wetenschap & politiek, of techniek & filosofie, de mensen sowieso gewoon bleven doen wat ze altijd al deden: leven en dat is altijd natuur & cultuur en de dingen horen daarbij in verwevenheid met de mensen. Mensen wonen, werken, winkelen, beminnen en bidden, verzamelen en gooien weg, eten en sterven. De opsomming is te kort, ik weet het. Veel van wat uit het succes van die opslitsing boven hun hoofden kwam, of dat nu mechanisatie of democratisering was, werd zonder veel nadenken mee in dat leven opgenomen, of beter zat er altijd al mee in. De techno-wetenschappelijke en industriële revoluties, en ook de socio-politieke en maatschappelijke revoluties, raakten altijd de dagdagelijkse verwevenheid van mens en ding tot in de kern, dat betekent ook tot op de straat en in de huizen, niet alleen in de labo’s of parlementen, en daar pas, nu niet meer opgesplitst en gecontroleerd, gingen ze hun ongelooflijke gang in een onvoorstelbaar gearrangeer en amalgaam van dingen en mensen. De moderniteit leek toch vooral winst te geven, daar kon men ook toen al in die 19de eeuw niet naast kijken - de foto, de gloeilamp, de telefoon, dat er zoiets als een ziekteverwekkende bacterie bestond en dat handen wassen belangrijk was - maar was er bij nader inzien niet ook veel verlies? Er waren mensen - hoe langer hoe meer - die zich na een tijd toch afvroegen of men in de vooruitgangswedloop niet een en ander was voorbijgesneld. Het is opmerkelijk, echt opmerkelijk, dat in de late 19de of in de vroege 20ste eeuw - en dat bleef nog lang zo - zowel denkers als schrijvers als schilders als architecten als componisten als vormgevers als filosofen vaak naar de verhouding mensen en dingen wezen. Het kernwoord was vervreemding. Dat wijst op iets oorspronkelijks dat er eerder wel was. We waren blijkbaar iets kwijtgeraakt. Sommigen vonden dat we radicaal moesten afstappen van het moderne plan, anderen meenden dat we nog radicaler modern moesten worden. En wélke mening men voorstond, was in de verwarring van die tijd vaak voor henzelf niet eens duidelijk. En wie nu terugkijkt naar toen, wordt nog tureluurs. Er was geloof en ongeloof, hoop en wanhoop. Er was het fin-des-siècle-gevoel, maar het gevoel bleef en ging niet meer weg. Tot ver voorbij de eeuwwisseling. Tot ver voorbij, neem nu een stad als Wenen. Toen de dichter Rilke in Wenen zijn dinglezing hield, roemde hij de beeldhouwer Rodin omdat die de gebaren uitbeeldde van een nieuwe mensheid, een moderne mensheid die naar de zin van het leven op zoek moest gaan in plaats van dat de zin bij geboorte al klaarlag. De gebaren van de mens waren nerveuzer, sneller en haastiger geworden, meende hij, en toch met meer aarzeling ook. Rilke zei: in alles lag meer ervaring en meteen ook meer onwetendheid. Meer berekening, oordeel, afweging en minder willekeur. Veel meer droefheid om wat verloren ging. Zo ongeveer beschreef hij zijn eigen tijd. Rilke was exemplarisch. Alles & iedereen leek veranderd te zijn. En hij meende die avond, dat als hij over de beelden van Rodin wilde spreken, hij zijn publiek eerst moest herinneren aan hun kinderjaren, toen ze de dingen nog begrepen. Hij riep zijn toehoorders op, na die stilte, na die zinnen waarmee ik vandaag begon, om met hun ontwende en volwassen gevoel terug te gaan naar een voorwerp, dat mocht zelfs een stukje hout zijn, een ding dat ze als kind gekoesterd hadden en dat plezier en troost was geweest. Zo zouden ze de dingen in gedachten hebben, zoals ze vroeger waren, want volgens hem moesten er betrekkingen en verbanden van ver voor de moderne tijd worden hersteld en vernieuwd. Hij geloofde ook dat Rodin met zijn beeldhouwwerken een brug kon slaan naar nieuwe tijden. Maar in een brief verzuchtte Rilke: ‘Vanuit Amerika storten zich lege en onverschillige dingen over ons uit, schijnzaligheden, verlokkingen… Bezielde dingen, die door ons beleefd worden en die ons kennen, zijn aan het verdwijnen en kunnen niet meer vervangen worden.’ En in één van zijn mooiste gedichten weeklaagde hij op sombere toon. ‘Waar ooit duurzaam een huis stond, dringt zich een maaksel op, dwars, volledig behorend aan het vernuft, een hersenspinsel nog gans.’ Niet over kunstenaars als Rodin, sprak hij hier, maar over het nieuwe maken en het nieuwe bouwen dat hij om zich heen zag. Wat wilde hij zeggen over de architecten en de ontwerpers? Het duurde blijkbaar lang voor de moderniteit ten strengste had ingegrepen tot in de huizen en tot binnenskamers. Architecten, als ze al werden aangezocht, hadden nog eeuwenlang, zeg maar, onmoderne huizen gebouwd, vaardig en slim, net zoals de ambachtslui werktuigen, keukengerei, meubels en sierstukken vervaardigden. Waarom? Omdat het reële wonen en reële leven niet zo makkelijk in die cultuur/natuuropdeling kon worden opgenomen en opgedeeld? Ik denk het. De dingen en de mensen hebben juist in het wonen en bewonen altijd dicht bij elkaar gelegen en bleven wellicht daarom nog lang vervlochten. In Rilkes tijd leek zelfs dit oeroude gegeven te veranderen. Een beweging als Arts&Crafts probeerde nog een tijd het omkijken naar het verleden en het vooruitzien naar de toekomst samen te houden, en zo mogelijk de machine van zich af te houden. Dat lukte niet. Als tegenbeweging was ze natuurlijk ook modern tot in het hart, en romantisch. Maar alle industriële ontwerpers, sympathisanten van Arts&Crafts of niet, oefenden van bij de aanvang wezenlijk een modern beroep uit. Ze werden juist gewenst en gewild en nodig door de gevolgen van de moderniteit: massificatie, mechanisatie, industrialisatie. Geloofden ze daarom dat zij de ideale bruggenbouwers konden zijn tussen het nieuwe ding en de nieuwe mens? Daar hadden ze reden voor, al geloofden ze het misschien wat te veel. Er zit een zekere arrogantie in die ons is gevolgd. Zij meenden dat ze het ding modern konden bedenken, zo de smaak van de mens konden onderwijzen, zij waren de gedroomde probleemoplossers en gedroomde maatschappijmakers voor een nieuw Atlantis. Ik noem hier slechts twee Nederlanders. Om te beginnen Willem Hendrik Gispen, industriëel en een voorganger van mechanisatie en zakelijkheid. Gispen sprak zich heftig en fel uit, zoals meer mensen toen. De kunstnijverheid, zo vond hij, was elke band met de realiteit kwijt! Met de nieuwe moderne realiteit, wel te verstaan. En de ambachtskunstenaars, wel, dat waren eigenlijk kinderen, vond hij - hun gevoel was even kinderachtig als hun verstand kinds was, zo stelde hij het. Wie het niet eens was met de opkomende tijden, schamperde hij, en ik citeer nu letterlijk, zijn ‘kleine kinderen die "stoute zee" zeggen als de vloed hun zandkasteeltje wegspoelt.’ En dan vermeld ik ook nog de Nederlandse kunstcriticus Just Havelaar, een man die ook erg lyrisch durfde te worden, ook zoals wel meer mensen die tijd. Iemand die wenste dat handwerk en industrie maar niet zo lijnrecht tegenover elkaar stonden. (En iemand die, zoals de grootste voor- en tegenstanders van de moderniteit, heel erg de Marxistische idealen deelde.) Hij probeerde dan toch verzoenend te zijn tegenover de machine die de liefde, die meegegeven werd met het handwerk, mogelijk wel mechaniseerde, maar misschien toch niet helemaal vermoordde. (En u mag hier heel kort aan Hella Jongerius en Ikea denken.) Havelaar meende dat het intieme en handgemaakte persoonlijke meubel in onze toekomstige huizen nog hun plaats hadden - omwille van die liefde meegegeven door zorgzame handen. Ik citeer: ‘Het is een kleine, maar kostbare liefde, die liefde voor het vertrouwde meubel, dat deel wordt van ons leven, dat een ziel voor ons heeft. (En let altijd op het woordje ziel.) Havelaar zei dat deze handgemaakte meubelen een sfeer van vertrouwelijkheid en stilte konden scheppen, een sfeer die wij nooit uit ons leven wilden missen. Ik citeer hem nog even verder: ‘Die klok, die kast, die stoel en die tafel scheppen een sfeer, de uwe.’ (U mag niettemin opnieuw heel kort aan Ikea denken.) Toch meenden er velen dat de moderne mens intussen wel heel erg veel moest missen uit oudere tijden, bijvoorbeeld, die vertrouwdheid met ambachtelijk gemaakte dingen die ziel hadden, en of dat in een huis vol met geproduceerde massadingen nog met wat handgemaakte klokken en kasten te redden viel? Kijk, zelfs de dichters waren ongerust in de veranderende tijden, en waren op zoek om iets van verlies te recupereren. Ervoor hadden ze in hun poëzie bovenal het verhevene beschreven. Nu speurden ze op de straat naar de gewone dingen. Baudelaire. Apollinaire. Paul van Ostaijen. ‘Dag ventje met de fiets op de vaas met de bloem / ploem ploem. / Dag stoel naast de tafel. / Dag brood op de tafel.’ Zinnen uit: Marc groet s’ morgens de dingen. Allerminst een kinderversje maar een volwassen gedicht en vol van de verlangde kinderlijke blik op de wereld. Ik zwijg over de futuristen. In minder experimentele gedichten dacht men na over het wezenlijke van het ding. Ik lees nog een fragment van de Portugese poëet Pessoa waarin u hoort hoe sterk het verlangen was naar eerlijke dingen, enkel nog concreet, tastbaar, aan te raken, houvast. ‘Dat de dingen werkelijk zijn wat ze lijken te zijn. / En dat er niets te begrijpen valt. / Ja, dat hebben mijn zintuigen mij geleerd: de dingen hebben geen betekenis: ze bestaan.’ Want hoe bestonden de dingen nog voor de gewone mens? In ruil voor welvaart en vrijheid had hij blijkbaar een hoge prijs betaald. ‘Het animisme had de dingen bezield, de industrie maakte de zielen tot dingen.’ De dingen waren onttoverd, leeg en ontzield geraakt. Door de goden verlaten, uit de handen van het ambacht gerukt en geobjectiveerd in de wetenschap. Verworden tot nutteloze voorwerpen en ellendige prullen op de markt. De dingen verdingelijkten uiteindelijk de mens! Zoals u merkt, praatte men hier in het algemeen over dé dingen, en niet over dit handige keukenkastje, de schoonheid van dat halssnoer of de trein waar de mens toch tamelijk snel en geestdriftig aan wende. Was men dan genuanceerder geweest? Ik denk het. Het was natuurlijk wennen, wij kunnen ons die overgang nog moeilijk voorstellen, en zorgde de moderniteit niet voor veel verkilling? Wat moest men doen? De filosoof-schrijver Walter Benjamin schreef (in Eénrichtingsverkeer in 1928): ‘Uit de dingen verdwijnt de warmte. Voorwerpen bestemd voor dagelijks gebruik stoten de mens traag maar hardnekkig van zich af.’ Volgens hem moesten de mensen om niet door hen te verstarren de koude van deze dingen met eigen warmte compenseren. De moderne ontgoochelde mens zocht inspiratie, verzoening en vooral heel veel warmte bij de kunstenaars om niet te verstarren, en vaak samen met hen, zocht men die warmte in het irrationele, exotische gedrag van niet-moderne volkeren of het naïeve omgaan van de kinderen met de wereld. De indianen. De kinderen. Zij die nog animistisch en holistisch konden zijn. Het was natuurlijk onmogelijk om zoveel en zover terug te gaan. Melancholie. Rilke begon, met Rodin voor ogen, dinggedichten te schrijven. Maar misschien moesten we alleen maar nog moderner worden? Rilkes lezing over Rodin was nog niet koud, of Adolf Loos, Oostenrijks architect maar ook filosoof te noemen, hield in 1908 ook in Wenen, de lezing Ornament & misdaad. Hij liet iets minder stilte dan Rilke. Ornament & misdaad. Hét voorbeeld van het enthousiasme waarmee alle modernisten de versiering uit het leven schrapten, zo zegt men, en van hun minachting van de modernisten voor de trage ouderwetse mens. Toch is het ook een voorbeeld van malafied geplunder van oude teksten, zo vind ik. INZOOMEN Maar goed. Drie jaar later, in 1911 gaf Loos in datzelfde Wenen een lezing over zijn huis op de Michaelerplatz. Opnieuw met weinig stilte. In de zaal kon men zowel juichkreten horen (van de modernen) en boegeroep (van de anderen). Een jaar eerder was de bouw van dat Loos-huis met politiemacht stilgelegd. De meeste Weners verafschuwden net als hun keizer dit huis zonder gezicht. ‘Het huis zonder wenkbrauwen’, sneerde men. Mensen zijn en blijven nu eenmaal ouderwets en verhaspelen altijd Aristotelische indelingen alsof het niets is. Loos hield van kunst en muziek, dat was al duidelijk in zijn lezing Ornament en misdaad maar we zouden hem misverstaan dat dit betekent dat een architect volgens hem een kunstenaar en architectuur toegepaste kunst was. Allerminst. Hierin lijkt hij zelfs behoudsgezind. Het kunstwerk was de toekomst, maar het huis was het heden, zo meende hij. Wat te denken van: een kunstwerk hoeft niemand te bevallen, is een privé-aangelegenheid van de kunstenaar, wil de mensen uit hun gemakzucht rukken, dus is revolutionair. Het huis is geen privé-aangelegenheid van de kunstenaar, moet de gemakzucht dienen, is conservatief en moet voor iedereen aangenaam zijn. Getekend. Loos. En dan dat huis op de Michaelerplatz. Maar wie de tijd een beetje kent, weet dat zeker, zeg maar, de versierde Oostenrijkers geen boodschap hadden aan dat huis dat indrukwekkend in zijn eenvoud was. Eerdere bouwheren van belangrijke Weense huizen hadden zich de kritiek zo aangetrokken dat ze zelfmoord pleegden. Niet zo Loos. “Ik ben uit harder hout gesneden,” waarschuwde hij en hij stierf in 1933 met kalm gemoed in zijn bed. Bij het einde van wat ik de naïeve moderniteit noemde, meenden sommigen dat we de moderniteit moesten ontvluchten, zei ik, en weer anderen dat we de moderniteit moesten omhelzen. Bij de laatste zeker veel architecten van die tijd, misschien omdat ze zo laat waren ingestapt. Raumplan versus Plan Libre. De Franse architect Le Corbusier, ook wel filosoof te noemen, had de ornament-lezing reeds in 1921 in zijn tijdschrift L’esprit Nouveau geplaatst, - let toch alweer op de naam. Eerst de filosofie, de wetenschap, de vermarkting ... nu sloeg de moderniteit pas goed in de architectuur toe. Ik beperk me met moeite tot twee voormannen. Loos had de vrijheid vooral horizontaal verkend, Le Corbusier wilde de hoogte in. Te beginnen met de vloer die al eeuwen op de grond had gelegen. Waarom?, durfde Le Corbusier te denken. Hij behoort tot de modernsten en opmerkelijksten die in de 20ste eeuw vooruit wilden. Dacht Le Corbusier, als wij de huizen nu al eens modern maken, dan zullen de mensen wel volgen? U weet het, hij was niet alleen. De internationale van de moderne architectuur, de CIAM, formuleerde in 1933, als het ware op het sterfbed van Adolf Loos, hun stellingen. Over heel de wereld kreeg Le Corbusier al snel z’n koosnaampjes: Corbu, Le Corbu, my friend Corb. Er waren tegenstemmen, maar weinig. Zijn critici noemen hem le corbeau, de raaf, de onheilsbrenger. Le Corbusier durfde zelfs zó modern te zijn, zo merken zij cynisch op, dat hij totaal geen rekening hield met een plaatselijk oud gebruik meer of minder, dat het voor de mensen altijd opnieuw zomer werd, weer winter en opnieuw zomer, noch hield hij in zijn plannen rekening met een beetje wind. De valsnelheid is de valsnelheid. En alle mensen, in Parijs, Brussel, Amsterdam, maar ook een Congolees of de bewoner van het verste eilandje, moesten van het licht en de lucht leren genieten, en als het even kon, zelfs bovenop of onderaan hun huis. Ook in het Franse Pessac. De streek rond Bordeaux is berucht vanwege de zware winden en helse regens, las ik nog onlangs op internet op zoek naar een zomerhuisje. Trouwens. Niet één modernistisch vakantiewoning werd er aangeboden, ook niet in Pessac. Le Corbusier zelf hield met zijn vakanties veel zuidelijker kasteel in een streek met minder noodweer, in een cabanon van 3,66 vierkante meter. Wat te denken van iemand die alle moderne idealen die vanaf de 17de eeuw golden, nu doorgedreven de huizen binnentrok? Wat te denken van iemand die zijn eigen zuidelijker strandhutje van drie op drie een kasteel noemt? Van een architect die niet eens afwoog of een puntdak in welbepaalde Franse streek van meer gezond verstand zou getuigen dan een plat dak? Van iemand die tot in de slaapkamers zijn bewoners durfde te controleren of ze wel à la Corbu leefden en desnoods de gordijnen meenam. Ik adem in. Nog even. Van een man die zijn studie La ville radieuse simpelweg opdroeg 'à l'Autorité', en naar men zegt zijn citées liet inspireren door iemand als Alexis Carrel. Wie? Alexisje en Carelletje, twee van de eerste vijf gekloonde biggetjes, na het schaapje Dolly, werden naar Alexis Carrel vernoemd. En toch. Le Corbu et ses amis. Met wat meer perspectief. Wie ziet niet de inventiviteit, de creativiteit, die schoonheid toch ook die je in modernistische huizen kan toevallen. Wie ziet niet dat de arbeiders toen allereerst lucht, licht en hygiëne nodig hadden. Dat Le Corbu kleur gaf aan zijn huizen in Pessac, het roodbruine van de aarde, het diepblauwe van de hemel. En moeten we niet lenig durven zijn, in de verticaliteit en horizontaliteit van huizen, in plaats van slaafs de geschiedenis te volgen. Met een beetje perspectief, zeg. Wat als wij die rijke volgestouwde bourgoisinterieurs van toen hadden gezien én de armoedige vuile arbeiderskrotten zonder sanitair? Wij, de filosofen en ethici, de ontwerpers en architecten? Want eigenlijk spreek ik over jullie én over ons. Hadden de moderne architecten - net zoals de moderne ethici, want hoe verschillend ook, het is eenzelfde verhaal - zelf niet beter wat meer perspectief gehad - wat meer gelet op gewoontes, gedrag en gebruiken, het ethos van mensen? En er rekening mee gehouden? Een huis was toch vooral het heden, niet? En bezit van de mensen die erin wonen? Tja. De bewoners van toen bleken veelal onthutst dat hun modernistische huizen met de voeten de grond niet meer raakten. En ze bleven nog lang ouderwets om gordijnen, zolders en kelders vragen. Al hielp het toen de peilerconstructie ook een geschikte car-poort bleek te zijn. Het geeft te denken. Maar sowieso, dát de mens zijn gewoontes zomaar kon opgeven - en dat hij (vooral de arbeider dan) alleen Marx, lucht, licht en hygiëne nodig had, is als opsomming wel erg kort en extreem voor de mens. Ik noem maar één van de spijtige moderne overschattingen van die tijd. dát de architecten vanaf dan uitsluitend modern moesten zijn, met bijvoorbeeld, ik noem maar één gevolg, alle nadruk op origineel en vernieuwend, is volgens mij een betreurenswaardige moderne onderschatting van dat beroep. Nog altijd. En willen wij, de mensen, wel ooit in eerlijke en waarheidsgetrouwe en rationele huizen wonen? We willen dan wel rationeel zijn, maar slagen er niet in, zoiets zei Rilke al. Die over- en onderschattingen waren echter niet nieuw, ze kwamen mee aangewaaid vanuit de geschiedenis. Die moderne tijd, met zijn gestrenge en handige opdeling, lijkt toch makkelijk te leiden tot extremiteiten of minstens tot reduceringen. Ook bij ons. Eerder bij de filosofen en de ethici, later bij de huis- en alle varianten van de binnenhuisarchitecten pro domo. Iedereen met wat historisch besef weet dit, ik besef dat. Niettemin. We moeten scherp zien, meen ik, hoe diep modern, zowel de believers als de non-believers in de vorige eeuw bleven en wilden blijven. Alsof de 17de eeuw nog maar net begonnen was. Nog altijd dachten voor- en tegenstanders strenge keuzes te moeten maken binnen allerlei moderne onderverdelingen. Om te beginnen wat die tijdslijn betreft; of de mens nu vooruit of achteruit moest gaan?, maar die moderne gewoonte toont zich ook in, zeg maar, de gestrenge keuze van functie óf vorm, óf van versiering óf niet. Huis- en binnenhuisarchitecten waren - eindelijk los uit de traditie - op weg naar een stijl van de toekomst, een Internationale Stijl of De stijl, met de rationaliteit voorop. Zo konden ze niet anders dan tegenvoeters zijn van diegene die op de terugweg waren - exit verleden - op zoek naar de wortels van elk ontwerp, het handwerk, of welke vroegere bouwstijl dan ook. In namen als Art Nouveau of al die neo-traditionele bouwstijlen hoort u echter, evenals in een term als postmodernisme later, dat men toch alsmaar op diezelfde tijdslijn bleef. Dat roept vragen op. Voor extreme traditionalisten. Een extreme vraag. Kan men überhaupt terug in de tijd gaan? Neen, zelfs Hopi-indianen kunnen dat niet, al ervaren ze de tijd lichtjes anders dan wij. Een citaat uit de antropologie. Hopi-indianen ‘pogen (niettemin) niet te scheiden voor ze getrouwd zijn, te antwoorden voor de vraag gesteld wordt, of te genezen voor iemand ziek is.’ Er zijn grenzen. En voor extreme vooruitgangsdenkers. Kan men zelfs überhaupt vooruit in de tijd gaan? Of neem evengoed een andere, meer klassieke vraag - men moet ze bij herhaling stellen opdat het belang duidelijk wordt. Was de moderne stroomlijnpassie in de jaren dertig en nog lang daarna, met de aerodynamische gestroomlijnde puntenslijper op het bureau of de wekker die verdacht veel op een vliegtuig leek aan bed, een functioneel ontwerp van volwassen nuchtere rationele moderne mensen? Hoe ontsnap je aan dat vooruit- of achteruitgeloop? Hadden de filosofen en de architecten het postmodernisme nodig om te worden gered. Het hielp alvast een en ander te nuanceren. Maar heeft het ook niet gewoon met aandacht te maken? Want als onder die strenge opsplitsingen het leven toch verder zijn gang ging - het wordt nog altijd zomer, winter en opnieuw zomer - kunnen we mischien ook het lokale, het bijzondere en al wat de modernen verwaarloosden terug in het oog krijgen, als we dat maar willen? Het ligt er nog. Neem nu. De filosofen die door die strenge opsplitsingen zich nog meer gingen bezighouden met de rationele mens die denkt en dus is, en nog minder met zijn verwevenheid met de dingen in het gewone leven. We lieten de dingen aan de labo’s, de wetenschappers en technici over en al diegenen die aan de natuurkant zaten. De filosofen en ethici bedachten wel mee de cultuurkant, zo dachten zij, en concentreerden zich bijvoorbeeld op de moderne mens en zijn rechten en zijn mondigheid. Kunnen de filosofen en ethici het daarom in de 21ste eeuw niet over de dingen hebben? Tot in het gewoonste en meest alledaagse. En nadenken over hoe de mensen, hoe streng ze ook nadenken, ooit zonder de dingen kunnen zijn? Tot in het gewoonste en meest alledaagse. Een beetje apparatologie, bijvoorbeeld, om te oefenen. Zouden dichterlijke pogingen als subjectieve dingverhaaltjes kunnen helpen? Vandaag! Een verhaaltje over de liefde voor een hedendaags ding als de intieme en persoonlijke afwasmachine? (Ik kies bewust een controversiëel voorbeeld.) Het zou, voor ons filosofen, in elk geval een goede oefening zijn om wat historische onervarenheid kwijt te raken. Had ik vandaag om stilte moeten vragen, niet eens om terug te gaan naar de kindertijd, maar om eens anders naar onze vertrouwde afwasmachine te kijken? Is deze machine, dat ding, dan geen kleine, maar kostbare liefde, dat deel wordt van ons leven? De afwasmachine roept interessante vragen op, toch? O wee, als ze niet werkt, maar is het daarom louter functie? En mag het niet wat meer ornament hebben, kleur bijvoorbeeld. Of zal het altijd witgoed blijven? Ach. Mijn afwasmachine en ik. Het is een kostbare liefde. Zou ik woorden vinden die tonen hoe door en door menselijk zij is vanaf haar ontwerp tot in het gebruik. Dat zij verbazend veel ziel heeft, en dat ik, in het gebruik ervan ook altijd kind en indiaan blijf. Misschien moet ik toch dichter worden? Er is een poëtische taal nodig, denk ik, als je noch de dingen, noch de mensen wil onderschatten. Niet in hun lenigheid om de toekomst aan te kunnen, niet in hun gehechtheid aan het verleden. Maar zou ik zo ook filosoof kunnen blijven, want dat wil ik, en verder denken dan mijn keuken en mijn achtertuin en als ethica de 21ste eeuwse opdracht niet vergeten; de matigheid? Al het kleine is verbonden met het grote, ja toch? Mijn afwasmachine verbruikt allereerst water, niet, hét schaarse goed van de 21ste eeuw. Maar moet ik het niet daarom ook over die liefde voor de dingen hebben? Als we er meer aan zouden hebben, hebben we mogelijk minder nodig. Noch de 20ste eeuwse filosofen, noch dichters, schilders of componisten, evenmin de architecten of de ontwerpers, en ook niet alle cultuurcritici van de 20ste eeuwse samen, konden verhinderen dat we verder de moderne tijd injoegen, met in ons spoor gezwind met ons mee, alle neveneffecten. Wetenschappers en technici en ondernemers en fabrikanten en ook de gewone mensen volgden in de demarrage. Twee oorlogen versnelden de vooruitgang in plaats van die te vertragen. Een eerste met Baconiaans oorlogstuig en gif. Een tweede met de ijzingwekkendste reducering van mens tot ding, geholpen door de modernste techno-wetenschap. Onder de gestrenge opsplitsingen ging de wereld zeker naoorlogs pas goed zijn gang. Het succes van de moderniteit lijkt ook haar gevaar te zijn. En nu? Zelfs de moderne opsplitsingen, handig geweest om naar de wereld te kijken en die wereld te begrijpen, lijken ridicuul te worden om onze wereld te verstaan. Ach. Verleden/toekomst. Cultuur/natuur. Lokaal/globaal en mens en ding. Het allerdichtste voorbeeld. Mijn computer met open toegang tot het internet en ik schrijven ten diepste samen, vervlochten en verweefd en verliefd. Het allerverste voorbeeld kan niet anders dan het gat in de ozonlaag zijn. Wat gebeurde er met de wereld, van Socrates tot en met vandaag? Men wijst niet alleen naar hem als de vervloekte stichter van het moderne onderscheid. Men vertelt ook dat hij op een dag in Athene rondwandelde, dat hij voor één van de etalages van toen bleef stilstaan, en verzuchtte hoeveel dingen de mensen van zijn stad wel nodig hadden. Matigheid. UITZOOMEN Als de sobere Socrates voor één dag terug tot leven kwam, valt hij onmiddellijk terug dood. Zijn eerste vraag: of we nu meer of minder dingen hebben, zou met digitaliteit, e-commerce en virtual reality niet eens makkelijk te beantwoorden zijn. Leg hem de woorden cyberrisks & technocalyps eens uit. Stel dat je hem maar snel de stad instuurt? Wat zou hij zien? Hij ziet. Als hij een winkelstraat inloopt. Vooral het verlangen naar nieuwe dingen. Als hij verder de musea bezoekt. Eveneens ons verlangen naar oude dingen. Dat zou voor hem ook allerminst te snappen zijn. Zowel die wilde massaproductie en -consumptie als die conserverings- en behoudsmanie zijn modern. Socrates zou het gat in de ozonlaag niet opmerken, niet beseffen dat die ene stad niet het centrum van de wereld is. Van de atoombom zou hij geen weet kunnen hebben, maar dat er zoiets als een demografische bom bestaat, dat zou hem dagen. Stel dat hij een ouderwetse krant zou vastnemen en zou lezen over gekloonde varkens. Over Alexis en Carell, maar ook over Christa, Millie en Dotcom genoemd naar dokter Barnard, het millennium en het internet. (Bacon was anders ook een goede naam geweest.) Wat? Genetisch gemodificeerde varkens met organen in dienst van de mens. En hoezo, een world wild web? Arme Socrates. En als hij dan vermoeid zou vragen of we nog weten dat hij ons ook vroeg matig te zijn? Neen, Socrates, het is sowieso moeilijk voor ons om te herinneren, maar enkel in de onontkoombare armoede van de 19de eeuw of in de oorlogsschaarste van de 20ste eeuw waren onze voorouders matig. U weet het, ik weet het, iedereen weet het. Het klonk al door in de tegenstemmen die eind 19de eeuw en begin 20ste eeuw van zich lieten horen. Het kernwoord was vervreemding, maar het had toen al controleverlies moeten zijn. En later in die eeuw stond het in verontrustende rapporten. In 1972 schreef de Club van Rome het rapport Grenzen aan de groei. Men zei: ‘De mensheid kan niet blijven doorgaan … zonder daarbij in moeilijkheden te komen.’ In ‘92 klonk zelfs de titel al pessimistischer, Grenzen voorbij. Toen zei men: ‘De wereld van de mens heeft haar grenzen overschreden…” En onze wereld nu? Dat de dingen werkelijk zouden zijn wat ze lijken te zijn, zoals Pessoa nog meende te kunnen zeggen, klopt geenszins meer. Men heeft verbeelding nodig om te weten hoe het vandaag met de wereld is gesteld. En ik heb lang geaarzeld, maar ik vertel u toch één verhaal. Niet van mij, maar van de gelegenheidsfilosoof Günter Anders. Een gelegenheidsverhaaltje. ‘Toen mevrouw Gloei vanaf het hoogste appartement diep in de diepte keek, doemde daar beneden op straat haar zoontje op als een nietig stukje speelgoed. Zij herkende hem aan de kleur van zijn jasje. Het volgende moment werd het stukje speelgoed door een speelgoedvrachtwagen overreden.’ Einde, maar Anders vervolgt. ‘Maar dat alles wat er zonet gebeurde, was toch slechts een speelgoedongeval, een irreëel moment in de tijd. ‘Ik wil niet naar beneden’ schreeuwde de moeder. En ze verzette zich met alle kracht, terwijl ze de trap af naar beneden werd geleid. ‘Ik wil niet naar beneden! Beneden zou ik waanzinnig worden!’. Er is verbeelding nodig, juist om het echt in te schatten. Diezelfde verbeelding hebben wij nodig om ons iets voor te stellen bij dat gat in de ozonlaag of bij de armoede in de derde wereld. Het gat in de ozonlaag boven de Zuidpool schijnt zich inmiddels tot boven Latijns Amerika, Nieuw-Zeeland en Australië uit te breiden. Zowat 1 miljard kinderen over de hele wereld ontberen ten minste één van de zeven essentiële levensbehoeften: onderdak, water, verzorging, onderwijs, informatie, gezondheidszorg en voedsel. Maar zulke zinnen blijven abstract als je er niet heel wat verbeelding bijhaalt om het je werkelijk voor te stellen. Dat wilde Günter Anders met zijn verhaal vertellen. Onze wereld werd erg complex. Erg on-overzichtelijk en erg on-inzichtelijk en daardoor erg on-modern. Niemand is nog verantwoordelijk, verzucht men al eens. Dat betekent slechts dat iedereen verantwoordelijk werd, durft men al eens te corrigeren. Dat de matigheid onze grootste opdracht is, en voor iedereen, daar is eigenlijk iedereen het over eens. Oké. Maar hoe? Om te beginnen. Wie kan aan wie de matigheid opleggen? De moraalfilosofen aan de architecten en de ontwerpers? Terwijl zij en alle andere filosofen verder mogen denken, want dat is minder vervuilend. Klinkt al onmiddellijk verdacht. Wie nog? De politici aan de burgers? De milieucritici zijn het strengst van alle cultuurcritici. De radicalen onder hen stellen beperkingen, verboden en straffen voor waar iedereen bang van moet worden, al ben je de meest groene, sobere en bewuste consument. Na alle moderne bevrijdingen willen deze milieucritici het liefst alle burgers en verbruikers, liefst vandaag nog, een eco-dictatuur opleggen. Het milieu is in gevaar, dat is zo. Moeten we - nu alle grenzen overschreden lijken - pas goed zonder aarzelen gestreng kant kiezen? Modern vooruit of tegenmodern achteruit. Moeten we nog kritischer zijn? Ja, misschien. Maar liefst niet 20ste-eeuws kritisch, denk ik dan. Want zowel de milieu-, als de techniek- als de consumentenkritiek die de techniekverslaafde en consumptiezieke mens opriepen minder modern te zijn, misten - hoe interessant, verrijkend en terecht ook - vaak de nuance. En daardoor geloofwaardigheid trouwens. Je kan niet zomaar alle industrie & machines, winkelstraten & producten weg willen en met deze wereldbevolking terug in kleine dorpen gaan leven. En verder. Je kan de dingen toch niet node dulden en wensen dat de mensen er niet meer zouden van houden. James Twitchell, een academicus die naar shoppingmalls kijkt in plaats van het hoofd af te wenden zegt provocerend: ‘We kopen dingen, we houden ervan dingen te verhandelen, we stelen dingen, we schenken dingen, we leven doorheen, met en in de dingen. En nu naar de Engelse taal omdat het pregnanter klinkt. ‘We call these things goods. We don’t call them bads.’ De cultuurcritici die zo vaak naar indianen en kinderen verwezen, en naar het verleden, moesten hun oren wel met was dicht stoppen, om de psychologen, historici en antropologen niet te horen. Want die wezen erop dat men zelfs - in vroegere tijden of op verre eilanden - niet die oorspronkelijke behoedzame en sobere mens tegenkwam die de moderne Westerse mensen droomde. Zij vertelden verhalen waaruit bleek dat noch de mensen, noch de dingen waren wat ze leken te zijn. Maar neen, wij, Westerse moderne rationele mensen maakten alles kapot, zeiden cultuurcritici, maar vroeger was dat niet zo en elders is dat ook niet zo. Dus moesten de moderne mensen dringend terug naar vroeger of verhuizen. Een enkeling zei dat enkel god ons nog kon redden. U hoort toch hoe ten diepste modern de cultuurcritici zelf bijna allemaal bleven? En als ik ze vandaag op een rijtje zou bespreken, zou u horen hoeveel nadruk ze allemaal legden op wat we verliezen in onze hedendaagse techno-wetenschappelijke consumptie-maatschappij, in plaats van daarnaast te wijzen op wat we behielden, en wat we wonnen en nog kunnen winnen. Als u er vandaag mee wil van uitgaan dat we geen tweeduizend jaar, vijfhonderd jaar of zelfs maar honderd jaar geschiedenis kunnen schrappen. En dat we geenszins de effecten van nu, en ook niet de oorzaken van toen kunnen wissen. En dat we graag allerlei van de moderniteit willen behouden: zeg maar, de democratie of de mensenrechten, maar ook alle grandioze dingen die ontworpen worden en gemaakt: afwasmachines, MP3-spelers, Word en CAD/CAM. Maar niet het ongebreidelde en ongecontroleerde van onze manier van leven en werken en denken en wonen - de opsomming is te kort - want in die snelheid en met die omvang maken we onszelf en de wereld kapot. Wat moeten we dan doen? Dan moet er iets gebeuren. De 20ste eeuwse cultuurcritici hebben gelijk dat de zogenaamde pre- of niet-modernen - oude samenlevingen in het verleden, of wat men lang primitievere samenlevingen noemde ver weg - de Westerse mens voorbeeldig kunnen zijn. Het is zo dat de niet-moderne, niet-westerse mensen omdat ze de moderne opsplitsingen niet kenden, behoedzamer waren. Alles en iedereen vervlochten en verliefd en deel van één kosmos. Alles en iedereen, zonder onderscheid erbij, en met ziel. Alles en iedereen con-creet, in de oudste betekenis van het woord, samen-gevoegd, onlosmakelijk verweven. Met zo’n blik ben je behoedzamer en respectvoller, en is evenwicht essentiëel. En dat zorgt voor een matiging, maar één die van het collectief van dingen en mensen van binnenuit vertrekt in plaats van dat het van bovenaf wordt opgelegd. Ach, de kinderen en de indianen. Het is zo dat kinderen nog zonder onderscheid een liefde en een gehechtheid voor de dingen voelen - ja, die verbondenheid waarnaar Rilke verwees - die wij bijna niet meer kunnen navoelen en die we misschien moeten oefenen. Toy Story. Zo ook hun morele aanvoelen. Dat we lief moeten zijn voor de dieren en zelfs voor de straatstenen. En van de indianen is eenzelfde gevoel voor de dingen voorbeeldig en dat men de zalm, noch iets anders, mag beledigen, vernederen of minachten. Waarom zou dat niet gelden voor moderne straatverlichting? We mogen ons wat oefenen in kosmisch en holistisch bewustzijn en beseffen dat alles vervlochten, verweven en verliefd is. Maar ik roep vandaag liever niet spectaculair op om dringend naar het verleden te vluchten - dat leek zelfs Rilke niet te willen - evenmin om nog gehaaster de toekomst in te stormen. En dát lijkt me pas 20ste eeuws. Maar wat zou er gebeuren als wij, en om te beginnen wij hier in de zaal, wat we verwaarloosden in onze meest moderne vormen, zowel in de architectuur en de vormgeving, als bij de filosofen en ethici, gewoon terug onder de aandacht brachten? Bij de filosofen en zeker de ethici - die zich altijd zo om de mens bekommerden en veel minder om de dingen - zou ik zoals Rilke om een stilte vragen. Vragen met hun ontwende en volwassen gevoel terug te gaan, niet naar hun kindertijd maar misschien wel naar een vroeger. En het mag, wat mij betreft, dan naar Aristoteles zijn. Hij schreef de Ethica, het eerste handboek ethiek, dat Griekse woord èthos betekende bij hem nog letterlijk gewoonte, gedrag en gebruik. Onze huizen en alle dingen waarmee de mens samenwoonde, hoorden daar nog bij. Maar ik zou ook naar iemand als Bruno Latour verwijzen, hoewel hij vandaag al vaak aan het woord was. Half ingenieur, half filosoof met een sterke achtergrond in de antropologie. Hij schreef Wij zijn nooit modern geweest, een boek uit 1991. Hiermee durfde hij als filosoof om een andere blik bij de filosofen te vragen. Dat we altijd en overal collectief samenleven, mensen én dingen. Als wij, filosofen en ethici, ook mens & ding in het oog houden, zouden we misschien niet zo voortsnellen, maar vertragen, en de matigheid tegenkomen, van binnenuit. Met Latour zou ik naar alle Latours verwijzen. Volgelingen en verwanten tot en met de controversiële Australische ethicus en filosoof Peter Singer die zowel (niet-modern) rechten voor dieren voorstelt als omwille van het milieu en de armoede (modern) om één mondiale ethiek durft te vragen. 21ste eeuwse (bezielde) individuen en (inhaal) bewegingen, er zijn er gelukkig al veel, ik noem hun namen hier niet. Wat denkt u? Maakt het allemaal niet zo veel verschil? Zeker niet bij filosofen? Is dit nog niet concreet? Eén stapje verder. Je zal maar een economische vluchteling zijn, en géén politieke vluchteling, en in onze landen asiel aanvragen. Dan leer je ineens ons Westers historisch verschil kennen. Aangezien politici en ethici eeuwenlang de nadruk legden op de vrije politieke mens, hadden ze de economisch onvrijen niet in het hoofd - zij, die wanhopig zoveel dingen ontberen en daarom vluchten. Ze staan niet in de verdragen! Het valt een Westerse moderne bevolking - die zelf zoveel dingen lijkt nodig te hebben - niet eens op, want ze delen diezelfde historische onervarenheid en hebben veel minder mededogen voor wat men smalend economische vluchtelingen noemt. Bij de oude Grieken gold eenzelfde heilige wet: de wet van de gastvrijheid. Wie onderverdelingen maakt, kiest ook altijd de plaats waar alles moet staan. Alle voorbeelden die ik in jullie domein zocht, golden ook wel ergens voor ons, zei ik halfweg. En ook andersom. Je hoeft maar te spiegelen. Wat zou zo’n 21ste-eeuwse blik voor de architecten en alle ontwerpers en vormgevers betekenen? Zij meenden al vroeg in die 20ste eeuw dat zij op hun best bruggenbouwers konden zijn tussen het nieuwe ding en de nieuwe mens. Terecht, denk ik, want in het wonen en bewonen liggen mensen en dingen heel dicht bij elkaar, daar slapen ze samen als het ware, blijven ze verstrengeld, verweven en verliefd. Het is waar. De huis- en binnenhuisarchitecten hielden dan toch altijd de dingen in het hoofd en maakten ze uit de klei van de echte wereld, dat was ook hun job. Maar. Dachten ze even intens aan de mens? De gewone individuele bijzondere mensen? Die ook altijd zoveel verleden in hun lijf hebben. Die zoveel behoeften, verlangens, angsten en voorkeuren hebben, dat men ze moeilijk opsommen kan. En dacht men aan de mensheid? En aan mij en aan mijn hoogst persoonlijke computer, een grijze muis zoals de meeste computers, niet al te jong meer, zo één die in geen tijd een patina van smerigheid verkrijgt dat tot diep in de poriën dringt. Wat moet ik gebruiken voor een plezierige wasbeurt? Methanol? Zou ik dan toch op het einde van de avond, en niet als Rilke bij het begin, om een stilte durven vragen? Eén om met uw ontwende en volwassen gevoel terug te gaan, niet naar uw kindertijd maar misschien ook naar een vroeger. Dat kan onder andere Henry Dreyfuss zijn. Designing for People. 1955. ‘We werken aan dingen waar in wordt gereden, op gezeten, naar gekeken, in gesproken. Ze worden geactiveerd, bediend, of op andere manieren door individuen of groepen gebruikt. Als het raakvlak tussen het ding en de mens een punt van wrijving wordt, faalde de vormgever.’ Met Dreyfuss verwijs ik ook naar Victor Papanek. Half ontwerper, half filosoof, met een sterke achtergrond in de antropologie. Een ontwerper die in Design for the Real World, een boek uit 1971 (en hoera, geactualiseerd), een andere blik aan de ontwerpers durfde te vragen. Papanek vroeg dat de ontwerpers voorbij het ontwerp keken, naar de mens bijvoorbeeld. Van elke individuele gebruiker - ook de arme, de zieke en de blinde - tot alle medemensen - ook derdewereldbewoners. Dat zou het ontwerpen en het bouwen mogelijk kunnen vertragen, en matigen, van binnenuit de discipline. Van binnenuit de dingen. Liggen onze filosofische en ontwerpvisies niet verscholen tot in de hoeken van mijn eigenste afwasmachine en verspreid tot in het meest technische en kleinste onderdeel ervan? Toont elk ding niet, zowel de blik van de ontwerper en de producent op de hele wereld, als uiteindelijk ook die van mij, de eindgebruiker? Met Papanek zou ik naar alle Papaneks willen verwijzen. Ook Nederlandse bewegingen - en nu noem ik er toch enkele - Droog Design, Woest Wonen, en ook Eternally Yours die mij persoonlijk als beweging en in het kijken het meest nabij is. Signs & script. Ontwerpers die onderzoeken hoe & waarom ik gehecht raak aan mijn afwasmachine en mijn gehechtheid willen enthousiasmeren, en evengoed met het milieu in het hoofd afwegen of ik ze toch niet moet onthechten, als de nieuwe generatie afwasmaschines zoveel beter zouden zijn voor cultuur & natuur. En nog altijd met Papanek in het hoofd verwijs ik tot en met de Viridian Design Movement van de ontwerper Bruce Sterling & beyond! Moest het een science fiction schrijver zijn die op de valreep van de eeuw een groene beweging durfde te ontwerpen, die zowel het enthousiasme voor de hoogtechnologie, de draagwijdte van de schoonheid en de bezorgdheid om een opgewarmde aarde verdedigt? Allereerst een stilte dus om te vragen om conversatie van mensen en dingen binnen onze eigen disciplines. En laat die disciplines verder zijn wat ze zijn, vind ik. Ook die onderscheiden disciplines, hebben hun voordelen. Maar daarnaast ontsnappen wij niet - evenmin als de rest van de wereld – allereerst aan een hoognodige erkenning. Dat filosofie, ontwerp, architectuur en ook een discipline als ethiek (al is deze erkenning voor alle disciplines fundamenteel moreel) slechts kleine disciplinetjes zijn in een veel grotere wereld. Latour en Papanek werden geïnspireerd door de antropologie, een moderne discipline én tegelijkertijd niet-modern in de aanpak. Zo meen ik ook dat antropologen iets makkelijker alle mensen, alle tijden, alle dingen en alle aspecten in het oog kunnen houden én er toch in slagen hoogst concreet te zijn met aandacht voor het bijzondere. Dat ze leniger zijn om te kunnen inzoomen en uitzoomen. Ik noem deze vorm van kijken een Malinowski-blik, naar één van de illustere voorgangers. Want voor antropologen is het wellicht moeilijker te vergeten dat alles vervlochten, verbonden en verliefd is. En dat mensen & dingen altijd weer verslingerd raken aan elkaar. Ik weet dat ik zelf te weinig stilte liet, en te veel woorden uitsprak. Het was een hardnekkige liefde die mij deze keer dreef. Wij kwamen elkaar al duchtig in het verleden tegen, dat wilde ik zeggen, en dat we diezelfde geschiedenis desondanks blijven delen, dat ook, maar vooral: het is toch hoe langer hoe minder denkbaar en doenbaar dat wij - nu we samen toch al een tijdje die 21ste eeuw zijn ingerold - altijd & overal even hardnekkig zouden blijven vasthouden aan het verschil. Ik dank u. En wel mét hart en ziel. Beeld. Was ik aan het woord? Michel Serres, Bruno Latour, Victor Papanek, Rainer Maria Rilke, Adolf Loos, Lieven de Cauter, Johan Vandenbroucke, Francis Bacon, Sybrand Zijlstra, Walter Benjamin, Dirk Pauwels, Aristoteles, Paul van Dijk, Willem Hendrik Gispen, Pessoa, Just Havelaar, Paul van Ostaijen, Le Corbusier, Ludo Veuchelen, Arjun Appadurai, Max Bruinsma, Hans Achterhuis, Tatiana De Munck, Roel Klaassen, Tijn Boon, Socrates, Eric Nobels, Bruce Sterling, Henry Dreyfuss, Ileen Montijn, Karl Marx, PP Verbeek, Peter Singer, Bert Meskens, Descartes, Jan Vorstenbosch, Dingeman Kuilman, Stephen Toulmin, Marc Van den Bossche, Eric Verhaar, Anna Van Marcke, Robert Musil, Friedrich Nietzsche, altijd ook weer Nietzsche. Alle naïeve kinderen en wilde indianen. En de dingen. Koningen raken geen deuren aan. Zij kennen dit geluk niet: zachtjes of bruusk een van die grote vertrouwde panelen voor je uit duwen, je er naar toekeren om haar weer te sluiten - een deur in je armen houden. - Ponge uit Namens de dingen
|