Overgenomen, met toestemming van de auteur en van de uitgever, uit : F. HELLEMANS, Echte Mediaprimeurs. Een communicatiegeschiedenis, Leuven, LannooCampus, 2003 – ISBN 90-209-5496-2 – 112 blz. - € 12,00 – Nadruk verboden.

12. Media maken de mens anders

Wie elke dag met de auto langs een bos raast, bekijkt de bomen ervan allicht anders dan een passerende fietser of voetganger. Voor de automobilist zijn de dennen slechts streepjes, een scherm van groen terwijl de fietser de harsgeur opsnuift en de voetganger tussen het geritsel van de takken al wel eens een eekhoorntje gadeslaat. Natuurlijk gaat die autobestuurder op een dag ook wel eens fietsen of stappen en dan ontdekt hij een andere wereld dan die achter zijn voorruit. Alhoewel sommige verstokte chauffeurs er niet meer in slagen om de charmes van een dennenbos, buiten het cocon van hun auto, te ontdekken. Zij blijven star vooruit kijken, ook op een wandelpad. Zij leven met oogkleppen op en haasten zich voort naar de volgende ‘uitdaging’ op de snelweg van hun bestaan.

Met de communicatiemedia is het ook zo gesteld. Computerfreaks hebben een andere kijk op de dingen dan verstokte lezers of mensen die verslaafd zijn aan de tv-buis. De cybercultuur leeft bij de genade van snelle reacties en is impulsgericht. In de digitale wereld van de gamers, surfers en chatters komt het erop aan om zo snel mogelijk te scoren: de kick van het moment is het alfa en omega. Lezers daarentegen houden ervan om in veilige geborgenheid, al dan niet in dialoog met de schrijver, op het tempo van de zinnen een nieuwe wereld op te bouwen. Waar de digitale mediagebruiker zich in de breedte laat meedrijven op zijn associatieve impulsen, gaat de lezer zich meer in de diepte een weg banen. Wie verslingerd is aan beelden en visuele opwinding, laat zich graag verrassen bij gebrek aan beter. Hij heeft iets van een voyeur die niet de moeite kan nemen om zelf aanwezig te zijn bij het spektakel in kwestie en dan maar door het sleutelgat loert. Ook hier weer geldt dat veel mensen gebruik maken van een mediamix en dan eens de pet van de digitale surfer opzetten, een andere keer een boek lezen of na gedane arbeid neerploffen in de zetel voor een tv-avondje.

Cyber-, schrift- en beeldcultuur hoeven elkaar met andere woorden niet uit te sluiten, ook al valt de dominantie van de digitale cultuur na twee miljoen jaar communicatiegeschiedenis moeilijk te ontkennen. Wie met zevenmijlslaarsen de cruciale cesuren in die ontwikkeling bekijkt, merkt dat de verhouding van de mediagebruiker ten opzichte van het communicatiemedium totaal is veranderd in de loop van de geschiedenis. Het is die verandering die ons vandaag parten speelt. Vele mensen zijn bang dat het fysieke menselijke lichaam in deze digitale tijden onherkenbaar zal worden, waarbij computermedia het menselijke lichaam veranderen in een artificieel computergestuurd lichaam, de zogenaamde cyborg. Ze vrezen dat natuurlijke menselijke eigenschappen die samenhangen met dat broze, fysieke lichaam - van de melancholie van de sterfelijkheid tot de euforie van sensuele genoegens - zullen verdwijnen door de machinale terreur van de digitale impulscultuur. Hoe is die verhouding tussen mens en communicatiemedium gedurende twee miljoen jaar communicatiegeschiedenis fundamenteel veranderd? En wat zijn de implicaties van die veranderende verhouding tussen mens en mediamachine voor onze kijk op de wereld?

De mens is het medium: de natuurlijke directheid van de irrationele lichaamstaal

Toen de mens als nomade begon te communiceren, gebruikte hij uitsluitend zijn eigen lichaam. Lichaamstaal was een natuurlijk medium met positieve en negatieve gevolgen. Positief was het zinnelijke surplus van de lichaamstaal voor de mediagebruiker. Zoals een baby de werkelijkheid met al zijn zintuigen intens ervaart, zo werden onze voorouders ook helemaal ondergedompeld in een sensueel bombardement van zintuigelijke indrukken. Maar je mag die natuurlijke lichaamstaal zeker niet gaan romantiseren. Edele wilden hebben nooit bestaan, tenzij in de fantasie van schrijvers als Jean-Jacques Rousseau. De menselijke natuur is niet onverdorven. Sigmund Freud sprak laconiek over de ‘polymorf perverse’ natuur van de baby. Op alle mogelijke vormen en manieren probeert hij zijn zinnen uit te leven: anaal, oraal, kortom, totaal. Een dergelijke plezier, aldus Freud, is narcistisch en gebruikt de werkelijkheid rondom hem (dingen en mensen) uitsluitend in functie van het eigen lichamelijke plezier. Wie met huid en haar aan de wereld is overgeleverd, zoals een baby of zoals de eerste communicatiegebruikers honderdduizenden jaren geleden, ervaart trouwens niet alleen lustgevoelens maar minstens evenveel onlust. Onze voorouders werden geterroriseerd door een wereld die ze niet begrepen. Achtervolgd door dieren en opgejaagd door de elementen, zochten ze troost in collectieve rituelen om de angst weg te dansen en uit te schreeuwen. Dat het er bij deze collectieve bezweringen niet altijd zachtzinnig aan toe ging, spreekt vanzelf.

Toen de nomade zijn klankgebaren begon te structureren tot zoiets als verstaanbare, gesproken taal wou hij met gelijkgezinden afspraken maken om die gevaarlijke wereld te temmen. Communiceren was een zaak van overleven. Zonder klare taal was het onmogelijk om een veilige jacht te organiseren. Ook binnen de eigen groep moesten er bakens worden uitgezet om het samenleven in goede banen te leiden. Wilde de clan in deze barre tijden overleven, dan was het overleveren aan jongeren van essentiële informatie in verband met de jacht onontbeerlijk. Al pratend brengt de mens een voorlopige structuur aan in zijn leven. Punctuele afspraken zorgen voor een houvast, ook al blijft die houvast beperkt tot enkele woorden in de wind. De garantie dat de gesproken communicatie het moment van het uitspreken overleefde, was allesbehalve waterdicht. Alleen de oorgetuigen stonden borg voor de geldigheid van de mondelinge afspraken, en dan nog. Afspraken worden vaak vlug vergeten, al dan niet opzettelijk. Ook al bracht de orale communicatie een eerste verankering in het leven aan, toch bleef die communicatie zeer precair.

De mens maakt een medium: de analoge technologie van de rationele schriftcultuur

Toen onze voorouders dankzij de opwarming van het klimaat in staat waren om in hun levensonderhoud te voorzien, gingen ze op zoek naar een medium dat meer garantie bood om niet vergeten te worden of verloren te geraken. De eigen bezittingen waar de sedentaire landbouwers zo hard voor gezwoegd hadden, kwamen in een primitieve boekhouding terecht. Daardoor kon je niet alleen de eigen goederen in bewaring geven, maar werd ook het ruilverkeer en dus de handel begunstigd. Een kleitabletje met abstracte schrifttekens was de stille maar zekere getuige van de rijkdom van een bepaalde familie. Wat opgeschreven staat, blijft. Nu nog kunnen we lezen welke Irakese families wat bezaten vijfduizend jaar geleden. Maar wie schrijft, reageert totaal anders op de werkelijkheid dan wie gesticuleert of dan wie praat. Schrijven is allesbehalve natuurlijk. Het geschrift was een technologisch instrument dat opgang maakte samen met andere vormen van prille technologie, zoals de hakbijl en het wiel. Telkens ging het om kunstmatige verlengingen van natuurlijke functies. De schrijfstift is een namaakvinger. De bijl heeft veel weg van een zwaaiende arm terwijl het wiel de bewegingen van een voet nabootst. Lichamelijke functies werden geïmiteerd door deze eerste technologische instrumenten, maar het instrument zelf bevond zich buiten het lichaam. Wie schrijft, reageert niet meer onmiddellijk, zoals de gebruiker van lichaamstaal of gesproken taal. Hij neemt zijn tijd om via kunstmatige schrifttekens te reageren. Deze reactietijd laat hem toe om beter stelling te nemen tegenover de gebeurtenissen. Maar wie schrijft, neemt niet meer onmiddellijk deel aan die gebeurtenissen zelf. Hij staat hoe dan ook buiten de werkelijkheid die hij beschrijft. Er is een afstand tussen de schrijver die noteert en datgene waarover hij het heeft.

De kloof tussen mens en werkelijkheid kwam er pas door de technologie in het algemeen en door het geschrift meer in het bijzonder. Deze distantie laat de mens toe om meer zicht te krijgen op hetgeen hij doet. De technologische instrumenten geven hem de kans om de werkelijkheid beter te manipuleren. De voordelen van de (schrift)technologie zijn legio. Eindelijk kan de mens zich onttrekken aan de nefaste invloed van allerlei risicovolle omgevingfactoren, zoals hongersnood, overstroming of voedelschaarste. Maar wie van op een afstand de wereld bewerkt, gaat uiteraard minder direct contact hebben met die wereld zelf. Schrijvers klagen wel vaker dat ze zich al schrijvend buiten spel zetten en niet meer toe komen aan het echte opwindende leven waarover ze nochtans zo gloedvol schrijven. De technologie, ook die van het geschrift, introduceert een rationele, instrumentele benadering van het leven die veel minder opgaat in het irrationele, zinnelijke moment maar meer berekent, bekijkt, analyseert, in kaart brengt en beschouwt. Allemaal activiteiten die onder de noemer van beschaving worden samengevat. Beschaafde mensen zijn mensen die distantie in acht nemen, zoals de schrijver doet wanneer hij iets wil opschrijven. Maar beschaafde mensen hebben vaak heimwee naar het ongepolijste, natuurlijke leven.

Wie schrijft, trekt voortdurend grenzen tussen zichzelf en datgene wat hij beschrijft. Het zijn deze grenzen die een structuur tekenen. Het is deze structuur die een permanente houvast kan geven. De sedentaire schriftcultuur geeft vastigheid aan het eertijds nomadische, vluchtige leven. Het is geen toeval dat die beschaafde schriftcultuur hand in hand gaat met andere beschaafde fenomenen die eveneens functioneren door het trekken van grenzen en het maken van onderscheidingen. De stadscultuur die samen met de schriftcultuur ontstond, trekt zich terug binnen de wallen van haar veilige ommuring. Alles wat wordt buitengesloten betekent gevaar: de vijand, de struikrovers en de ontembare, wilde natuur bevinden zich voor de poorten. Binnen de poorten gaat het er beschaafd aan toe en is er cultuur. Ook de monotheïstische godsdiensten trekken grenzen tussen een demonische onderwereld en een hemelse bovenwereld. Wij, stervelingen, balanceren tussen beide in en het komt erop aan om het hoofd koel te houden en het gevoel voor grenzen niet te verliezen. Filosofisch denken is ook schatplichtig aan het onderscheid tussen een denkend subject dat zich buigt over een ongedacht object. Maar nogmaals: wie objectief wil zijn, plaatst zichzelf buiten de directe geneugten van het ogenblik. Hij dient de nodige afstand te bewaren om de verschillende facetten van hetgeen hij beschouwt, ‘objectief’ te kunnen beschrijven.

Toen de technologische, rationele schriftcultuur in de Oudheid zijn weg begon te vinden, was de natuurlijke, irrationele cultuur van de lichaamstaal en van de oraliteit nog steeds de norm. Er was trouwens van in het begin de nodige weerstand tegen een onnatuurlijk, kunstmatig medium, zoals het geschrift. Plato’s kritiek op de vervreemdende werking van het geschrift illustreert die scepsis. Van een echte doorbraak van het geschrift kan pas sprake zijn vanaf de boekdrukkunst in de vijftiende eeuw. De typografie wist de lichamelijke sporen die nog in het handschrift te vinden waren helemaal uit. De heldere bladspiegel en vooral de honderd- en duizendvoudige vermenigvuldiging van gedrukte geschriften stimuleren een debatcultuur die past bij het ontluiken van het handelskapitalisme en bij het ontstaan van een nieuwe maatschappelijke stand, de burgerij. Vanaf de zeventiende eeuw groeit rond de eerste printmedia een saloncultuur waarin het nieuws uit weekbladen en kranten druk wordt becommentarieerd. Daaruit ontstaat in de achttiende eeuw zoiets als een publieke opinie die met de democratisering van de westerse samenlevingen volop haar rol kan spelen

De schokbeleving van de digitale media

Deze democratisering luidt een moderne, industriële tijd in die de agrarische, sedentaire samenleving van aanschijn doet veranderen en daarbij ook totaal nieuwe communicatiemedia creëert. De Chappe-telegraaf is het eerste medium waarbij de mens zelf een ondergeschikte rol speelt. Hij bedient het mechanisch katrollensysteem, hij codeert en decodeert terwijl de telegraaf ondertussen afstanden van 16 kilometer in een mum van tijd overbrugt. Tijdgenoten van Chappe vonden dat deze telegraaf iets diabolisch had omdat hij ruimte en tijd vernietigde. Waar vroeger een koerier te paard de afstand tegen een relatief traag maar menselijk tempo overbrugde, wordt datzelfde traject door de telegraaf moeiteloos in seconden afgelegd. De Morse-telegraaf verpulverde afstanden en tijdszones. De combinatie van Morses ternaire cijfercode met elektrische pulsen markeert het begin van het digitale tijdperk. Cijfers kunnen veel vlugger de communicatiemachines doen functioneren dan talige commando’s, zo bleek. Weldra werd de ternaire logica van de Morse-telegraaf vervangen door de binaire logica van computersystemen. Bits en bytes deden informatie ogenblikkelijk de wereld rondreizen. De jaren dertig en veertig van de negentiende eeuw zijn het decor voor de geboorte van een digitale instant-cultuur. Fototoestellen laten toe om via een simpele klik een waarheidsgetrouwe afbeelding te reproduceren. Ook de treinreiziger ziet vanuit zijn coupé slechts momentopnames van het voorbijsuizende landschap. Tegelijk ontstaan in de steden de eerste voetgangersmassa’s waardoor de voorbijganger meer dan ooit alert moet zijn om niet van het voetpad te worden geduwd. De ‘schokbeleving’, zoals de filosoof Walter Benjamin het fundamentele karakter van de moderne ervaring typeert, wordt de nieuwe norm en de media functioneren op het tempo van deze schokken. De grenzen van de schriftcultuur worden door de digitale media zonder meer uitgewist. Afstanden en ruimtelijke beperkingen zijn irrelevant geworden in de cybercultuur. Elke vastigheid of structuur lost zich op in het surfgedrag van de internetgebruiker. De associatieve impulsen die zo typisch waren voor de gebruiker van lichaamstaal vieren hun comeback. Alleen worden die impulsen deze keer niet rechtstreeks door en via het lichaam voortgebracht maar via de interface van een computer.

De media maken de mens anders: van natuurlijk naar cybernetisch lichaam

Vandaag tracht men digitale systemen dichter en dichter bij en zelfs in het menselijke lichaam te brengen. Daarmee is de technologische evolutie in een nieuwe fase gekomen. Het handschrift en het typografische schrift waren media die zich buiten het menselijke lichaam bevonden en die op het natuurlijke tempo van het menselijke lichaam werden bediend. Het zijn analoge, technologische communicatie-instrumenten die geleidelijk aan, op het natuurlijke ritme van de mens hun werk doen. Door de input van cijfers en door het gebruik van andere dan mechanische transmissiemechanismen krijgt de technologie een nieuw aangezicht. Vanaf de Morse-telegraaf en zeker vanaf de radiotelegraaf gebeurt de informatieverwerking sneller dan het menselijke oog kan zien. In een oogopslag - en zelf nog sneller - worden gegevens draadloos verder geleid. Digitale media zijn media die op het bruuske cijfertempo van ééntjes en nulletjes informatie doorsturen op een manier die voor gewone mensen niet meer zichtbaar is. Kortom, het menselijke lichaam kan zijn eigen technologische creaties niet meer volgen en geeft zijn digitale gadgets dan maar het recht om in eigen beheer te functioneren. Voorlopig is het verouderde, analoge lichaam van de mens nog heer en meester over de aan- en uitschakelaar van digitale systemen. Maar ook daar lijken recente energiepannes erop te wijzen dat de digitale machinerie met de mens soms een eigenaardig spelletje speelt.

Mensen krijgen het moeilijker en moeilijker om digitale apparaten te bedienen op de manier waarop de analoge, technologische instrumenten werden gestuurd. Daarom gaat men digitale chips en sensoren meer en meer in het menselijke lichaam zelf inplanten zodat mensen de volledige operationele werking aan de computergestuurde intelligentie van deze chips kunnen overlaten. De gsm’s die nu nog in de mouwen van jassen worden geïntegreerd, zullen weldra misschien in de handpalm of onderhuids worden ingeschoven. Het geïntegreerde multimediaplatform in de handpalm of voorarm zal de gebruiker in staat stellen om waar dan ook en met wie dan ook te praten, te filmen, te fotograferen en muziek te beluisteren. Er bestaan reeds vormen van smart pills die door computersturing volledig onafhankelijk van menselijke input het peil van de bloeddruk in het menselijke lichaam kunnen corrigeren. Wanneer hackers met slechte bedoelingen de digitale informatie van deze chips in de war sturen, kan er van alles gebeuren met het broze, menselijke omhulsel.

Bedachtzame schriftcultuur als verankering van de impulsieve cybercultuur

Waar de oudste communicatiemedia helemaal (lichaamstaal) of voor een deeltje (gesproken taal) samenvielen met het menselijke lichaam, lijkt dat vandaag weer te gebeuren. De media die in een tweede fase buiten het lichaam waren opgesteld, worden immers aan boord van het menselijke lichaam gehesen. Ze versmelten met de natuurlijke drager tot een nieuw cybernetisch organisme. Zal het ‘verouderde’ menselijke lichaam binnenkort misschien afstotingsverschijnselen gaan vertonen? Nu al dwingt de alomtegenwoordige digitalisering van de media de mens tot een flexibel, alert impulsgedrag dat vaak de grenzen van de traditionele menselijke vermogens lijkt te overschrijden. Iedereen moet immers standby zijn, dag en nacht, om mee te draaien in het informatienetwerk. Wie niet is ingeschakeld of niet voldoende snel reageert, heeft afgedaan en krijgt een marginale status in de huidige informatiesamenleving. Die aanpassingsdwang en flexibiliteitsterreur doen meer en meer mensen bewust uit de digitale boot stappen. Ze keren terug naar de meer bedachtzame, natuurlijke waarden van de lichamelijke en analoge media. Ze verkiezen een praatje aan de tapkast in het café boven een chatsessie aan de computer. Ze consumeren de liefde liever in het echt dan virtueel. In plaats van zich mee te laten zuigen in de beeldbombardementen van digitale film, foto of video, draaien ze de knop om en projecteren hun eigen mentale beelden terwijl ze een boek lezen. In plaats van overal en altijd bereikbaar te zijn via de gsm, draaien ze hun toestel uit zodat ze ongestoord hun gang kunnen gaan.

De digitalisering van de media probeert dus, willen of niet, het lichaam dienstbaar te maken aan de eigen cybernetische zaak. Vermits het menselijk lichaam niet meer in staat is om de hypersnelle technologie in de hand te houden, zal de technologie de menselijke gebruiker wel eventjes in dienst nemen. De verhoudingen tussen mens en medium zijn dus aan het kantelen en de knecht lijkt zich op zijn meester te revancheren. De manier waarop we die fusie of versmelting tussen natuurlijk, menselijk lichaam aan de ene kant en artificieel, cybernetisch gestuurd organisme aan de andere kant zullen managen, wordt de grote uitdaging voor de komende decennia. De directheid van de cybermedia kan ons, zoals reeds gezegd, terug doen aanknopen bij de zinnelijke rijkdom van de oorspronkelijke lichamelijke media. Maar is het wel de moeite waard om het menselijke initiatief uit handen te geven aan gesofistikeerde mediamachines?

Nooit is er zoveel mediarijkdom geweest, maar nooit zijn er ook zoveel beschavingsgevaren geweest. Wie in de carrousel van het digitale mediacircus het hoofd wil koel houden, dient te zorgen voor verankering, voor een vaste sokkel die niet kan worden weggeblazen. De klassieke schriftcultuur met zijn analyserend-kritische scherpte blijft daarom nog steeds de moeite waard. Het is zaak om binnen de verschillende mediaculturen - van lichamelijke tot analoge en digitale - een balans te zoeken waardoor de gebruiker de overdadige invloed van de ene rist media kan laten corrigeren door hetgeen andere media te hebben vertellen. Woord en wederwoord, gesproken en geschreven, in zijn analoge en digitale versie, blijven meer dan ooit belangrijk.

Overgenomen, met toestemming van de auteur en van de uitgever, uit : F. HELLEMANS, Echte Mediaprimeurs. Een communicatiegeschiedenis, Leuven, LannooCampus, 2003 – ISBN 90-209-5496-2 – 112 blz. - € 12,00 – Nadruk verboden.


© Frank Hellemans