Voorwoord

'Wij weten, dat veel dingen in veel tijden, ja nog onlangs, beter zijn geweest dan nu. Het is denkbaar, dat een latere beschaving in bepaalde trekken, waarvan wij nu het verlies betreuren, weer meer gelijkenis zal dragen met vroegere perioden. Maar dit weten wij: een algemeen terug is er niet. Er is enkel vooruit, al duizelt het ons voor onbekende diepten en verten, al gaapt de naaste toekomst als een afgrond in nevel gehuld.'

Johan Huizinga

'Ik zou mijn leven geven voor iemand die naar de waarheid zoekt, maar ik zou met alle plezier iemand vermoorden die denkt dat hij de waarheid gevonden heeft.'

Louis Buñuel

Zich vrolijk maken over de uitgerafelde kleren van een clochard of de neus ophalen voor de speklucht in de huiskamers van minvermogenden wordt als not done beschouwd. Het is iets wat beschaafde lui niet (meer) horen te doen. Maar zich verlustigen in de slechte smaak van de massa tot meerdere eer en glorie van zichzelf, blijft een niet weg te branden karaktertrek van de spraakmakende gemeente. In zijn boek Perron Nederland schrijft de bekende Nederlandse socioloog Abram de Swaan over dat verschijnsel het volgende: 'De collectieve zelfverheffing door culturele distantiëring gaat ongeremd en onverholen voort, esthetische minachting en culturele haat worden niet gemaskeerd.' Abram de Swaan voert als voorbeeld én bewijs de columnist Jan Blokker op die zich vanuit een onomwonden superioriteitsgevoel denigrerend over de populaire zangeres Lenny Kuhr en de intussen overleden populaire komiek Alexander Pola uitlaat. Dankbare slachtoffers, gemakkelijke doelpunten dus. Van Jan Blokker, bedoel ik.
In Vlaanderen is het niet anders. Wie een knuffel van collega's wil, zet het best een hoge keel op over de non-kwaliteit van een tienerprogramma als Tien om te zien, de Soundmixshow, Chez Bompa Lawijt of FC De Kampioenen. Bijval verzekerd bij elke weldenkende Vlaming (zoals je vroeger in menige bruine kroeg de lachers op de hand kreeg als je Eddy Wally te kakken zette). Humor gaat weliswaar vaker ten koste van derden, maar de talloze negativistische veralgemeningen over het aanbod van commerciële televisie hebben de pretentie van een ernstig discours over de hedendaagse beeld- en woordcultuur. En dat is het net niet. Het doorsnee-oordeel van de doorsnee-intellectueel in Vlaanderen vloeit voort uit intellectuele luiheid en mikt op open doekjes bij gelijkgestemden. Er wordt te pas en te onpas gegoocheld met loze en lege fetisj-begrippen (eenheidsworst, pulp, afgestompt kijkvee, enzovoort), zonder dat men een poging doet om het werkelijkheidsgehalte ervan te toetsen. Deze vooroordelen hebben bovendien de neiging om elke discussie te blokkeren, omdat ze steunen op het Grote Gelijk. Nogal wat mediacommentatoren zijn op die manier meer bezig met hun status van denker dan dat ze nog denken. Dat maakt het media- en cultuurdebat, zoals het tot dusver in Vlaanderen gevoerd is, niet alleen saai en zelfgenoegzaam, maar ook grotendeels overbodig. Sterker, er is geen discussie. De meeste intellectuelen zijn het er immers over eens: een commerciële zender kan geen kwaliteit bieden, want commerciële televisie is zondermeer slecht. Met dat soort cirkelredeneringen zijn we meteen waar we moeten zijn: het media- en cultuurdenken hier te lande staat stijf van de tautologiën, de verkeerde vooronderstellingen, het gebruik van termen in dubbele en dus dubieuze betekenissen en van een wel erg schrale kijk op mens en maatschappij.
Maar laten we de zaak positief bekijken. Als het huidige debat al ergens goed voor is, dan is het omdat het een reactie van het gezond verstand uitlokt en tientallen vragen oproept: hoelang kunnen we onhoudbare rotsvaste standpunten blijven herkauwen? Zouden we sommige uitspraken niet op hun waarheidsgehalte moeten onderzoeken? Worden tv-kijkers echt wel dommer door naar tv te kijken? Bestaat er een aantoonbaar negatief causaal verband tussen massa- en elitecultuur? Is de leescultuur echt bedreigd? Hoe komt het dat uitgerekend in dit tijdperk van de beeldcultuur de beeldende kunst een crisis doormaakt? Was het vroeger echt zoveel beter? En wanneer was dat dan? Tijdens de oliecrisis, de hongerwinter, de jaren dertig of de `waanzinnige veertiende eeuw'? Leven we heus in een totaal (spiritueel) verarmde cultuur of getuigt dit tijdperk integendeel van het grootste en meest diverse culturele aanbod aller tijden? Evolueren we naar een globale wereldcultuur, voorgebakken door Amerika, of sterven culturen veel langzamer dan we denken, om de Gentse antropoloog Rik Pinxten te parafraseren?
Het mag duidelijk zijn, ik wil in dit boek proberen het media- en cultuurdebat op méér sporen te zetten dan op dat van de totale afwijzing van de commerciële cultuur en van het eeuwige hooghartige dedain. Ik wil het debat ook ontluizen van de neten van het ahistorisch denken. Om alle misverstanden te voorkomen: dit boek is geen pleidooi voor de commerciële cultuur, laat staan voor commerciële televisie. Integendeel. Dit boek is veeleer een oproep om in minder filosofisch idealistische termen over onze cultuur te spreken, want idealisme trekt het debat eenzijdig scheef. Ik wil de discussie, die broodnodig is, op een realistische basis herijken en daardoor verrijken. Ik mag dan al geen vriendelijk woord over hebben voor cultuurpessimisten, omdat ik het pessimisme een te gemakkelijke en intellectueel weinig stimulerende houding vind, daarom ben ik zelf nog geen optimist. Mijn uitgangspunt is dus zeker niet tout est pour le mieux dans le meilleur des mondes. Het is geschreven in het besef dat voor elke vorm van kwaliteit dient gevochten te worden, zelfs voor goede argumenten, want cultuur is oorlog.
Los van de vele sociale, politieke en economische problemen die in dit boek verder niet aan de orde (kunnen) zijn, al zullen ze zijdelings ter sprake komen, blijf ik met de Canadese filosoof Charles Taylor van mening dat het 'in de aard (ligt) van een vrije maatschappij dat ze altijd de plaats zal zijn waar zich een strijd afspeelt tussen hogere en lagere vormen van vrijheid.' Dit boek wil ik situeren in dit constante gevecht voor kwaliteit. In die zin is het ook een vervolg op Het doemdenken voorbij. Ik bepleit dus allerminst de gelijkwaardigheid van massa- en elitecultuur. Ik heb het er alleen niet moeilijk mee toe te geven dat de massacultuur het grote publiek meer geeft dan vele intellectuelen willen geloven. Kortom, ik wil alleen maar hier en daar puntjes op de i zetten en duidelijk maken dat de zaken veel complexer liggen en genuanceerder zijn dan de vele slogans over massa- en elitecultuur doen vermoeden. Eigenlijk wil ik de culturele realiteit alleen maar de veelvormigheid teruggeven die in het hele debat al lang is ondergesneeuwd en zo uit het zicht is verdwenen. Het debat dreigt door overintellectualisering ook ten onder te gaan in een sombere, saaie monocultuur, terwijl alertheid en geestelijke soepelheid meer dan ooit noodzakelijk zijn. Ik kan niet aan de indruk voorbij dat het doemdenken, al dan niet onbewust, de wezenlijke erfenis van de Verlichting zelf in het gedrang brengt en niets liever wil dan de individuele vrijheid weer aan banden te leggen, in naam van een wankele metafysica, eerbied voor de canon en een belegen moraal. Ook progressieve denkers en kunstenaars schuiven al doemdenkend een eind in die richting op, terwijl er wel andere schaduwen te bevechten zijn dan die van universele waarden of de gok op een schepper.
Om dat duidelijk te maken, heb ik me de moeite getroost het werk van oude en nieuwe doemdenkers te herlezen: Gustave Flaubert, José Ortega y Gasset, Johan Huizinga, Allan Bloom, George Steiner, Neil Postman, Alain Finkielkraut en hun Vlaamse erfgenamen. Hoe verschillend ook, de meeste van deze auteurs hebben veel gemeen: angst voor de massa en de middellmaat (en dus voor een reële democratie); het vasthouden aan een onwrikbare, voor altijd vastgelegde moraal waar desnoods naar teruggegrepen moet worden, ondanks de maatschappelijke veranderingen; blindheid en doofheid voor nieuwe ontwikkelingen in de kunsten; heimwe naar het verleden; een apodictisch en vaak reactionair taalgebruik dat geen tegenspraak duldt. Af en toe confronteer ik deze bange conservatieve denkers met de ideeën van soepelere hedendaagse geesten als Pierre Bourdieu, Umberto Eco, Hans Magnus Enzensberger, Robert Hughes, Richard Rorty en anderen. Het debat moet zich laven aan pluriforme bronnen en tegenspraak.
Ik doe dat in vier hoofdstukken. Het eerste concentreert zich op de zo verguisde commerciële beeldcultuur. Ik zal proberen aan te tonen dat die rijker is dan algemeen wordt aangenomen en dat de meeste veroordelingen van de massacultuur gebaseerd zijn op vaak lege, ondoordachte begrippen. Niet de massacultuur is schraal, maar het denken erover. In het tweede hoofdstuk onderzoek ik de elitecultuur, en meer speciaal de kloof tussen massa- en elitecultuur, hoe die bewerkstelligd is en hoe we uit deze precaire situatie kunnen komen? In dit hoofdstuk kunnen we niet om de gevolgen van de artistieke guerilla van de historische avant-garde heen. Dit tweede stuk vormt de natuurlijke pendant van het eerste hoodstuk. Het derde hoofdstuk graaft dieper en stelt dat de tegenstelling woord- en beeldcultuur misplaatst is en zelfs nefast. Cultuur is altijd beeld, elke (nieuwe)cultuur voert oorlog met als inzet de verovering van een nieuw mens- en maatschappijbeeld. Het laatste hoofdstuk werkt sommige van deze thema's verder uit, aan de hand van bespiegelingen over bepaalde stellingen in het boek De lege plek van Rudy Laermans. Het bespreekt onder meer de positie van intellectuelen in de maatschappij en in het vigerende cultuurdebat, provincialisme versus kosmopolisme, en het zogenaamde falen van de cultuurspreiding. Het is zowel een recapitulatie als een verdere uitdieping van de centrale kwesties van dit boek.
Cultuur is oorlog is in wezen een soort dialoog, een vorm van terugschrijven naar al die auteurs die ik in de loop der jaren met geestdrift gelezen heb, ook al was ik het er vaak niet mee eens. Maar het is niet louter een boek gebaseerd op andere boeken. Ik heb er ook eigen ervaringen in verwerkt: elementen uit mijn jeugd in een Vlaams proletarisch gezin; voorbeelden uit mijn bijna twintigjarige praktijk als journalist bij Humo (en andere bladen); mijn ruime contacten met de culturele praktijk; mijn ervaring als uitgever. Ik heb dat doelbewust gedaan, omdat het denken vaak de neiging heeft om een eigen leven te gaan leiden en te verzanden in dure woordenkramerij, losgezongen van de realiteit. Tenslotte is ook de eigen ervaring een waardevolle bron van kennis. Het verbaast me telkens weer hoe weinig plaats die in boeken krijgt toebedeeld.

Veel leesplezier!


© Leo de Haes