|
De mislukte cultuurspreiding
Ondanks de hogere scholingsgraad van de gemiddelde burger en de democratisering van het onderwijs is de politiek van cultuurspreiding mislukt. De kunstparticpatie van de burger is niet in verhouding gestegen. Dat is een bekende (vast)stelling, ook Rudi Laermans neemt ze over. Ik vraag me echter af of we daar niet veel genuanceerder over moeten oordelen. Natuurlijk, het doel van de cultuurspreidingspolitiek is niet bereikt, maar misschien werd de lat wel te hoog gelegd. Je kan niet verwachten dat alle burgers naar musea lopen, opera's bezoeken, concerten bijwonen, zich verdiepen in goede boeken of naar toneelopvoeringen gaan (laat staan dat alle burgers zich voor al deze kunsttakken interesseren). En wat heet kunstparticipatie? Rudi Laermans fixeert zich op het geringe aantal aanwezigen, de 'veelkijkers' bij kunstmanifestaties, maar het operapubliek bestaat niet enkel uit de mensen die je op opera's ziet. Dat publiek is slechts een fractie van het geheel aan operaluisteraars, zoals je de klassieke muziekliefhebbers niet uitsluitend op het Festival van Vlaanderen moet turfen. De meesten zijn thuis druk doende met platen, cd's, radioprogramma's en televisie. Nog nooit werd klassieke muziek dank zij deze massamedia op zo'n grote schaal en in zo'n grote varieteit geconsumeerd, ook thuis. Hetzelfde geldt voor het 'boekverkeer'. Er worden niet alleen boeken gekocht, ze worden ook in bibliotheken ontleend. De boekverkoop wil van jaar tot jaar wel eens schommelen, maar het aantal ontleningen en ontleners is het laatste decennium steevast gestegen. Eigenlijk is er van alles meer voor iedereen. De mogelijkheden tot kunstparticipatie zijn groter en goedkoper dan ooit. Op dat punt is de cultuurspreidingspolitiek dus zondermeer geslaagd. Misschien ontsnapt alleen de beeldende kunst wel aan de inlijving door een groter publiek, ondanks de vastgestelde toename van het bezoek aan musea en grote tentoonstellingen. Maar nergens is dan ook de breuk tussen verleden en heden zo groot, zoals we in hoofdstuk twee gezienhebben. Alleen kenners zien de verbanden, verwijzingen, zinspelingen, knipogen en evoluties nog. Het theater, de hedendaagse muziek en de literatuur hebben ook wel perioden van norm- en vormontregeling gekend, maar in de beeldende kunst is die al bijna een eeuw aan de gang en het charlatanisme tiert daardoor welig. Ook dat hebben we in hoofdstuk twee duidelijk proberen te maken. De uitspraak van de leek 'dat kan ik ook' is minder dom dan we denken, en vergt volgens mij een serieuzer debat dan de dooddoener 'Kan kunst de wereld redden?' Op de laatste vraag, kent iedereen het antwoord: nee. Op de eerste uitspraak is het antwoord minder makkelijk dan we denken. Want in vele gevallen kan de leek inderdaad dat blikje 'shit', dat zwerfhout op de vloer, die tegelvloer met drolmotief, die Brillo-doos of die voorhistorische kip net zo goed (laten) maken als de kunstenaar. Je hoort de dat-kan-ik-ook-uitspraak trouwens zelden of nooit in verband met muziek, literatuur, moderne dans, theater of opera. In die kunsttakken val je zonder stielkennis meteen door de mand. Dat zou een rood lichtje moeten doen branden. Eigenlijk eist de beeldende kunst niet minder dan een geloofsact van de toeschouwer, en dat uitgerekend op het moment dat deze kunsttak zich van het juk van de religie en de politiek heeft weten te bevrijden. Het is een paradox die we au sérieux moeten nemen. Neem het werk van Panamarenko (om maar eens iemand te noemen op wiens werk ik zelf nogal gesteld ben) of dat van Jan Fabre, waar ik meer bedenkingen bij heb. Al dat werk valt of staat met zo'n geloofsact, en dat is wel een zeer labiel criterium om kunst te beoordelen. Wat me boeit aan Panamarenko is de poëzie van zijn objecten, de obstinate wereldvreemdheid waarmee ze gemaakt zijn, de eeuwige onvervulbare jongensdroom die artistiek wordt opgeroepen en de consequentie die in het werk ligt, sinds de turbulente jaren zestig. Pas op zijn overzichtstentoonstelling in het MUHKA zag je hoe sterk de totaliteit was, het oude werk inbegrepen. In vergelijking met Panamarenko is elke tentoonstelling van Jan Fabre me eerder tegengevallen, op Kasteel Tivoli na, dat ik tweemaal heb gezien, overdag en op het 'Uur Blauw'. Het gaat er mij nu niet om wie van beide kunstenaars de beste is. Ik stel alleen dat over Jan Fabre zonder enige reserve wordt geschreven. Er is momenteel een ware hagiografie aan de gang. Mij goed, maar waarom ontfermen uitgerekend intellectuelen als Bart Verschaffel, Rudi Laermans en Stefan Hertmans zich zo kritiekloos over het werk van deze stamelende, nooit één zinnig woord verkondigende kunstenaar (ik heb er een aantal keren proberen mee te praten). Zelfs tijdens de voorstelling van Het Vel van Cambyses, het sluitstuk van Vertoog en literatuur, mocht Jan Fabre vooraan in het panel intellectuelen opdraven, terwijl er (zeer pijnlijk) geen zinnig woord over zijn lippen kwam en hij al evenmin begreep waar zijn 'mede'-standers het over hadden. In een kwaadaardige bui ben ik geneigd te denken dat intellectuelen zich goed bij Jan Fabre voelen omdat ze zich zoveel superieurder dan de kunstenaar voelen, (dat meerwaardigheidscomplex zouden ze ook bij Panamaranko kunnen uitleven, maar die speelt helaas het spel niet mee, die kent alleen maar zijn eigen autistische kunstspelletje) maar dat kan het niet alleen zijn. Een andere mogelijke reden is dat het werk van Jan Fabre zich makkelijk tot gefilosofeer leent, zoals zoveel hedendaagse beeldende kunst een manier van filosoferen geworden is. Maar getuigt daardoor het werk op zich van kwaliteit en noodzaak? Rudi Laermans goochelt in zijn artikel Kunst als krijgslist. Over enkele maatschappijkritische motieven in het podiumwerk van Jan Fabre (dat dus hoofdzakelijk over het theater van Fabre gaat) meteen de grote kanonnen Guy Debord en Jean Baudrillard te voorschijn. Stefan Hertmans betrekt in zijn artikel in hetzelfde Jan Fabre-nummer van Dietsche Warande & Belfort er zowat een volledige omgevallen boekenkast bij: Hegel, George Bataille, Michel Foucault, Pierre Klossowski, Blaise Pascal, Nietzsche, afin, te veel om op te noemen. Door die gratuite annexatie van grote denkers in bespiegelingen over het werk van Jan Fabre wordt de kunst zelf zo overgeïntellectualiseerd dat het werk en de discussie erover volledig doodgeslagen worden. Zulke artikels zeggen alles over de obsessies en de modieuze voorkeuren van de auteurs, niets over het werk van de kunstenaar zelf. Zoals Robert Hughes zo trefzeker over Madonna schreef, zal er ook wel een Lacaniaanse Fabre, een Baudrilardiaanse Fabre, een Freudiaanse Fabre en een Foucaultiaanse zijn. De kunstenaar zelf zal de auteurs niet tegenspreken. Daar is hij commercieel niet toe in staat. Het ontgaat de meeste interpretatoren van Fabres werk - al volstaat één dag research - dat Jan Fabre een platvloerse merknaam is die door zijn manager en zijn helpers onvermoeibaar van nieuwe (blauw te biccen) voorwerpen wordt voorzien. Niet Jan Fabre maar zij bedenken de concepten en voeren ze uit, of, laten ze op hun beurt door anderen uitvoeren. Zelfs zijn eigen boek schrijft Jan Fabre niet zelf. Jan Fabre is een fabriek als een ander, die artistieke consumptieprodukten spuit en die mede door de onkunde en onwetendheid van de hagiografieën van superintellectuelen gelegitimeerd wordt. De ironie van het lot wil dat uitgerekend één van de beste werken van Jan Fabre tot dusver, Kasteel Tivoli, van dit soort pseudofilofosisch gedaas gevrijwaard gebleven is. Dat Mechels kasteel, beplakt met blauw bebict papier, bleef ook overeind zonder de inpak-blabla van de kunst-exegeten. Het sterkst als beeldend kunstenaar is Jan Fabre echter als theater- en operaregisseur. Op het podium slaagt hij er wel in onvergetelijke beelden neer te zetten.
![]()
|