Provincialisme versus kosmopolitisme

Rudi Laermans schrijft in zijn boek en elders ook over het modieuze thema van het provincialisme, meer bepaald het provincialisme in Vlaanderen. Zijn analyse schetst, zonder dat ze uitmunt in originaliteit, een vrij acuraat maar troosteloos beeld van de animatie in onze lokale culturele centra. Hij toont duidelijk de onoverbrugbare breuk aan tussen het 'Vlaamse' verenigingsleven en het werk van kosmopolitisch ingestelde organisaties of produktiecentra als het Kaaitheater, Rosas, deSingel, het Stuc, de Vooruit, de Munt, Limelight, de Monty, enzovoort. Laermans is erg vertrouwd met het werk van enkele van deze produktiehuizen en spaart terecht zijn lof niet. Ook elders in De lege plek schildert hij een positief beeld van het hedendaagse culturele landschap in Vlaanderen. Desondanks besluit hij zijn betoog tautologisch met de melding dat 'Vlaamse kunstenaars buitenlandse consecratiecentra nodig hebben om internationale faam te verwerven' en hij voegt er in een wel zeer wonderlijke tournure aan toe: 'Zonder New York waren Anne Teresa de Keersmaeker of Wim Vandekeybus wellicht nog altijd Belgische beloften, en zonder Kassel zou Jan Hoet in veler ogen nog altijd voor een wat zonderlinge keienverzamelaar doorgaan.' Dat is de feiten op hun kop zetten. Al die mensen - en er zijn er nog veel meer: Panamarenko, Jan Fabre, Gerard Mortier, Josse de Pauw, José Van Dam, Hugo Claus, Chris Dercon, Toots Thielemans, Walter Boeykens, Jos Van Immerseel, Paul Van Nevel, Rudolf Werthen, Mark Luyten, Boesmans ... - hebben hun internationale plaats vanuit de Belgische 'provincie' zelf afgedwongen. Jan Hoet is, zijn toprealisatie van Chambres d'Amis en zijn al even intrigerende tentoonstelling Closed Mind/Open circuits ten spijt, in Kassel veeleer door de mand gevallen, ook voor de internationale waarnemers. En wat Rudi Laermans over Anne Teresa de Keersmaeker te berde brengt, klopt evenmin. Ze had hier al lang een ijzersterke reputatie voor ze New York veroverde. Iets anders is, dat ze vrij laat door de Vlaamse gemeenschap volwaardig gesubsidieerd werd, maar dat had veeleer te maken met het feit dat de moderne dans hier te lande pas zeer onlangs werd geaccepteerd als onderdeel van de podiumkunsten. Hoe dan ook, Laermans' visie rammelt. Hij gebruikt het woord kosmopolitisch bovendien in een wel erg enge zin. Je hoeft de wereld niet rond te reizen om kosmopolitisch te zijn. Zijn Gezelle, Van Ostayen of Gilliams minder grote en kosmopolitische dichters omdat ze in Parijs of Berlijn niet gelezen worden? Nee. Ik begrijp wel hoe een socioloog tot die hersenkronkel komt. Volgens de handboeken moet er een culturele metropool bestaan om een artistiek en intellectueel stimulerend klimaat te creëren, en zo'n centrum bestaat niet in Vlaanderen. De vraag is: hoeft een culturele metropool vandaag de dag nog wel echt? Blijkbaar niet, want er zijn kosmopolitisch ingestelde Vlamingen die op diverse artistieke terreinen complexloos de wereld veroveren. Misschien komt dat wel door de massamedia, misschien zijn die wel in staat om het gebrek aan een culturele hoofdstad te compenseren. Ook in Peutie of Zevergem kun je via meer dan twintig tv-kanalen of abonnementen op internationale kranten en weekbladen met de intellectuele en artistieke hoofdsteden van de wereld verbonden zijn. Volgens de gerenommeerde kunstcriticus Robert Hughes zijn er so wie so geen culturele hoofdsteden meer, zelfs New York is het niet meer. In Kritisch, in vredesnaam kritisch schrijft Hughes terecht: 'Het verschil tussen toen en nu is dat het idee van één enkel, imperiaal centrum nu verouderd is door het patroon van de mondiale, culturele activiteiten.' Natuurlijk, Amsterdam is als artistieke centrifuge nog altijd wat anders dan Antwerpen, maar levert zo'n concentratie per definitie betere resultaten op? Dat valt te vrezen. Het leidt in Nederland alvast tot kongsies met een hoog bekrompen grachtengordelgehalte en in New York, ik citeer weer Robert Hughes, 'tot handel die vrijwel uitsluitend gedreven wordt door financiële manipulators, modeslaven en rijke onbenullen.' Ik bedoel maar, als de westerse samenleving en haar politieke organisaties nog nauwelijks een centrum hebben,- zelfs de VN en de NATO maken een stuurloze indruk - waarom zou de kwaliteit van kunst, die al sinds het einde van de negentiende-eeuw zo'n centripetale vlucht genomen heeft, dan van een centrum moeten afhangen? Laermans weet wel dat het een niets met het ander te maken heeft, denk ik, want in het Jan Fabre-nummer van Dietsche Warande & Belfort looft hij deze kunstenaar omdat hij 'op een opmerkelijke manier trouw gebleven (is) aan zijn geboortestad, ook al heeft die zijn werk nog lang niet als "van ons" (h)erkend.' Trouw aan de heimat blijkt ineens een verdienste te zijn.
Rudi Laermans laat verder niet na te beklemtonen dat de kern van 'Vlaamse kosmopolieten' klein is. Dat klopt, maar waarom daarover getreurd? Hij stelt in al zijn essays kwaliteit terecht boven kwantiteit, alleen op dit punt niet. Het is een opmerking die je bij veel cultuurcommentatoren hoort. Men kan het niet hebben dat de commerciële cultuur zo'n brede verspreiding kent en dat de elitecultuur slechts een kleine minderheid interesseert. Zonder gemopper schrijven over hedendaagse cultuur is blijkbaar onmogelijk. Ik vind zijn uitspraak over Anne Teresa de Keersmaeker en consoorten ook wat denigrerend, maar - en dààr zou eens een debat over gevoerd moeten worden - dat is een van de ingebakken nadelen van het kosmopolitisme. Het brengt een zeker mépris mee tegenover de doorsnee artistieke produktie van eigen bodem, en erger, ze accepteert die pas als ze in het buitenland geconsacreerd wordt, alsof kosmopolieten geen oordeel durven vellen, zonder dat het buitenland zich eerst heeft uitgesproken. Doen buitenlandse meningen ertoe? Dat hangt ervan af. De eerste produktie van Wim Vandekeybus werd door grillige en toevallige omstandigheden ook in New York opgevoerd. Ze werd er meteen met een prijs bekroond. Maar is dat dan het allerlaatste woord over kwaliteit? Mij heeft Vandekeybus nooit kunnen overtuigen, zijn internationale reputatie ten spijt. Her body doesn't fit her soul vond ik zelfs een zwaar overroepen, symbolisch al te zwangere voorstelling, waarbij de uitleg van de choreograaf in de media interessanter was dan de opvoering. Blijkbaar werkt het mechanisme bij kosmopolieten precies andersom. Pas als het buitenland onze kunstenaars consacreert zijn ze goed, want, en nu citeer ik Bart Verschaffel: 'Een randgebied als Vlaanderen of Antwerpen kan geen cultuurwaarde Europees consacreren.' Antwerpen 93 was van die zogenaamde kosmopolitische instelling in velerlei opzichten, tot en met het Vertoog en Literatuur-project, een voorbeeld van. De misprijzende manier waarop Knack in het Boekenbeursnummer van 1993 vrijwel zonder onderscheid een tiental 'schrijvelaars' op een hoopje gooide een ander. Vlaamse cultuurcommentatoren onttrekken zich dus zo op een al te gemakkelijke manier aan hun kritische functie in de beoordeling van de eigen culturele produktie. Trouwens: was het werk van kunstenaars voor ze internationaal geconsacreerd werden dan niet goed? En wat met kunstenaars die zich aan elke sacralisering onttrekken en die niet met die (vaak louter op financiële normen gebaseerde) mallemolen willen meedoen? Ik ken zo nogal wat. Kosmopolitisme is dus niet zaligmakend. Het leidt bij velen tot geblaseerdheid en desinteresse, tot geestelijke vermoeidheidverschijnselen en wegwuifgedrag. Het interessante is immers altijd elders en liefst zo ver mogelijk. Kosmopolitisme kan dus eerder bepaalde vooroordelen aanscherpen. Andere dubieuze symtomen van kosmopolieten zijn een ziekelijke hang naar het nieuwe, de eis tot originaliteit en trendgevoeligheid. Hype uit New York is synoniem voor kwaliteit; 'Vlaams' of 'Nederlands' is per definitie snert (tenzij het in het buitenland gelegitimeerd is). 'Smaak op kunstgebied is, veel meer dan de smaak van voedsel en drank, onderhevig aan pressie van buitenaf,' schrijft kunstenaar/criticus Diederik Kraaijpoel terecht. Zelfs die critici die de oppervlakkigheid en vluchigheid van het huidige tijdperk aanklagen, haasten zich steeds weer een rotvaart om bij te blijven en doen in die eindeloze jacht de tredmolen nog sneller draaien. Overdreven belangstelling voor kortademige trends en een zekere vlotte journalistieke schrijfflair zijn daar het gevolg van, ook bij ernstige intellectuelen. Om bij Rudi Laermans te blijven: illustratief is zijn artikel De mannequinmaatschappij. Over 'look', lijfstijl en lichamelijkheid in de bundel Over nut en nadeel van het postmoderne voor het leven (red. F. de Wachter). Eén citaat maar: 'Het recente succes van de zogeheten lifestyle-bladen en de ermee verbonden imago-cultuur (cultus?) wijst erop dat steeds meer mannen en vrouwen zichzelf niet langer uitsluitend beschouwen als unieke persoonlijkheden die genoeg hebben aan een blauw jeans-uniform. Een alsmaar groter wordende groep consumenten spiegelt zich aan een "gedesignde" levenstijl, aan een voorgegeven model: 'de authentieke persoonlijkheid wordt veilig opgeborgen achter de coulissen van een of andere look. Of men ook werkelijk een punker of een new wave, een yuppie of een Bon Chic Bon Genre-type is, een "vlotte intellectueel" dan wel een "neoklassieke academicus" is, doet er weinig of niets toe. In "de beschaving van de look", die voor steeds meer mensen de alledaagse leefwereld afbakent, worden mogelijke contacten en vermijdingen, sympathieën of antipathieën niet bepaald door wat men is, maar door wat men lijkt te zijn.'
Ik beken, ik verslind dit soort bespiegelingen met alsmaar roder wordende koontjes van leesplezier, zoals trouwens het meeste van de filosofisch-literaire body-science-fiction van Rudi Laermans, maar als ik even uit het raam kijk, lost dit hele fantasme in één keer op. Geen zin blijft nog overeind. Zo'n tekst mag dan al in eerste instantie lijken op een brok levendige, klaarziende sociologische analyse, ik vrees dat de tv-reportages van Jambers een betrouwbaarder beeld van de werkelijkheid geven. Ik bedoel: kosmopolieten hebben de neiging om een zeer tijdelijk verschijnsel in Hollywood, de zoveelste lifestyle, de elvendertigste versie van een jongerencultuur of de allernieuwste gladde reclametruuk van creative directors, designers of tv-presentaroren te veralgemenen en voor het ware leven te nemen. Het volgen van en het filosofisch freewheelen over al deze subcultuurtjes is ongetwijfeld nuttig voor de academische publikatielijst, maar echt diep boort het niet. Veel van die trends zijn sneller gedaan dan de inkt kan drogen. Als verschijnsel horen ze tot de eeuwige variaties op rites de passage. Ze beklijven niet, en dat is ook niet de bedoeling. De essentie van hedendaags jongerengedrag ligt niet in de nieuwe uiterlijkheden, dat zijn oppervlakkige vaststellingen. De essentie ligt precies in de onveranderlijke kern die achter die wisselende modes schuilt gaat. Het heeft me altijd al verbaasd hoe elke nieuwe generatie zich elk weekend gelaarsd en gespoord volgens de waan van de dag in tornado's van lawaai stort, of het nu punk, house of acid rock is, met als enige doel een partner voor het leven te vinden waarmee in alle stilte en intimiteit samengeleefd kan worden, zonder al te veel burengerucht. Zelfs de ruigste hardrocker haakt op termijn naar een huis met een tuintje ervoor, en een driedelig maatpak. Mij lijkt het veeleer om het wezen van dit onveranderlijke baltsgedag te gaan. Een scheutje provincialisme zou kosmopolitische geesten een stuk minder brooddronken maken.


© Leo de Haes