|
Cultuuridealisme
Rudi Laermans gaat terecht te keer tegen cultuuridealisten (lees doemdenkers). Vreemd genoeg smokkelt hij via de metafoor van de Griekse agora zelf weer een brok cultuuridealisme zijn denken binnen. Zijn grote droom: pleinen en kroegen vol discussiërende intellectuelen die elkaar met argumenten proberen te overtuigen. Democratie is voor hem zelfs primair een zaak van argumentatie. Vreemd toch. Voor mij is democratie in de eerste plaats een vorm van (politieke) representatie met het doel een sociaal, politiek, cultureel en economisch beleid te voeren, waarbij met zoveel mogelijk argumenten rekening wordt gehouden. Argumentatie is zowel voorwaarde tot als gevolg van democratie. Maar goed, Rudi Laermans probeert zijn stelling met leuke historische uitstapjes duidelijk te maken. Helaas veel historische parallellen lopen mank en ontaarden meestal in broeihaarden van nostalgie naar onbestaande heerlijkheden. De Griekse agora mag dan al een kiem van democratie bevat hebben, dan toch alleen maar in Athene. In Sparta bestond er helemaal geen vrijheid van spreken. Bovendien, de meerderheid van de bevolking bestond uit slaven. En wat moesten deze slaven met argumenten? 'Ga uit mijn zon,' kregen ze te horen. Of zei Diogenes dat alleen tegen Alexander de Grote? Athene was bovendien zo democratisch dat ze de (antidemocratische) Socrates tot het drinken van de gifbeker heeft gedwongen. Hoewel Athene de vrijheid van mening verkondigde, werd Socrates ter dood veroordeeld voor zijn ideeën.
Laermans zweeft ook zalig weg naar de 17de en 18de eeuw met hun grootsteedse praatsalons, coffee houses of Tischgesellschaften - in vreemde talen klinkt het altijd zoveel mooier (en dus overtuigender?) -, maar wat stelde de democratie in de 17de en 18de eeuw in wezen voor? En hoe vrij waren de gedachten? Hoe dwingend en benauwend de traditie? Het was een tijd waarin 'sexuele opwinding de ernstigste bedreiging (leek) te vormen voor de hiërarchische nationale staat' volgens Stephen Toulmin. De zon draaide op kerkelijk bevel nog altijd om de aarde en intellectuelen werden door de politie nauwgezet geobserveerd. Uit andere bronnen vernemen we dat Diderot in een politierapport omschreven wordt als een 'jongeman die de grapjas uithangt en prat gaat op zijn ongeloof; zeer gevaarlijk; spreekt smalend over de heilige mysteriën.' Beeldende kunstenaars, componisten en schrijvers moesten zich prostitueren om in het gevlei te komen bij een beschermheer, want zonder protectie konden ze niet overleven. Maar zelfs die protectie was onzeker: een auteur die te satirisch schreef of te 'gevaarlijke' ideeën uitte, riskeerde, mede op last van zijn beschermheer, de gevangenis. Het klinkt nu wat vreemd in de oren, maar in de 19de eeuw juichten schrijvers en kunstenaars de komst van de vrije markt massaal toe. De vrije markt zagen ze als de ultieme bevrijding uit hun precaire afhankelijkheidspositie.
Laermans beweert dat argumenten in de 18de eeuw meer meetelden, dat de politiek doorzichtiger was en dat het toen niet primair om macht ging. Wel, ik betwijfel dat. Het is altijd en overal in eerste instantie een kwestie van macht geweest. De libido dominandi geldt en gold niet alleen voor intellectuelen. Het grote verschil is dat de grote massa er toen geen deel aan had, er geen deel aan kon hebben, omdat ze analfabeet was. In het pre-industriële tijdperk - 17de en 18de eeuw dus - waren de schone letteren en de kunsten in het algemeen in handen van een zeer kleine bovenlaag. De schrijver of kunstenaar diende zich dienstvaardig tegenover die maatschappelijke klasse op te stellen of werd niet aanvaard. Schilders, beeldhouwers en schrijvers zorgden dat de religieuze, politieke en economische machthebbers op de nodige luister, eerbetoon en standbeelden konden rekenen. Ze leidden een geregeld leven, dat wil zeggen, een 'burgerlijk bestaan'. Pas in de negentiende eeuw, met l'art pour l'art van Baudelaire en Flaubert, komt de definitieve breuk van de kunstenaars met de bourgeoisie.
Laermans schwärmt ook met het 'kulturräsonierend' publiek in het vroegere Frankrijk, Engeland of Duitsland en vergelijkt daarmee het culturele peil van het hedendaagse Vlaamse publiek. Geen wonder dat hij vervolgens van een kouwe kermis thuiskomt. Zo'n redenering is tegelijk onrechtvaardig en malicieus. Hij gebruikt de term 'publiek' namelijk in twee verschillende betekenissen; de eerste keer betekent het de elite der geletterden; de tweede keer heeft hij het over het grote publiek. Als hij de massa's van vroeger en nu met elkaar zou vergelijken, zou hij tot heel andere (positievere) conclusies komen. Zonder dat Rudi Laermans het beseft gaat hij daardoor een paar keer aan dezelfde klaagmuur als Jozef Deleu en consoorten staan. Hij schrijft over het huidige tijdsgewricht: 'Dichters en schrijvers moeten amuseren, beeldende kunstenaars zijn interessant indien ze een ontroerend levensverhaal kunnen opdissen, en meningen tellen alleen voor zover ze binnen het bestek van drie minuten in een vlotte talkshow worden ten beste gegeven, liefst met weglating van alle argumentatie (die maakt het maar ingewikkeld). Voor het louter cultuurconsumerend publiek doet het er gewoonweg niet langer toe of een oordeel ja dan nee met goede redenen is omkleed. Wat telt is niet de argumentatieve maar de ontspannende waarde, het kunnen lachen, het gegrepen of ontroerd kunnen worden.' Waar heb ik zoiets nog gelezen? Precies in een boek uit de 18de eeuw. Ik citeer het dan ook maar al te graag: 'Wat is het toch ronduit rampzalig - voor dit boek van mij, maar met name voor de hele Republiek der Letteren, - waarbij mijn boek uiteraard in het niet zinkt, - dat dit ziekelijk gehunker naar steeds nieuwe sensatie ons zo in het bloed is gaan zitten, - en dat we dermate gespitst zijn geraakt op het onmiddellijk bevredigen van onze behoefte aan prikkels - dat we uitsluitend de materiële en vleselijke elementen van een literair werkstuk kunnen opnemen. - Fijne toespelingen en kleine wetenschappelijke wenken vervluchtigen bovenlangs; en daardoor gaan beide voor de wereld evenzeer verloren als wanneer ze op de bodem van de inktkoker waren gelaten." (Laurence Sterne, Het Leven en de Opvattingen van de Heer Tristram Shandy, 1760). Sommige argumenten zijn zo hardnekkig dat ze zelfs na twee eeuwen niet klein te krijgen zijn. Waarom hebben we het toch altijd zo moeilijk met prikkels? Prikkels - sensaties dus - vormen de motor van alle leven, ook van intellectuelen.
© Leo de Haes
|
|