De openbaarheid

Volgens Rudi Laermans bestaat er nauwelijks of geen openbaarheid in Vlaanderen. Kun je dat zo brutaal en absoluut stellen? Ik betwijfel het, tenzij ik niet goed begrijp wat Laermans ermee bedoelt. Zijn boek is alvast het bewijs van het tegendeel (dit trouwens ook). De lege plek bevat ondermeer een uitvoerige kritiek op de neoliberale cultuurvisie van Paul de Grauwe en de cultuuridealistische standpunten van Marc Reynebeau. Laermans is niet de enige die beide auteurs grondig gelezen heeft en er een geargumenteerd oordeel over gegeven heeft. Ik ken nauwelijks een medium van enig niveau waar de boeken van Paul De Grauwe en Marc Reynebeau niet indringend aan de orde zijn geweest. Beide auteurs hebben, zoals dat past, ook een 'ronde van Vlaanderen' mogen maken om hun visie voor studenten, culturele werkers, politieke colloquiagangers enzovoort nader toe te lichten. Maar ook op andere vlakken is het ene debat na het andere gevoerd. Herman de Coninck is in De Morgen een polemiek begonnen over de kwaliteit van de literaire kritiek in Vlaanderen. Ook het migrantendebat ligt nog vers in het geheugen en woedt trouwens nog altijd voort. De heftige polemiek in zowel kranten als boeken tussen enerzijds Johan Leman en anderzijds het duo Jan Blommaert/Jef Verschueren laat daar geen twijfel over bestaan. Er is verder de discussie over de eko-taks geweest en die over de welvaartstaat tout court, er was en is de slepende controverse over Jan Hoet, over abortus en over reclame vlàk voor kinderprogramma's. Mieke Vogels heeft het feminisme ter discussie gesteld, Jos Geysels de 'politieke herbebossing', Verhofstadt heeft het hele politieke discours in Vlaanderen een nieuwe draai gegeven, met allerlei politieke manifesten van anderen tot gevolg; het verdrag van Maastricht heeft de geesten massaal aangesproken en elke dag zwengelt wel iemand in De Standaard of De Morgen een discussie aan. Onvoldoende openbaarheid? Nee dus. Er zijn wel een aantal andere zaken aan de gang. De intellectueel, variant Rudi Laermans, wordt aangevreten door een gevoel van onmacht, en dat heeft rechtstreeks te maken met ons geëmancipeerde tijdsgewricht. Eigenlijk stipt Laermans het zelf aan: elke nieuwe korte toespraak van Jozef Deleu krijgt meer weerklank dan de academische studies waaruit de hoofdredacteur van Ons Erfdeel zijn mosterd haalt. Dat heeft niets te maken met gebrek aan openbaarheid maar met Deleus onomstreden positie in het culturele landschap. Jozef Deleu mag dan al onafhankelijk zijn, hij houdt tegelijk alle zuilen te vriend (of omgekeerd) en wordt door elke zuil ook als blaffende hond geduld en hier en daar zelfs gefêteerd. Hij is een beetje een restant van de vroegere culturele (pik)orde. Op dezelfde manier had literair criticus Albert Westerlinck, maar dan binnen één enkele zuil, namelijk de christelijke, een door vele hedendaagse intellectuelen benijdenswaardige impact op het denken over literatuur van de (katholieke) elite. Ontzuiling en emancipatie hebben in die zin ook enkele tragische trekjes. Niet alleen hebben de Kerk en de partijen er minder vat door op hun achterban, maar de andere kant van de medaille geldt ook: hoe autonomer de mens hoe minder hefbomen een intellectueel heeft om met gezag en een beroep op universele waarden in te grijpen. De prijs van de toegenomen vrijheid van het individu is een geringere maatschappelijke impact van de intellectueel. Iemand als Noam Chomsky bijvoorbeeld, al jaren de grote pleitbezorger van de onafhankelijke autonome intellectueel, is tegelijk het grootste slachtoffer van zijn eigen theorie, zodanig zelfs dat hij zichzelf lichtjes overdreven als een dissident in Amerika is gaan zien. (Eigenlijk is er in de kunsten een soortgelijk proces aan de gang: hoe autonomer de kunst hoe maatschappelijk irrelevanter ze is terwijl men het tegendeel verwachtte en, van de weeromstuit, hoe meer filosofen zich de nek breken over de mogelijke maatschappelijke functie van de kunst, zie ondermeer de essaybundel Het gemurmel van de muze en hoofdstuk 2 van dit boek.) In een geïndividualiseerdere samenleving wordt l'effet de position van de breeddenker, zoals Rudi Laermans het in navolging van Pierre Bourdieu noemt, tot een zoveelste mening herleid. Maar dat is geen typisch Vlaams probleem, veeleer een algemeen westers.
Dat alles wil niet zeggen dat er aan de Vlaamse openbaarheid totaal niets schort. Laermans signaleert op zeker moment dat Marc Reynebeau op Pierre Bourdieu leunt zonder hem echt te hebben gelezen. Erger is dat meer en meer critici zappen in boeken. Ze bespreken ze zonder ze (volledig) te lezen. Sommige vertegenwoordigers van de woordcultuur zijn er de eerste verraders van. Ook Herman de Coninck heeft er in De Morgen al opgewezen. Het niveau van de literaire kritiek is bij ons navenant en de verantwoordelijken laten gebeuren. Ze staan niet op kwaliteit in de rubrieken die ze beheren, al zullen ze elders in verhevener omstandigheden of als hun maatschappelijke positie het vereist het gebrek aan en de teloorgang van kwaliteit aan de kaak stellen. Knack is voor culturele informatie een chaotische grabbelton zonder bodem. Er zit geen lijn in, geen rode draad. De boekenrubriek wordt gevuld met de willekeurige voorkeuren van het moment. Als er kan gehetzt worden tegen het Vlaamse boekbedrijf, is Knack de eerste om olie op het vuur te gooien. De wedstrijd België-Holland wordt dan nog eens overgedaan. Of de feiten kloppen is bijzaak. Humo, dat zo graag op elke wonde zout legt, heeft zijn literaire rubriek zo goed als opgedoekt en vervangen door een onstuitbare en voorspelbare kankeraar, die intussen alweer is afgevoerd. De literaire pagina is van wekelijks veertiendaags geworden en bestaat nu voor twee derde uit de top-tien. De Nieuwe Maand, een maandblad voor intellectueel Vlaanderen, verdwijnt zonder dat de hoofdredacteur én de redactie ervoor gevochten heeft. Het weekblad Markant is al evenzeer een stille dood gestorven. Het zijn maar enkele voorbeelden die de Vlaamse openbaarheid bemoeilijken, niet omdat er geen intellectuelen zijn, maar omdat sommmige intellectuelen niet meer opkomen voor hun zaak en weinig nog de moeite waard vinden om voor te strijden. Het klinkt misschien zwaar, maar enige geestelijke luiheid en een blaségevoel zijn daar niet vreemd aan. Tenslotte kunnen zij nog altijd The New York Review of Books lezen.
Soms wordt de openbaarheid in Vlaanderen ook negatief benvloed door de strijd om de dominantie binnen de intelligentsia. Precies die intellectuelen die altijd roepen en schrijven dat er te weinig openbaarheid is boycotten dan zelf het debat. Zo werd de polemiek over de cahiers Vertoog en literatuur van Antwerpen 93 zo goed als niet beantwoord door de organiserende tegenpartij (waartoe ook Rudi Laermans behoorde). Het bleef doelbewust eenrichtingsverkeer, én kleingeestig clangedrag. Waar ging het om? Het onderdeel 'literatuur' van Antwerpen 93 werd uitbesteed aan de Leuvense filosoof Bart Verschaffel, die het vervolgens eigenzinnig invulde. Die eigenzinnige keuze van intendant Eric Anthonis was op zich een pluspunt, net als de keuze van Bart Verschaffel voor een sterke filosofische inbreng in het literaire gedeelte. Het had de (Vlaamse) literatuur al dan niet via kruisbestuiving kunnen bevruchten en er een diepere dimensie aan geven. Maar los van de opname van enkele literaire rari nantes in de Cahiers, werden hedendaagse schrijvers botweg geweerd. Terwijl Antwerpen 93 op muzikaal vlak bijvoorbeeld nieuwe creaties bracht van hedendaagse componisten (het succesrijke Talisker van Luc Brewayes bijvoorbeeld), werden onze literatoren monddood gemaakt en gehouden. Toen een afvaardiging van Vlaamse schrijvers daarover een discussie wilde voeren, werden ze wandelen gestuurd. Een gesprek was totaal onmogelijk. Antwerpen 93 werd misbruikt om een warme zomer lang de filosofie, en alleen de filosofie, op het podium te hijsen. Het was een bij voorbaat verloren machtsgreep, en dat maakte het precies zo zielig. Niemand was tegen een forse inbreng van filosofen in het literair gedeelte. Zelfs een van de rabiaatste polemisten in deze affaire, Tom Lanoye, vond dat een goede zaak. Hij vocht alleen maar het brutaal opgedrongen monopolie aan waardoor de literaire inbreng zelf uit het zicht verdween. Ik herinner me dat De Volkskrant een volledige pagina over de programmatie van Antwerpen 93 bracht. Wat meteen opviel, was dat het lemma literatuur ontbrak. Gewoon omdat er geen literair programma was. Dat academici als Bart Verschaffel (en ook Rudi Laermans) plots zo machtsgeil zijn als ze zelf tijdelijk cultuurmanager worden, stemt tot nadenken. Het toont niet de fraaiste kant van intellectuelen. Bart Verschaffel mocht zich dan al vooraf ingedekt hebben door een artikel in Archis, overtuigen deed hij niet. Hij schreef: 'Antwerpen 93 is niet "representatief", gaat niet uit van de consensus, stopt veel middelen in projecten met een kleine zichtbaarheid, vraagt Pavarotti niet, drukt te weinig affiches, mist de kans om Vlaanderen vooruit te helpen... De beste dienst die Antwerpen 93 de Vlaamse kunst en cultuur kan bewijzen, is niet, profiterend van de aandacht, in de camera te gaan zwaaien en zoveel mogelijk Vlaamse namen en gezichten te tonen en bekend te maken, maar een eigenzinnige, bescheiden, verstandige gastheer te zijn voor de Europese cultuur én voor de Vlaamse kunst die op een vanzelfsprekende, evidente manier aan die Europese cultuur participeert of kan participeren.' Dit is wind. Het is een standpunt dat alles zegt en tegelijk niets. Het staat of valt bij zijn retorische overtuigingskracht, al is die nog zo doorzichtig. Immers, Vlaamse schrijvers (ze hadden onder meer voorstellen voor programma's rond Willem Elsschot, Hugo Claus en Maurice Gilliams) zwaaien naar de camera! De door Bart Verschaffel geselecteerde deelnemers participeren daarentegen aan de Europese cultuur.
Intussen is meer dan 2000 pagina's betoog over de lezende elite heengestort over 'Lijn, Grens, Horizon', 'Woordenloosheid', 'Provincialismen. Ontworteling.', 'Zoölogie. Over (post-)moderne dieren', enzovoorts. Nu ben ik zelf dol op essays, maar zelfs ik kan zo'n hoeveelheid niet behappen. Veel van wat ik ervan gelezen heb, vond ik bovendien mediocer. Men moet dan ook niet verbaasd zijn dat er nog geen begin van discussie op gang gekomen is over de thema's uit Vertoog en Literatuur. Te veel van dit soort openbaarheid is geen openbaarheid. Het is de beste manier om elk gesprek plat te slaan. De best verwoorde kritiek vond ik bij Cyrille Offermans in Ons Erfdeel. Hij heeft het voordeel dat hij noch tot het kamp van de voorstanders, noch tot dat van de tegenstanders behoort. Alleen al de titel van zijn artikel laat niets aan duidelijkheid te wensen over: Twintig centimeter boek voor wie? Inderdaad, voor wie? Of is dat geen legitieme vraag? Bij Kritak schat men dat er hoop en al 350 exemplaren van Vertoog en Literatuur weg zijn, recensie-exemplaren inbegrepen (en ik heb er zelf alleen al twee gekregen!). Dat is beduidend minder dan elk behoorlijk tijdschrift in Vlaanderen haalt. Maar laat ik Offermans zelf aan het woord: 'De aanleiding tot dit project is duidelijk, maar voor wie is het bedoeld? Wie denkt men met zo'n grijze stapel boeken te bereiken? wie zal er bereid zijn ik weet niet hoeveel honderd gulden (ik heb ze voor deze gelegenheid cadeau gekregen, dus ik doe maar een gok) neer te tellen voor iets wat zoveel inspanning lijkt te gaan kosten en zo weinig plezier in het vooruitzicht stelt? De samenstellers kunnen niet op omvangrijke, stimulerende, de verkoop bevorderende recensies hebben gerekend, integendeel, ze lijken die (alleen al gezien de buitensporige omvang van het geheel) zeker op enigszins korte termijn zelfs niet gewild te hebben. Was dit verkwistende project dan alleen maar bedoeld om al die criticasters van "Antwerpen 93" de mond te snoeren? Zijn deze boeken enkel bedoeld om 20,0 centimeter boekenplank van redactieleden en medewerkers te vullen? Ik geef het toe: uit mezelf zou ik ze gekocht noch gelezen hebben... Dit had een unieke reeks kunnen zijn als men de helft van de bijdragen had teruggestuurd en voor betere in-en uitleidingen had gezorgd.'
Bart Verschaffel geeft zelf bij een kleine onbekende uitgeverij uit. Zijn boeken zijn daardoor nauwelijks ergens in een winkel te vinden. Die anti-commerciële keuze is bewonderenswaardig. Maar Vertoog en Literatuur was geen persoonlijke uitgave. Het was ook niet zo sterk dat de doelgroep, die op zich al klein genoeg was, er naar op zoek ging. Kortom, zonde van het overheidsgeld; zonde ook dat het hele project een maat voor niets is geweet.


© Leo de Haes