De intellectueel

Wat me al jaren verbaast is de te enge definitie van de term intellectueel, meer bepaald het eeuwige gelijkheidsteken tussen intellectueel en alfawetenschapper. Ook Rudi Laermans bezondigt zich daaraan en hij beperkt bovendien het aantal intellectuelen nog eens extra door zowel hun actieradius te vergroten als hun thema's te kortwieken. Hij schrijft in De lege plek: 'Een intellectueel is iemand die houdt van openbaar debat, in het bijzonder van publieke discussies over de rol en status van de intellectueel.' Die definitie lijkt me een prima omschrijving van de nobele opdracht die Rudi Laermans zichzelf als socioloog heeft gesteld, en daar is niets op af te dingen, maar je kunt onder dit hoedje wel zeer weinig vertegenwoordigers van de denkende soort vangen. Dit soort enge definitie is nog altijd een erfenis van de Dreyfuss-affaire in Frankrijk en van het bekende J'accuse-pamflet van Emile Zola in de krant L'Aurore Literaire. Zola zette daarbij op een tegelijk hartstochelijk en moedige manier zijn eigen positie en renommée als schrijver in om openlijk te protesteren tegen het onrechtvaardige want volgens hem (en zoals later ook gebleken is) vooringenomen vonnis tegen de joodse kapitein Dreyfuss. Zola kreeg door dit initiatief meteen een rits medestanders achter zich onder wie universiteitsprofessoren, artiesten, architecten, dokters, schrijvers en muzikanten. Ze leenden hun naam voor petities tegen de antisemitische gang van zaken in het Franse gerecht. De hoofdredacteur van L'Aurore Literaire en latere premier Georges Clemenceau, nooit verlegen om wat mediaspektakel,- de spektakelmaatschappij is niet van vandaag - verzon voor deze groep onafhankelijke denkers de naam 'intellectuels'. Ze vertegenwoordigden voor hem een maatschapelijke groep die plots een centrale machtspositie in het politieke leven had verworven. De intellectuele stand was daarmee geboren, ook al is die geen lang leven beschoren geweest. De vraag is: bestonden er voordien geen intellectuelen? Waren Ovidius, Dante, Petrarca, Voltaire, Erasmus, Thomas Morus, Machiavelli, Kant, Diderot en de Encylopedisten, David Hume, Francis Bacon, Pierre Bayle en zovele anderen geen intellectuelen? Is het intellectueel-zijn per definitie verbonden aan een sociale machtspositie of een inbreng in politieke projecten? Zo ja, dan zijn er ook vandaag geen intellectuelen meer, want er zijn nog nauwelijks mensen die met gezag de culturele, politieke en morele keuzes van anderen (helpen) te bepalen. Dat doen mensen momenteel veel meer op individuelere basis, ondermeer aan de hand van het gediversifieerde informatie-aanbod van de massamedia. De moreel-politieke keuzes worden tegenwoordig soms ad hoc gemaakt en staan vaak los van een of ander sluitend Groot Intellectueel Verhaal. De politieke en morele waarden van de mensen vormen tegenwoordig vaak een veelkleurig 'lappendeken', zoals Luc Huyse het noemt. Sommige leden van het ABVV zien er bijvoorbeeld geen graten in om op het Vlaams Blok te stemmen en hun kinderen naar het vrij onderwijs te sturen, al zijn dat ideologisch gezien drie incompatibele organisaties. Maar er is nog iets anders gebroken in het oude maatschappijbeeld. De idee van de maakbaarheid van de samenleving is vervangen door de idee van de maakbaarheid van het eigen leven. Kortom, het is onvruchtbaar voor de discussie om de term intellectueel exclusief te reserveren voor een tijdelijk historisch sociale verschijningsvorm ervan. De intellectueel evolueert en past zich aan, net zoals de huidige burgerij niet meer dezelfde is als die van een eeuw geleden, ook niet qua machtspotentieel.
Wat mij betreft hoeft een intellectueel ook helemaal niet aan openbare debatten deel te nemen, laat staan een eind door te leuteren over de rol van de intellectueel. Het is een misvatting dat intellectuelen uitsluitend 'breeddenkers' moeten zijn, om maar eens een andere term van Rudi Laermans te gebruiken. De belangrijkste intellectuelen van het moment zijn geen generalisten, maar specialisten. De meesten kennen we amper of niet, precies omdat ze in alle stilte werken in laboratoria en andere wetenschappelijke centra, ver van het mediagewoel en het loze gekibbel op het forum. Ze hebben wel wat beters te doen dan de openbaarheid op te zoeken. Als de aanwezigheid in bladen, op radio, televisie en podia echt een maatstaf voor de intellectuele status van iemand is, dan zouden vulgarisatoren als Frans Boenders of Etienne Vermeersch intellectueel belangrijker zijn dan Ilja Prigogine. Dan zou de 'vredesactivist' Einstein de fysicus overtreffen die de grondslagen van de relativiteitstheorie legde. Of zou de latere Robert Oppenheimer die zich van de kernbom distantieerde grotere intellectuele prestaties verricht hebben dan toen hij de A-bom mee hielp verwezenlijken. Ik beweer niet dat het maatschappelijk optreden van al deze mensen geen intellectuele daad is, maar wie publiek optreden als enig criterium neemt, bezondigt zich aan een banaliserende vorm van hitparade-denken. Hij past in dat geval de dwang van de kijkcijfers toe op de intelligentsia. Dit soort beperkende definitie drijft de intellectueel bijna altijd in de hoek van de (massa)media, terwijl die goedkope valkuil juist dient te worden vermeden. Immers, de media vermalen hem tot hansworst of 'intellectuele clown' zoals Godfried Bomans in 1963 al over zichzelf zei. Dat bepaalde breeddenkers niet echt zonder de media kunnen, wil ik wel aanvaarden, de intellectuelen oude stempel hebben de publieke fora altijd bespeeld om het discours te veroveren. Emile Zola is er het mooiste voorbeeld van. Maar de aanwezigheid in de massamedia is niet alleen gevaarlijk wegens snelle slijtage, het kan onmogelijk de grondslag vormen voor een sluitende definitie van de intellectueel. Het doet me denken aan een artikel dat de Nederlandse sociaal filosoof Lolle Nauta enkele jaren geleden schreef:Achter de zeewering, over de middenpositie van de spraakmakende intellectuelen in Nederland. Hij definieerde de hedendaagse Nederlandse intellectueel als een journalist/columnist en vervolgens begon hij te jammeren over het belabberde niveau van het Nederlandse intellectuelendom. Verre van mij om te beweren dat journalisten en columnisten geen intellectuelen kunnen zijn, integendeel, maar de definitie van Nauta vraagt om problemen. Met zo'n sofisme als uitgangspunt (het was niet het enige) kon zijn conclusie niet anders dan hilarisch zijn: 'Heidegger was geen intellectueel en Althusser was het evenmin. Sartre en Foucault waren het wel.' Dit is je reinste onzin. Waarom moet het begip intellectueel voor eeuwig en altijd 'een militant, mobiliserend concept' zijn, zoals Zygmunt Bauman het noemt? Intussen zijn wel de twee namen gevallen die elke discussie over intellectuelen nog altijd onbewust beïnvloeden. Een intellectueel moet een breeddenker zijn die op de barrikade staat, die met de Franse slag over alles wel iets verstandigs (nou ja) te vertellen heeft, voor ideeën strijdt, journalistiek bedrijft, een krant opricht, aan tv-debatten en betogingen deelneemt, enzovoort. Ik zal niet beweren dat filmer, schrijver, mediadebater en betweter Bernard Henry-Lévy geen intellectueel is, maar ik zou er toch ook graag Max Planck, Werner Heisenberg, Stephan Hawking, H.B. Casimir, Christian De Duve, Peter Piot of Stephan Jay Gould bij willen rekenen. Als iemand de kloof tussen de two cultures (C.P. Snow) moet overbruggen, dan zijn het in de eerste plaats de intellectuelen wel.
Maar er is meer. Achter deze beperkende definitie ruik je tussen de regels de zure lucht van miskenning en frustratie. Immers, de breeddenker heeft zijn invloed geleidelijk aan zien afnemen. De heroïsche Homo Sartrensis is maatschappelijk zo goed als dood; de laatste vertegenwoordiger ervan is - het klinkt bijna symbolisch - blind gestorven. De Homo Universalis heeft, of we dat nu betreuren of niet, aan maatschappelijk belang ingeboet, mede doordat culturele of ideologische uniformiteit niet langer nodig was voor de politieke stabiliteit van de staat. Maar niet alleen het culturele aanbod is rijker en gefragmenteerder geworden, ook onze kennis is geaccumuleerd en over diverse takken versplinterd en wordt nu beheerd door fulltimespecialisten, net zoals de politiek aan professionals is uitbesteed. Met name de beta-wetenschappers hebben aan invloed gewonnen, en sturen zelfs ongevraagd de maatschappelijke evolutie via nieuwe technologische mogelijkheden op het vlak van de elektronika of de genbiologie bijvoorbeeld. De politici en de wetenschappers met een alfahoofd hebben daarbij alleen maar het nakijken. Ze kunnen de ontwikkelingen alleen maar vaststellen. Precies dat prestigeverlies verklaart de talloze bittere oprispingen van cultuuridealisten, véél meer dan de reële culturele verloedering. In het gevecht om de intellectuele dominantie is de alfa-wetenschapper (en ook de kunstenaar, zij het om andere redenen, zie hoofdstuk 2) definitief aan de verliezende hand. Nogal wat van deze breeddenkers hebben de neiging om hun pijnlijke persoonlijke degradatie te veralgemenen tot ronkende ondergangstheorieën en kwaadaardige cultuurfuturologie. Of zoals Zygmunt Bauman het formuleert: 'De intellectuelen kregen het wrange gevoel dat artistieke of literaire keuzes er niet meer toe deden. Niemand was er nog in geïnteresseerd, behalve dan de artiesten en de schrijvers zelf. Culturele vrijheid ging dus hand in hand met maatschappelijke irrelevantie.' Menselijk gezien zijn het begrijpelijke reacties, maar ze brengen weinig zoden aan de dijk, tenzij applaus op de banken van gelijkgestemde kniesoren. Want in onze van apocalyptische visioenen doortrokken joods-christelijke cultuur kan een masochistische kijk nog altijd op veel succes rekenen. Betawetenschappers, die doorgaans veel optimistischer zijn over het leven en de samenleving dan alfa's, krijgen minder snel de handen op elkaar want de westerse mens en zijn massamedia verdragen optimisme blijkbaar niet zo best. Zeer illustratief in dat verband waren de twee tv-series die Wim Kayser aan intellectuelen wijdde: Nauwgezet en wanhopig en Een schitterend ongeluk. De titels zeggen op zich al voldoende. De kinderlijke verwondering en goedlachse nieuwsgierigheid van Oliver Sachs, Rupert Sheldrake, Daniel C. Dennett, Stephen Toulmin, Freeman Dyson en Stephen Jay Gould uit de laatste reeks hebben nooit op de populariteit mogen rekenen van het gekwelde gemopper van Geörgy Konrad, Gabriel Marcia Marquez, Jorge Semprun en George Steiner.
Er is nog een punt dat me irriteert in de discussie over de rol van de intellectueel. Steeds weer valt er het woord distantie. Een intellectueel hoort weliswaar betrokken te zijn, geëngageeerd, zo je wil, maar hij moet langs de zijlijn blijven lopen. Hij mag zich niet encanailleren met de macht. Een 'goede' intellectueel is een ontregelaar, hij deconstrueert mythes, ideologieën, geloofsovertuigingen en de politieke new speak van de machthebbers. Of om met Edward W. Said te spreken: 'Least of all should an intellectual be there to make his/her audiences feel good: the whole point is to be embarrassing, contrary, even unpleasant.' Het is een definitie waaraan Edward Said zelf perfect beantwoordt, net als Gore Vidal of Noam Chomsky. Deze laatste ziet zijn intellectuele opdracht zelfs als een 'wereldlijk priesterschap'. Voor mij is dit maar één type intellectueel. Je kan niet eisen dat iedere intellectueel dissident is of bewust 'marginaal' blijft. Ook reguliere politici, uitgevers, schrijvers (ook die van de 'stille generatie'), kunstenaars, bepaalde journalisten, vakbondsleiders, wetenschappers en alle andere die vitale posities in maatschappelijke instellingen bekleden, doen vaak intellectueel werk. Verantwoordelijkheid opnemen in partijen, culturele organisaties, regeringen, parlementen, lobbygroepen en bedrijven leidt misschien wel tot meer pragmatisme maar is op zich niet afkeurenswaardig. Waarom zogenaamde 'autonome' intellectuelen telkens een heus discriminerend en soms criminaliserend uitsluitingsmechanisme inschakelen om collega's de toegang tot de republiek van de intellectuelen te ontzeggen, kan alleen maar verklaard vanuit een bikkelharde concurrentie en belangenstrijd. Ook tussen intellectuelen woedt er immers vaak een gemaskeerde burgeroorlog.
Enige bescheidenheid in pretenties en ambities zou de maatschappelijk geëngageerde intellectueel trouwens sieren. De geschiedenis van deze eeuw lijkt wel een Kerstetalage van zijn bloedige blunders, totalitaire verleidingen en niet waargemaakte aanmatigingen. Veel van deze rampspoed is precies het gevolg geweest van het beroep dat intellectuelen in al hun minachting voor het grote publiek deden op universele waarden en elegante theoretische constructies. Ik wil niet zo ver gaan als J.A.A. van Doorn die post factum een wegwerpkarikatuur maakt van de 'intellectueel als ideoloog', want voor elke Sartre is er een George Orwell, en voor elke Heidegger een Vaclav Havel. De fluwelen revolutie van 1989 in Praag was trouwens een revolutie van intellectuelen en kunstenaars en die heeft een democratisch regime geïnstalleerd. Misstappen zijn er niet om het kind met het badwater weg te gooien maar om ervan te leren. Het lijkt me al een voldoende opdracht voor de intellectueel van vandaag om de maatschappelijke evolutie waakzaam te volgen, met een 'zachtmoedige onverzettelijkheid', de ware houding van de intellectueel volgens György Konrad. In die zin begrijp ik ook de oproep tot de vorming van een Internationale van intellectuelen die Pierre Bourdieu doet in het post-scriptum van zijn boek De regels van de kunst. Hij heeft intussen de daad bij het woord gevoegd en heeft met zo'n vijftig andere auteurs onder wie Jacques Derrida, Breyten Breytenbach, Salman Rushdie en Carlos Fuentes een Internationaal Schrijversparlement opgericht. Het is een pressiegroep die alle intellectuele waarden in bescherming wil nemen tegen het marktmechanisme, de massamedia en vooral tegen de macht van journalisten. Voor Bourdieu en zijn medestander Milan Kundera is de pers namelijk een beroepsklasse die de vroegere spraakmakende positie van intellectuelen heeft ingenomen. Verdediging van kwaliteit is meer dan nodig, want 'alles van kwaliteit is weerloos' zoals Lucebert weet. In die zin is de oprichting van een Schrijversparlement een verheugende daad. Helaas doet Bourdieu dat in naam van het 'corporatisme van het universele' én van de autonomie van de intellectueel. Ruim vierhonderd pagina's lang probeert Bourdieu in De regels van de kunst uit te leggen dat kunstenaars en intellectuelen onderlinge concurrenten zijn en elkaars veld willen veroveren. Als ze zich daarbij beroepen op eeuwig vaststaandee waarden, draaien ze zichzelf en de maatschappij een rad voor de ogen, aldus de socioloog. En het eerste wat Pierre Bourdieu vervolgens doet is, ironisch genoeg, klakkeloos het universele aanroepen, alsof hij zijn eigen boek niet gelezen heeft. Waarom hebben intellectuelen het toch zo moeilijk om zich neer te leggen bij het teloorgaan van hun voorhoede-functie? Waarom willen ze zich niet verzoenen met een beperkte, maar daarom niet minder belangrijke functie? De kwaliteit van het leven in zijn veelvormige verschijning (goede boeken, een gezond milieu, degelijk ondewijs, de rechten van de mens...) heeft minder dan ooit aan geldingskracht verloren. Het is die keuze voor kwaliteit die moet verdedigd worden, tegen de massacultuur en de vaak nonchalante industrieële produktiewijze in. Ze moet niet zo nodig gelegitemeerd worden door metafysica of machtsinstanties als de staat, de kerk, de adel of een bevrijdingsbeweging. De intellectueel moet beginnen met zijn eigen bescheiden plaats te kennen. Ik ben het in dezen helemaal eens met Zygmunt Bauman, die in het spoor van Jean-François Lyotard concludeert: 'Het is de plicht om uit te drukken wat anders ongehoord zou blijven. Maar het is een plicht zonder gezag. En zonder de hoop dat ooit ergens de onaantastbare fundering van die plicht gevonden of geconstrueerd zal worden om ons alsnog met terugwerkende kracht te bevrijden van de verantwoordelijkheid (of is het schuld?) voor wat we gedaan hebben. Als men deze plicht vervult, beweegt men zich in het donker, loopt men risico's en neemt men zijn verantwoordelijkheid in naam van hen die niet kunnen spreken. Het is een opgave die geen strategische zekerheid of gewaarborgd succes biedt. Ze vraagt moed en misschien offers, zonder beloning, in het vooruitzicht, behalve het gevoel zijn plicht te hebben gedaan. Die opdracht is niet ideaal, en verlokkelijk is ze al helemaal niet. Het is dan ook weinig waarschijnlijk dat ze zal worden verwelkomd als de lang gezochte oplossing voor de problemen van de intellectueel. Maar het ziet er naar uit dat dit het enige uitvoerbare (en realistische!) programma is dat de intellectueel in het postmoderne tijdperk nog kan hebben.'


© Leo de Haes