4 De grenzen van het kosmopolitisme

'Manet reageerde op eens verontwaardigd op de criticus Edmond Duranty, die een van zijn schilderijen beschreven had als "een filosoof die oesterschelpen staat te vertrappelen." Dezelfde avond stapte hij in Café Guerbois op Duranty af en sloeg hem in het gezicht. Die daad leidde tot overleg tussen secondanten (Zola was een van Manets twee keuzes). Vier dagen later trok het gezelschap naar het bos van Saint-Germain, waar Manet en zijn criticus elkaar met degens te lijf zouden gaan. Geen van beiden wist iets van schermen af maar volgens een politierapport, vochten ze met "zoveel geweld" dat hun degens verbogen raakten. Manet slaagde erin Duranty een lichte wond op de borst toe te brengen en daarop slaagden de secondanten erin het gevecht te beëindigen. Pas toen begonnen de duellerende partijen zich af te vragen waarom ze geprobeerd hadden elkaar overhoop te steken. Bij wijze van verzoening bood Manet Duranty zijn nieuwe schoenen aan. Deze paste ze maar ze bleken te klein voor zijn voeten.'

Otto Friedrich

De Leuvense socioloog Rudi Laermans bundelt in De lege plek (Kritak, 1993) een aantal essays die hij de afgelopen jaren her en der gepubliceerd heeft. De onderwerpen zijn vrij gevarieerd en gaan van een artikel over het belang van de criticus Albert Westerlinck voor emanciperend katholiek Vlaanderen tot een stuk over het 'Gerard Mortier-effect', zeg maar de artistieke braindrain. Hoewel de bundel een bijna natuurlijke en door Laermans handig gestuurde samenhang vertoont, blijft hij te disparaat voor een artikel-per-artikel-kritiek. Daarom zou ik me liever willen beperken tot enkele algemene opmerkingen en stellingen die me tijdens het lezen van De lege plek te binnen schoten. Sommige beschouwingen hebben rechtstreeks met het boek en overige artikels over cultuur van Rudi Laermans te maken, andere veel minder. Mijn bedenkingen nemen uiteindelijk een vlucht waarvoor alleen ikzelf verantwoordelijk ben. Ze zijn te beschouwen als een voorlopige afronding van mijn visie op elite- en massacultuur en als verder gexpliciteerde positiebepaling in het discours hierover. Sommige thema's heb ik in vorige hoofdstukken al aangesneden, maar worden hier nog eens extra of vanuit een andere invalshoek belicht, al was het maar om de complexiteit ervan recht te doen. Rudi Laermans' boek nodigt daar om verschillende redenen toe uit. Hij beheerst een breed spectrum van het culturele gebeuren, ook van hedendaagse creaties (popmuziek, mode, theater, ballet, architectuur...). Daardoor ontstijgt hij het stoffige, haast negentiende-eeuwse cultuurbegrip wat de meeste deelnemers aan het debat nog hanteren en waardoor ze zich al op voorhand diskwalificeren. Velen tonen ook weinig interesse voor en nemen zelfs weinig kennis van wat er momenteel op onze cultuurpodia gebeurt, zodat ze des te hardnekkiger kunnen blijven beweren dat de 'Endlösung van de beschaving' nabij is. Die blinde vlekken kun je Rudi Laermans alvast niet aanwrijven. Bovendien is Laermans een socioloog met reputatie. Hij kent de wetenschappelijke lectuur ter zake, ook de internationale, en dat kan al evenmin gezegd worden van veel Vlaamse cultuurideologen, die vinden dat lectuur, studie en kennisneming van het werk en de onderzoeksresultaten van anderen te veel gevraagd zijn, terwijl ze toch de oppervlakkigheid en de 'journalistieke tijdgeest' van derden bekritiseren.
Voor de overzichtelijkheid concentreer ik me hier slechts op een aantal thema's die in het werk van Rudi Laermans aangeraakt worden.


© Leo de Haes