Het verdoemde beeld

Dat de televisie en eigenlijk ook de film voor een groot deel uit plat en banaal amusement bestaat, heeft bovendien voordelen. Het geeft de hedendaagse kunsten de geestelijke ruimte om zich op zichzelf te concentreren en de maatschappij van nieuwe zuurstof te voorzien. Zoals de literatuur zich met woorden zal moeten waarmaken, zal de beeldende kunst het met haar specifiek materiaal moeten doen. Er bestaan geen smoezen meer om zich achter goedkope anekdotiek te verbergen. De televisie houdt al dagelijks uitverkoop van simpele verhaaltjes. Het verzadigingsniveau van no-nonsense-fictie is zoetjesaan bereikt. De moderne kunst moet daardoor iets anders bieden: ze zal in deze profane en versplinterde wereld op eigen kracht nieuwe beelden en dus samenhang moeten creëren, waaraan de mens of sommige mensen zich kunnen optrekken en oriënteren. Ze zal nieuwe mythes, nieuwe visies moeten ontwikkelen. Dat maakt het allemaal zoveel moeilijker. De crisis in de beeldende kunst is dan ook niets om beschaamd over te zijn. De kruisbestuiving tussen de diverse kunsttakken is trouwens al bezig. Het is geen toeval dat het hedendaagse theater zo beeldend is, soms op een zeer letterlijke manier. Jan Fabre is er maar één voorbeeld van. Het is al evenmin toeval dat er meer dan ooit hoge verwachtingen worden gesteld in de fotografie en dat men niet langer tevreden is met een leuk realistisch plaatje. Nog minder toevallig is het dat de beelden waarmee de jeugd van vandaag zich identificeert en profileert niet zozeer door de televisie of film geleverd worden zoals ten tijde van de glorietijd van Hollywood, maar te vinden zijn op straat: op posters en affiches, in popmuziek en disco's, in de snel wisselende mode, in logo's, in imago's en in reclamespots, in de body-language van popsterren, in de hoopvolle mythes die Madonna, Prince of Michael Jackson van zichzelf ophangen. Ik wil de meisjes van dertien niet te eten geven die natte dromen hebben van Madonna lingerie.
Het is duidelijk: we worden meer dan ooit gebombardeerd door beelden. Tv-beelden vormen daar in al hun abundantie eigenlijk maar een minderheid van. De televisieknop kunnen we trouwens omdraaien, de beelden die we onbewust en ongewild op straat consumeren zijn er permanent. Het is des te erger dat er in het onderwijs niet aan beeldopvoeding wordt gedaan. Dat een kind moet leren lezen, wordt doodnormaal gevonden, maar dat ook beelden moeten worden gespeld komt in niemands hoofd op. Toch zitten ook beelden vol ritme, rijm, structuur, nuanceringen, verwijzingen, grappige wendingen, kortom, grammatische regels. Wie de grammatica van een taal niet kent, kan ze niet spreken. De ondergangsprofeten mogen dan al zeuren over het nieuwe of secundaire analfabetisme, ze zijn zelf visueel analfabeet en gaan er nog prat op ook. Ronald Soetaert en Guy van Belle hebben er in hun artikel Schermen met geletterdheid terecht op gewezen dat de audiovisuele media (waartoe ze ook de computer rekenen) de aard en de inhoud van het begrip geletterdheid zelf hebben veranderd. Ook films en tv-programma's maken een wezenlijk onderdeel uit van hedendaagse geletterheid. De hedendaagse 'lettré' moet in staat zijn ook beeld­citaten te herkennen. De auteurs pleiten er dan ook voor om de tegenstelling woord-cultuur-beeldcultuur te overbruggen. 'Het kan niet de bedoeling zijn de menselijke intelligentie op te splitsen in een aantal contrasterende paren: woord versus beeld, boekdrukkunst versus elektronische tekst, statisch-dynamisch, ouderwets-modern, enzovoort. De uitdaging bestaat erin de sterke kanten van beide polen of denkstijlen met elkaar te verbinden. Precies het scherm creëert mogelijkheden om het verbale - geschreven en gesproken woord - en het audio-visuele samen te brengen.' Voor het onderwijs is dit nog braakliggend terrein. Hoe kun je aan filmregisseurs hoge eisen stellen, als het grote publiek alleen maar de beeldtaal van Buren of een Urbanus-film begrijpt? De kwaliteit van tv-programma's kan en zal nooit stijgen, als de kijker niet tot kijken opgevoed wordt en niet het Aap Noot Mies van de beeld­taal aangeleerd wordt, en dat gebeurt alsnog te weinig.
Eigenlijk is niet het woord verdoemd, maar het audiovisuele beeld. Het wordt niet au sérieux genomen, maar met alle zonden van Israël beladen. De slechtheid van het beeld is ons al als kind bij elk nieuw stripverhaal opnieuw ingepeperd. Johan De Vos, directeur van de Academie in Sint Niklaas, heeft overschot van gelijk toen hij in De Morgen schreef: 'Aan de basis ligt een minachting voor het beeld. Leerlingen die naar films en prentjes kijken, zijn lui, dom en zelfs zondig. Een foto, film of prent is niet veel meer dan illustratie, versiering, de woorden zijn het belangrijkste. Woorden zijn hetgeen men hoort te leren. Woorden, moeilijke woorden, en veel woorden liefst. Beelden daarentegen zijn als goedkope hoeren, je hoeft er geen respekt voor te hebben, je mag er mee doen wat je wil. En je kan er ziek van worden. Zo komt het dat mensen de enigszins meer betekenisvolle beelden niet begrijpen, negeren en wellustig naar Walter Capiau kijken. Ze doen het zonder kritiek. Beelden zijn maar beelden. Ze hebben geen status, je kan ermee lachen, of erbij in slaap vallen.'


© Leo de Haes