Beeld en verval

In mijn boek Het doemdenken voorbij waarschuwde ik al tegen de gemakzuchtige ondergangsfilosofietjes die ervan uitgaan dat televisie en videoclips de mensen in het verderf storten. Het is oude wijn in nieuwe zakken. Umberto Eco heeft er, zoals ik eerder heb uiteengezet, prachtig over geschreven in De Naam van de Roos. Net zoals de moraalridders destijds in de uitvinding van de boekdrukkunst het werk van de duivel zagen, zo staan er nu weer filisters op die alle onheil aan de televisie toeschrijven. Het is hetzelfde soort betuttelaars dat vroeger Lady Chatterley's Lover, La Divina Commedia, De lof der Zotheid, Les misérables en Ulysses censureerden of verboden, of in de Vlaamse literatuur de lectuur van Houtekiet, Joachim van Babylon en De Metsiers aan banden wilden leggen. Zelfs de jeugdavonturen van Pietje Bell werden destijds veroordeeld als 'je reinste prikkellectuur'.
Romans, poëzie maar ook schilderijen en beeldhouwwerken moesten in de ogen van de culturele monopoliehouders de ene en ware moraal uitdragen. Leo Tolstoj was niet de enige die vond dat je beter alle kunst kon vernietigen, dan één cultuurprodukt behouden dat niet strookte met de christelijke leer. Op zijn manier was hij tegen wat de nazi's later Entartete Kunst zouden noemen. Hij keerde zich tegen Baudelaire en Verlaine, Manet en Monet, Wagner en Liszt, zelfs tegen Bach en Goethe. Ook Johan Huizinga hanteerde morele categorieën. 'Cultuur moet metaphysisch gericht zijn, of ze zal niet zijn.' Hij veroordeelde op basis daarvan moderne poëzie, radio ('een regressie naar een ondoelmatiger vorm van gedachtenoverbrenging') en film. Wat de beeldende kunst betreft, vond Huizinga dat het impressionisme de weg had geopend voor 'voor de burleske afwisseling van door reclame opgezweepte mode-excessen.' Hij verketterde het werk van Odilon Redon, Goya en dat van eigentijdse kunstenaars als Kandinsky, Mondriaan en Chagall. En dat allemaal omdat de kunst zich verwijderde van de rede en de natuur. Het waren voor Huizinga even veel uitingen van 'verwording van het intellectueel bewustzijn', 'verzwakt denkvermogen' en 'verval der morele normen'.
Ik haal Tolstoj en Huizinga niet aan om er de spot mee te drijven, dat zou al te gemakkelijk zijn, maar om op iets essentieels te wijzen, namelijk de eeuwige angst dat verandering van de (beeld)taal verval betekent. Telkens weer blijken conservatieven - volgens Huizinga moet cultuur conservatief zijn! - bang te zijn voor de macht van het nieuwe, of het nu nieuwe woorden zijn, nieuwe mentale beelden of een nieuw soort beelden zoals het audiovisuele. Nauwkeuriger gezegd, ze zijn bang voor het oncontroleerbare ervan. Wat de historicus Eric Defoort in zijn toespraak naar aanleiding van het vijfentwintigjarig bestaan van de VUNB (nu intussen Vlaamse uitgeversvereniging) over het woord zei, geldt dus mutatis mutandis ook voor het audiovisuele beeld: 'De macht van het woord wordt bepaald door wie spreekt tot wie. Hoe zit het met die tweede wie, met de lezers? Ook daar is de macht omnipresent. Alleen weet men nooit wat die woorden er zullen doen en daarom is de macht van woorden binnen het deel van het zogenaamde tekstuele veld dat door de lezers wordt bezet voor velen de meest angstaanjagende. Ze roept beelden op van dreiging, van chaos. De woorden komen immers niet terecht bij de "luisteraar", de "lezer" omdat die niet bestaan. Er zijn alleen luisteraars en lezers in een eindeloze verscheidenheid binnen verschillende periodes, met verschillende intellectuele bagage, in verschillende sociaal-economische situaties, in verschillende cultuursferen. Een en het zelfde woord doet dan ook heel uiteenlopende niet te voorziene zaken... Men kan het oncontroleerbare en daarom angstaanjagende doen van het woord bij de lezers langs een omweg proberen tegen te gaan door een inperking van het lezersbestand aan de hand van uitsluitingen. Het totaal gebrek aan enthousiasme bij de overgrote meerderheid van de zowel liberaal laïcistische als katholieke negentiende-eeuwse burgerij om het analfabetisme terug te dringen roept uiteraard om sociaal-economische verklaringen, maar ook om cultuurhistorische waaronder de angst voor de macht van het woord, voor wat het woord wel kan doen in brede bevolkingslagen. Als vanaf het einde van de 19de en in de loop van de 20ste eeuw dat uitsluitingsmecanisme door de democratisering van de mogelijkheden tot cultuurbeleving almaar minder werkt, dan proberen opvoeders-waakhonden allerhande ideologische en morele dammen op te werpen in de machtige woordenstroom die in de richting van een onoverzichtelijk gegroeid lezersbestand loopt. In een mateloze al dan niet goed bedoelde arrogantie die moeilijk hun diepe angst voor het woord verbergt roepen die angstigen zich uit tot kampioenen van het "goede woord", of van het "vrije woord", en slaan ze elkaar - tot daaraan toe - maar vooral de lezers rond de oren in de hoop dat die doof worden voor een aantal woorden.' Vervang in deze passage 'woord' telkens door 'beeld', en je hebt een prima beschrijving van de weerzin die de audiovisuele massamedia oproepen.
Dat wil niet zeggen dat er niets aan de hand is met de beeldindustrie. Integendeel. Het is de paradox van de tweede helft van de 20ste eeuw dat een medium dat uitgerekend met beelden werkt nauwelijks aan de creatie van beelden toekomt. Typisch in dat opzicht is de Golfoorlog. De pers (sic!) heeft ons doen geloven dat het de allereerste oorlog uit de geschiedenis was die door de televisie live werd uitgezonden. Resultaat: we hebben niets gezien. We weten trouwens nog altijd niet hoe groot en vreselijk de schade is die Irak werd toegebracht. We ontberen elk mentaal beeld van deze oorlog, iets wat we wel hebben van de oorlog in Vietnam - vraag het de Amerikanen maar - of van de eerste en de tweede wereldoorlog.
Dat de beeldindustrie zich weinig inlaat met zingevende beeldcreatie heeft ongetwijfeld te maken met de inzet van de grote financiële middelen, investeringen die snel moeten worden terugverdiend, bij voorkeur met winst. In tegenstelling tot literatuur, theater, opera, dans, fotografie, muziek of beeldende kunst - laten we eerlijk wezen: een aangelegenheid van kleine groepjes geïnteresseerden - richt de zogenaamde beeldcultuur zich noodgedwongen en rücksichtlos op de massa, met alle gevolgen van dien. Maar is dit erg? Volgens mij niet. Op sommige momenten vervult de televisie best zijn functie van eye-opener, omdat het beelden uit de werkelijkheid opraapt die ons niet ongevoelig laten. Overgetelijk en indringend, helaas moet ik zeggen, was bijvoorbeeld de ondergang van Olmayra Sanchez, het dertienjarige meisje dat enkele jaren terug in Columbia na een vulkaanuitbarsting reddeloos in de modder gezogen werd, haar handen vastgeklampt aan een autobinnenband. Dat beeld was en is even krachtig als Shakespeares vers 'to be or not to be'. Dat beeld heeft het overleefd zoals we ook de stervende kinderen uit Somalië, de beelden over de Ruandese vluchtelingen of de naakte wezen in Roemenië altijd met ons mee zullen dragen. Of de beangstigende stiltes van De Laatste getuigen, een tv-serie van VTM.


© Leo de Haes