Beeld en literatuur

Met welke middelen kunstenaars een beeld oproepen, doet er in wezen weinig toe. Mozart staat voor een andere wereld dan Beethoven, Pierre Boulez, Miles Davis, U2 of Elvis Castello. Ik zou hier talloze pagina's uit de wereldliteratuur kunnen citeren die dezelfde beeldende kracht hebben als een schilderij of sculptuur, want ook schrijven is tenslotte beelden houwen, maar dan met woorden. Laat ik me beperken tot één passage uit de roman Gekortwiekt van een van mijn hedendaagse lievelingsschrijvers, Bohumil Hrabal. Geen camera kan wat deze Tsjechische schrijver, die graag uit volksvertellingen put, doet. Hij beschrijft dermate licht, snel, exact en zichtbaar (om maar eens een paar literaire waarden te noemen die de literatuur, aldus Italo Calvino, de eerste duizend jaar moet proberen in ere te houden) de haardos van het hoofdpersonage dat het haar zelf haast de hoofdpersoon wordt. Het haar staat bovendien symbool voor het ontembare zinnelijk-grillige karakter van het meisje. Op het eind van het boek zal het tot dan toe ontembare meisje trouwens 'gekortwiekt' worden. Het is misschien een wat uitvoerig citaat, maar het loont meer dan de moeite: 'Bod'a Cervinka deed altijd zijn uiterste best wanneer hij mijn haar deed. Hij zei vaak, dit haar, dat is een overblijfsel uit de goede oude tijd, zulk haar heb ik nog nooit onder mijn kam gehad. Wanneer Bod'a dat haar van me uitkamde, dan was het of hij twee fakkels in zijn hand had aangestoken, in de spiegels en kommetjes en karaffen stond mijn haar in lichterlaaie en ik moest erkennen dat Bod'a gelijk had. Nooit zag ik mijn haar zo in volle pracht als bij Bod'a in de kapperszaak, wanneer hij het in een aftreksel van kamille had gespoeld dat ikzelf gebrouwen had en in een keteltje meegenomen. En zolang mijn haar nat was, kon je nooit zeggen wat het zou gaan doen als het droog was; zodra het begon te drogen, was het of er in die vloedgolven van haar duizenden gouden bijtjes werden geboren, duizenden vuurvliegjes, of er duizenden barnsteenkristalletjes in knisperden. En toen Bod'a voor de eerste keer zijn kam door mijn manen haalde, knisperde het erin en sproeide dat haar vonken en bolde op en groeide en ziedde het zo dat Bod'a erbij moest neerknielen, alsof hij de staarten van twee naast elkaar staande hengsten aan het roskammen was. En in zijn zaak ging dan het licht aan, fietsers stapten van hun rijwielen en drukten hun gezichten tegen de etalageruit om zich ervan te vergewissen en er een verklaring voor te zoeken wat hun blik zo getrokken had. En Bod'a zelf was in de zevende hemel door mijn haar en om niet gestoord te worden deed hij de zaak altijd op slot, elk moment snoof hij even aan me en wanneer hij klaar was met kammen, slaakte hij een zoete zucht en pas dan bond hij het haar naar zijn eigen smaak bijeen, waarbij ik hem volledig vertrouwde, de ene keer deed hij dat met een lila, de andere met een groen, dan weer met een rood of blauw lint, net of mijn haar een onderdeel vormde van een katholiek ritueel of van katholieke hoogtijdagen. Daarna deed hij de zaak weer open, reed mijn rijwiel voor, hing het keteltje aan het stuur en hielp me hoffelijk op het zadel. Dan was er al een volksoploop voor de zaak en iedereen staarde naar die naar kamille geurende haardos. Wanneer ik op de pedalen trapte, holde meneer Bod'a nog een eindje met me mee en hield mijn haar omhoog om te voorkomen dat het tussen de ketting of spaken zou raken. En als ik voldoende vaart had gemaakt, dan gooide meneer Bod'a de punt van mijn kapsel in de lucht, zoals je een sterretje of een vlieger opgooit, en hijgend liep hij naar zijn zaak terug:en ik fietste flink door en mijn haar wapperde achter me aan, ik hoorde het knisperen, zoals wanneer je zout fijnwrijft of zijde kreukelt, of zoals regen zich langs een golfplatendak wegrept of zoals Wiener schnitzels in de pan liggen te spetteren, zo wapperde die haarfakkel achter me aan, zoals wanneer jongens aan de vooravond van het meifeest met aangestoken pekbezems her en der rennen of heksen verbranden, zo wapperde die rookpluim van haar achter me aan. En de mensen hielden stil en ik was helemaal niet verbaasd dat zij zich niet los konden rukken van dat wapperende haar dat hen als een lichtreclame tegemoet kwam rijden. En ook mij deed het goed toen ik zag dat ik gezien werd, het lege keteltje van de kamille rinkelde aan mijn stuur en de luchtstroom kamde mijn haar strak achterover...'
Deze passage bevat een 'zichtbaarheid' die alleen literatuur kan bereiken. Je ziet als lezer het haar van het meisje als het ware voor je ogen dansen. Deze passage blinkt uit door wat literatuurcritici 'beeldspraak' en 'beeldende taal' noemen. Tegenwoordig zegt men liever dat een auteur filmisch schrijft. Het citaat lijkt inderdaad een ongemeen grote filmische directheid te bezitten, maar het is een scêne die alleen met woorden kan worden gevisualiseerd. Ik wil de tv-regisseur kennen die dit tafereel met dezelfde visuele kracht en erotische geladenheid op pellicule kan toveren als het effect dat Bohumil Hrabal met simpele zinnen bereikt. Italo Calvino stelt, en samen met hem zoveel andere mensen, in zijn Zes memo's voor het volgende millennium dan ook ten onrechte de bange vraag: 'Zal het vermogen om beelden in absentia op te roepen zich blijven ontwikkelen in een mensheid die steeds meer overspoeld wordt door een vloedgolf van geprefabriceerde beelden?' Het antwoord is volgens mij duidelijk ja, tenminste als de literatuur blijft doen wat alleen literatuur vermag. Of zoals Milan Kundera het in zijn essay De kunst van de roman heeft geformuleerd: de enige bestaansreden van de roman is, te zeggen wat alleen een roman kan zeggen. Milan Kundera schrijft ook bewust op die manier, met het gevolg dat de verfilming van zijn boek De ondraaglijke lichtheid van het bestaan slechts een bleke afschaduwing is van de rijkdom van die roman. Daarmee raak ik al meteen een eerste zwakte van de zogenaamde beeldcultuur. Ze is vaak minder beeldend dan andere kunsten. Precies omdat ze die beeldende kracht van het audiovisuele beeld nog niet helemaal veroverd hebben of willen exploiteren, grijpen filmregisseurs nog te vaak naar de verfilming van romans en verhalen, met het gevolg dat iedereen wat gefrustreerd achter blijft: de auteur, de lezers, de regisseur, de kijkers. Het gebruik en het verder ontwikkelen van een eigen beeldtaal is precies de kracht van de literatuur. Als de literatuur (of de beeldende kunst) haar eigen specifieke middelen blijft exploreren en exploiteren, zal ze, ondanks of misschien wel dank zij de abondante beeldstroom van de massa­media, overleven. Alle goede literatuur (of beeldende kunst) doet je de werkelijkheid met andere ogen bekijken, al is het maar voor eventjes. Ook vandaag, dat wordt wel eens vergeten, wordt nog steeds uitstekende en oorspronkelijke literatuur geschreven, literair met een inventief beeldend vermogen, van Ismail Kadare tot David Grossman, van Nagieb Mahfoez tot Geörgy Konrad, van Etienne van Heerden tot Toni Morrison. Als er al iets te betreuren is, dan is het dat zovele andere auteurs, zonder meer de meerderheid zelfs, er niet in slagen met taal oorspronkelijke beelden te creëren. Ze zijn gedoemd tot het maken van pulp of veredeld divertissement, al zullen ze zelf de laatsten zijn om dat toe te geven, gesteld dat ze het al inzien. In het literare milieu is het bon ton om meewarig te doen over het succes van bestsellerauteurs als Robert Ludlum, Stephen King of John Grisham, maar de meeste 'literaire' auteurs halen zelfs niet eens dat ambachtelijke niveau. Ik zou het niet beter kunnen formuleren dan Milan Kundera in zijn jongste boek Verraden testamenten : 'Het grootste deel van de tegenwoordige romanproduktie bestaat uit romans die buiten de geschiedenis van de roman staan: bekentenissen in romanvorm, reportages in romanvorm, afrekeningen in romanvorm, autobiografieën in romanvorm, indiscreties in romanvorm, aanklachten in romanvorm, politieke lessen in romanvorm, echtgenotenleed, vaderleed, moederleed in romanvorm, ontmaagdingen in romanvorm, bevallingen in romanvorm, romans ad infinitum, tot het einde der tijden, die niets nieuws uitdrukken, geen enkele esthetische ambitie hebben, geen enkele verandering aanbrengen, noch in ons begrip van de mens, noch in de vorm van de roman, romans die op elkaar lijken, die 's morgens volkomen verteerbaar zijn en 's avonds volkomen wegwerpbaar.' Ik ben het over die overvloed aan overbodige literatuur volledig eens. Alleen: voor Kundera is die onnutte romanproduktie een probleem, terwijl het probleem is dat er geen probleem is. Want wat is daar op tegen? Het schaadt niets of niemand.
Maar terug naar ons uitgangspunt: in tegenstelling tot wat we dezer dagen over het algemeen aannemen, hoort ook de zogenaamde woordcultuur tot de beeldcultuur, want de woordcultuur genereert immers net zo goed voortdurend beelden als de andere kunsten, tenminste in het beste geval. Het verdriet van België van Hugo Claus creëert bijvoorbeeld niet alleen als roman maar ook als titel een waarheid die ons denken en kijken zoal niet direct dan toch onderhuids beïnvloedt. Het voedt een van de vele mythes waar Vlamigen zich aan laven of zich tegen verzetten, zoals de strikt subjectieve visie van Jeroen Brouwers op de Japanse kampen in Nederlandse breinen gesijpeld is, ondanks het geargumenteerde verweer van Rudy Kousbroek tegen het beeld dat Brouwers ophangt. Literatuur werkt als sluipend gif. Ik kan het niet 'beeldender' vertellen dan met een anekdote. Ik liep eens met fotograaf Herman Selleslags langs het Zand in Antwerpen. In een somber, onverlicht café zaten drie droevige Aziatische figuren om een tafeltje met lege glazen. 'Kijk,' zei Selleslags, 'dit is helemaal Het Dwaallicht van Willem Elsschot.' Hij nam er meteen een foto van, maar achteraf bleek het mentale, literaire beeld van Elsschots proza overtuigender dan wat het camera-oog had geregistreerd. Zo kijken we voortdurend naar de werkelijkheid via een culturele bril.
Ook titels van boeken kunnen op zich beelden oproepen, en als uitgever voeg ik er aan toe: titels zouden beelden moeten oproepen. Goede voorbeelden zijn Arm Vlaanderen, Jozef Deleus De pleinvrees der kannuniken, Wit is altijd schoon van Leo Pleysier of De ondraaglijke lichtheid van het bestaan van Milan Kundera. Het zijn staande uitdrukkingen geworden en dus zijn ze in ons dagelijks taalgebruik en denken opgenomen. Ik kan me zelfs geen leven meer voorstellen waarin de titel van Kundera niet zou bestaan (al is het eeuwen mogelijk geweest). Deze titels hebben ons vocabulaire verrijkt, omdat ze in al hun gecomprimeerdheid iets wezenlijks uitdrukken, een grondgedachte waarvan we de waarheid aanvoelen. Maar niet alleen titels, ook afzonderlijke zinnen kunnen zo sprekend zijn dat het net is of ze ons de woorden uit de mond nemen. Ze zijn zo sprekend dat ze vanzelfsprekend zijn geworden. Ik denk aan Elsschots bekende regel 'Tussen woord en daad staan wetten in de weg en praktische bezwaren', aan 'Alles wat waarde heeft is weerloos' van Lucebert, aan het vers 'A thing of beauty is joy forever', of William Butler Yeats kernachtige samenvatting van het moderne gevoel 'Things fall apart; the center cannot hold, mere anarchy is loosed upon the world.'
Maar ook personages functioneren soms als dragers van beelden. Don Quichote, Sancho Panza, Oblomov, Pallieter, Houtekiet, Frits Egters, de gebroeders Karamazov, Madame Bovary, Cyrano de Bergerac, Don Carlos of zelfs Moby Dick, ze bevolken allemaal onze geest meer dan we vermoeden, en dan we willen toegeven. Als Shakespeare Hamlet niet had bedacht of Shylock, dan zouden we onszelf een stuk minder begrijpen. Zelfs historische figuren en hun ideeën kunnen tot beelden stollen die ons denken al dan niet bewust sturen. We hebben in ons hersenkronkels meer Darwin, Freud en Marx dan we ooit boeken van hen gelezen hebben. Op gevaar af te zwaarwichtig te worden, zou ik in dit verband toch nog even de filosoof Richard Rorty willen citeren, die uitgerekend meer heil verwacht van literatuur dan van filosofie. Hij heeft het in dit verband over het voortdurend 'her-schrijven' van onszelf door middel van romans, docudrama's en zelfs stripverhalen. 'Dit proces om andere mensen te leren zien als "een van ons" veeleer dan als "zij" is een zaak van gedetailleerd beschrijven van hoe onbekende mensen zijn en van opnieuw beschrijven hoe wij zijn. Dit is geen taak voor de theorie maar voor genres als de etnografie, het journalistiek verslag, de strip, het docudrama en, in het bijzonder, de roman. Romans als die van Dickens, Olive Schreider of Richard Wright geven ons details over soorten van lijden die verduurd moeten worden door mensen aan wie we vroeger geen aandacht schonken. Romans als die van Choderlos de Laclos, Henry James of Nabokov geven ons de details over tot wat voor wreedheid wij zelf in staat zijn, en doen ons aldus onzelf opnieuw beschrijven. Daarom hebben de roman, de film en het televisieprogramma langzaam maar zeker de preek en de verhandeling vervangen als de voornaamste dragers van morele verandering en vooruitgang.'


© Leo de Haes