|
Kunst en beeld
Een steeds terugkerend beeld in onze westerse kunst, een heuse sjabloon, is naast de gekruisigde Christus en God de Vader (en wereldse gebeurtenissen als de eed van de Horatiï bijvoorbeeld) lange tijd 'Madonna con bambino' geweest. Deze Madonna met kind was een erkenbaar referentiepunt voor alle tijdgenoten van de schilder. In het Uffizi hangen ze bij honderden. Hoe eender en ongeïnspireerd vele van deze Heilige Maria's vandaag ook geschilderd lijken, toch sijpelt in deze kunst de eigen visie van elke epoche door, of zo u wil de tijdgeest. Om maar één aspect te noemen: op vrijwel alle doeken uit het Uffizi zijn de kinderen onveranderlijk met een ouwelijk kopje afgebeeld. Kinderen vormden destijds duidelijk geen aparte leeftijdscategorie zoals nu, maar werden beschouwd als lilliput-uitvoeringen van volwassenen. Wat ik daarmee wil zeggen is dit: kunst laat niet alleen beelden zien, ze laat ook zien hoe we zien, hoe we ver-beeld-en en wat we ons in-beelden. Wie tussen al die Madonna's in het Uffizi plots geconfronteerd wordt met bijvoorbeeld de Geboorte van Venus of Primavera van Sandro Botticelli, stoot plots op een heel andere wereld. Een taalbreuk, een nieuw plastisch 'vocabulaire' eigenlijk, met meer oog voor gelaatsexpressie en een opvallend sierlijke en dynamische (bijna zinnelijke) lijnvoering bij het tekenen van lichamen. Deze doeken verkondigen zelfbewust een nieuwe tijd, het begin van de Renaissance, waarin ook Rafaël, Michelangelo en Leonardo Da Vinci groot zouden worden.
Dat soort taalbreuken in de kunst en in de wetenschap doet ons anders kijken, dwingt ons tot een nieuw zelf- en maatschappijbeeld. Hoe die nieuwe mentale beelden plots ontstaan is ongewis. Richard Rorty legt het vrij laconiek uit: 'Europa besliste niet om het idioom van de romantische poëzie te aanvaarden, of dat van de utopische politiek of dat van de mechanica van Galilei. Een dergelijke verandering was net zo min een wilsdaad als de uitkomst van een redenering. Het was eerder zo dat Europa geleidelijk de gewoonte kwijtraakte om bepaalde woorden te gebruiken en langzamerheid wende aan het gebruik van andere.' In het begin leiden nieuwe beelden, of het nu om materiële of mentale beelden gaat, meestal tot hevige rellen tussen conservatieven en vernieuwers. Die strijd uit zich in verschillende graden van agressiviteit: misprijzen, veroordelingen, censuur, boekverbranding, verbanning of gevangenisstraffen tot zelfs aanslagen of terdoodveroordelingen zoals in het geval van Salman Rushdie. Cultuur is een permanent gevecht om via beelden greep te krijgen op het bewustzijn van de mensen.
Edward W. Said legt in Cultuur en imperialisme duidelijk uit hoe het negatieve westerse beeld van het Oosten als een bizar mengsel van erotiek, samenzweerderigheid en raadselachtigheid een rol heeft gespeeld in de verovering en kolonisering van landen als Palestina en India door de Britten. Zelfs de werken van Kipling die in India geboren en getogen was en het land kende, ademen het superioriteitsgevoel van de blanke, en loven de beschavende rol van Groot-Brittanië in het verre Azië. Said laat via grondige analyses van meesterwerken van de literatuur (Flaubert, Conrad, Jane Austen, Dickens, T.S. Eliot...) zien, zonder ze esthetisch de doodsteek te geven, hoe deze romans en novellen de exclusief westerse waarden populariseerden en het beeld van de geheimzinnige, onbetrouwbare, corrupte oosterling alleen maar versterkten. Die eenzijdige kijk kan alleen maar doorbroken worden door de literaire produktie of de koloniale geschiedenis uit oost en west op elkaar te betrekken. Wie Jane Austen leest, moet ook Frantz Fanon en Amilcar Cabral lezen, aldus Edward W. Said. Intussen is die wederzijdse bevruchting, mede omdat Groot-Brittanië zijn economische en culturele hegemonie verloren heeft, in volle openheid aan de gang. Derde Wereld-auteurs als V.S. Naipaul, James Ngugi (met zijn analyse van Heart of Darkness van Joseph Conrad) en Tayib Salih schrijven terug aan het koloniale moederland, of geven vanuit Londen hun eigen visie vanuit een multicultureel perspectief: Hanif Kureishi, Salman Rushdie en Romesh Gunesekera. Het is een tegen-gebaar, een artistieke poging om zowel het zelfbeeld als de machtsverhoudingen bij te stellen. Om die eeuwige strijd gaat het, of hij nu politiek, cultureel of religieus is, of alledrie te gelijk. Wie het heersende maatschappijbeeld niet kan vasthouden of weet te veroveren, verliest de macht. Primitieve stammen hebben altijd hun eigen totems opgericht en die tot bloedens toe verdedigd. En in het westen werd elke revolutie begeleid door een beeldenstorm (zoals staatsgrepen vandaag beginnen met het bezetten van radio- en tv-stations).
Ik ben me ervan bewust dat ik in dezen het woord beeld in een dubbele betekenis gebruik, als materieel beeld én als mentaal beeld. Maar ik doe dat met opzet, omdat ze, hoewel ze niet, samenvallen, indringend op elkaar inwerken. Het mentale beeld dat we van Christus hebben is voor een groot stuk gebaseerd op de afbeeldingen ervan, net zoals we Boeddha en het Boeddhisme hoofdzakelijk via de bekende kale, glimlachende, wat vlezige figuur kennen. De kunsten krijgen dus ook greep op ons. Bezoek de Mont Sainte-Victoire in Zuid-Frankrijk en probeer maar eens onbevangen naar die berg te kijken. Het zal niet lukken want het impressionistische beeld dat Cézanne er meer dan eens van geschilderd heeft, schuift onvermijdelijk voor onze blik. Hetzelfde kan gezegd worden over De Zonnebloemen of De aardappeleters van Van Gogh. En kunnen we ons nog een boer voor de geest halen zonder de schonkige figuren van Permeke in gedachten? Zelfs als we naar een lichaam kijken, loeren Rubens, Schiele, Francis Bacon, Lucian Freud of Jean Rustin onbewust over onze schouders mee. Ons beeld van de werkelijkheid wordt samengesteld door ontelbare andere beelden, waarvan vele van artistieke oorsprong zijn. Net als de wetenschap doet kunst ons de werkelijkheid beter begrijpen. Ze voegt iets toe aan de werkelijkheid, of beter gezegd aan onze kennis van die werkelijkheid. In belangrijke kunstwerken zit, op een onverklaarbare manier haast, een essentie die we allemaal erkennen en onmiddellijk aanvoelen en die niet meer van ons netvlies weg te branden is. Het zijn beelden die beklijven. Ik ben persoonlijk nooit zo kapot geweest van Guernica, het wereldberoemde schilderij van Pablo Picasso, - wel van de tientallen ontwerpen en schetsen die tot het doek hebben geleid en die ik eens bij een overzichtstentoonstelling in New York heb mogen bewonderen-, maar ik zal het doek altijd blijven verdedigen omdat het een gruwelijk moment uit onze geschiedenis vasthoudt en voorhoudt. Het is dé icoon van de Spaanse burgeroorlog. De Guernica concentreert een dramatisch gebeuren in één complex en onuitputtelijk beeld, zoals Géricault dat bijvoorbeeld deed, en in mijn ogen op een overtuigender manier, met zijn doek De ondergang van de Medusa, een doek dat zo krachtig is dat het meteen het begin van de romantiek inluidde.
© Leo de Haes
|
|