|
Religie en beeld
Dat betekent niet dat de houding tegenover beelden, afbeeldingen of uitbeeldingen niet vaak tweeslachtig is (geweest). We kennen allemaal wel de verhaaltjes over primitieve stammen die niet willen gefotografeerd worden uit vrees hun anima of ziel te verliezen of de praktijken waarbij totems of andere idolen die de vijand verbeelden, met puntige voorwerpen worden bewerkt om de tegenstander denkbeeldig te treffen. Beelden zijn zowel het symbool van het goede als van het kwade. Zelf hebben we meestal een foto van de geliefde op zak, en velen verscheuren hem zodra de relatie stuk loopt. Sommige mensen worden zelfs niet graag gefotografeerd, ze zijn bang voor de confrontatie. Foto's beïnvloeden immers ons zelf-beeld. Ze doen het geweld aan, omdat het de geportretteerden tot objecten maakt. Het laat mensen zichzelf zien, om met Susan Sontag te spreken, op een manier zoals ze zichzelf nooit zien. Dat geldt niet alleen voor het individu, maar ook voor een maatschappij of godsdienst. Zo is de hele westerse geschiedenis een permanent gevecht tussen beeldvriendelijkheid en iconoclasme. In de Oude Testament worden afbeeldingen van God, andere goden en 'enig ander wezen boven in de hemel, beneden op aarde of in de wateren onder de aarde ' zwaar veroordeeld. De aanbidding van het Gouden Kalf, gemaakt van de gouden ringen van de mensen, was dan ook een dieptepunt in het geloofsleven van het uitverkoren volk. De joden zijn sindsdien vrij afkerig blijven staan tegenover realistische afbeeldingen. In synagoges vind je doorgaans alleen maar joodse symbolen, die plat (twee-dimensionaal) zijn vormgegeven. In het katholicisme, eveneens een godsdienst die principieel tegen afbeeldingen was, heeft de beeldvriendelijkheid het langzaam maar zeker gehaald. Augustus was nog tegen afbeeldingen maar daar werd iets op gevonden. God werd indirect voorgesteld, als een lam of als een hand die uit de hemel reikt. Nadien mocht ook de Christusfiguur worden uitgebeeld. Volgens Daniel Boorstin aan wie ik hier enkele gegevens ontleen, werd van sommige beelden geloofd dat ze niet met de hand waren vervaardigd, maar rechtstreeks door God zelf gemaakt. Later werden afbeeldingen steeds meer gezien als een didactisch middel, als 'boeken voor ongeletterden'. Toch was er nog een forse terugval in de achtste eeuw toen in Constantinopel en het Byzantijnse rijk een heuse jacht op beelden werd georganiseerd. 'Priesters werden terechtgesteld op niet meer dan de verdenking van beeldenverering, en het janhagel van Constantinopel ging zich aan lynchpartijen te buiten.' Gelukkig verloren de iconoclasten de strijd, met alle positieve gevolgen voor de beeldende kunsten. Hoe had de westerse kunst er uitgezien, hadden de beeldenstormers gewonnen? Een idee krijgen we als we kale protestantse kerken binnenstappen. In het protestantisme geldt nog altijd in grote mate nog een beeld- en zelfs film-verbod. Die huiver en argwaan jegens het beeld gaat terug op de Reformatie in de zestiende eeuw. Ook toen werden weer massaal beelden vernietigd. Het geloof moest immers weer zuiver en steil in de leer worden. Ook de islam is van in den beginne tegen de afbeelding van de Profeet geweest. Dat verbod op beelden geldt nog altijd. Het gevolg is dat islamitische kunstenaars hun plastische talent opvallend weinig in de schilderkunst en beeldhouwwerken hebben geïnvesteerd, maar in meer grafische takken, de kalligrafie bijvoorbeeld. In tegenstelling tot in het katholicisme vormt de bloei van de beeldende kunsten 'een maat voor de bereidheid van moslimleiders de principes van hun godsdienst op de proef te stellen.' (Daniel Boorstin). Kortom, een vijandige houding tegenover het beeld als beeld is niet nieuw, het loopt als een rode draad doorheen de westerse geschiedenis, van Altamira tot heden.
![]()
|