3. Beeld en cultuur

'Als de vraag werd gesteld: Zou het wenselijk zijn voor onze christenwereld beroofd te worden van alles wat nu voor kunst wordt gehouden, en tegelijk met het slechte ook te verliezen alles wat er goeds in is?, ik geloof, dat dan elk redelijk en zedelijk mens wederom deze vraag zou oplossen zoals zij is opgelost door Plato in zijn Republiek en zoals alle christelijke kerkleraren en mohammedaanse voorgangers der mensheid haar hebben opgelost. Zij zouden zeggen: "Laat er liever in 't geheel geen kunst zijn dan de verderfelijke kunst, of schijn van kunst, te behouden die er nu bestaat."'

Leo Tolstoj

Beeld en cultuur

In de vorige twee hoofdstukken heb ik stil gestaan bij zowel een aantal virulent woekerende clichés met betrekking tot de massacultuur als bij de diverse en complexe problemen van de elitecultuur, die grotendeels bestaan los van de amusementsindustrie. De oorlog die tussen die twee losgebarsten is, is gebaseerd op een misverstand. Dat bleek al uit het vorige hoofdstuk en ik hoop dat in dit hoofdstuk nog duidelijker te maken. Ik neem hierin meer speciaal het begrip beeldcultuur zelf onder de loepe. Daar zijn een aantal redenen voor. De term beeldcultuur wordt tegenwoordig te pas en onpas gebruikt en hij wordt doorgaans eenzijdig afgezet tegenover de woord­cultuur. Hoewel beeldcultuur een nog piepjonge term is, is het begrip al zo ingeburgerd dat niemand er meer bij stilstaat. Toch is de term lukraak of liever ongelukkig gekozen. Wie de moeite neemt de twee woorddelen tegen elkaar af te wegen, kan niet anders dan vaststellen dat 'beeldcultuur' een tautologie is. Immers, cultuur en beeld dekken elkaar. Zonder beeld, zeg maar zonder verbeeld-ing, is cultuur niet mogelijk. Cultuur is beeld, of het nu een mentaal beeld is of een dat met woor­den, verf, klanken, hout, marmer, fotopapier of videotape of welk materiaal ook gerealiseerd wordt. De allereerste culturele produkten die ons van de mens zijn overgeleverd, uit het paleolithicum als ik me niet vergis, zijn niet toevallig beelden of preciezer: afbeeldingen. Ik bedoel de grotschilderingen van Altamira en Lascaux. De betekenis van deze werken ligt niet zozeer op het esthetische vlak, want op dat punt blijven het simpele decoraties (die zoals enkele jaren geleden in Zuid-Frankrijk gebleken is gemakkelijk door een jonge beunhaas-archeoloog kunnen worden geïmiteerd). Hun betekenis ligt in de existentiële aandrift waarmee ze gemaakt zijn: als heiliging, als bezwering, als magische formule, als vooraf­beelding van een geslaagde jacht, als rituele poging om greep te krijgen op de chaos en de demonen van het leven. En op de natuur, kortom, alle kenmerken die Susan Sontag ook de recreatieve fotografie toekent. De grotschilderingen bewijzen niet alleen dat er in het paleolithicum bewust creatieve individuen bestonden, maar ze wijzen ook op een collectieve viering van een magische ritus.
Maar er is meer. Wat de bizon van Altamira in wezen onthult is volgende diepe waarheid: geen mens kan zonder beelden, ook niet de primitieve mens, zoals de talloze mythes, rituele handelingen en kunstuitingen uit andere culturen dan de onze aantonen.


© Leo de Haes