Apocalyps

Tot slot wil ik even stilstaan bij het begrip apocalyps, deze kernmetafoor van het christendom en dus van onze hele westerse cultuur. Verval en ondergang, en de vrees daarvoor, horen bij de Europese cultuur als een kip bij een ei. De gedachte aan mogelijk verval beheerst eigenlijk al vanaf de ondergang van het Romeinse Rijk het onderbewustzijn van het Westen. Misschien komt dat wel omdat het christendom als nieuwe godsdienst mee aan de basis lag van de ondergang van het Romeinse Rijk. Het stelde zijn eigen Groot Verhaal van Eén God en het Ene Ware Boek offensief tegenover de mythes, goden en helden van de Romeinen. Hoe dan ook, het denken van westerlingen is van deze angst zo diep doordrongen, dat de ondergangsgedachte alom aanwezig is: ze voedt niet alleen het katholicisme, het calvinisme en allerhande afgeleide religieuze sekten - Jehova's Getuigen hebben de voorspelling van de ondergang van de wereld zelfs tot een dogma gemaakt - maar ze duikt ook op bij heel wat oude en moderne invloedrijke filosofen, al dan niet vermomd als ineenstorting van het kapitalisme, opstand der horden, verval van de waarden, ondergang van het Avondland, de postcultuur, de tijd van de epiloog, enzovoort. De ondergangsgedachte leeft bovendien, al dan niet produktief, voort in de geestelijke basis van onze cultuur: in literatuur (van de Bijbel tot Aldous Huxley, van de Edda tot George Orwell), film, als bijgeloof, als mythe, als charlatanisme, als maatschappelijke nachtmerrie, in economische/ecologische voorspellingen, in allerlei vormen van irrationalisme en onbewuste angsten (vooral door de burgerij gekoesterd). Maar er is ook een positieve kant aan: de idee van de apocalyps is tegelijk de keerzijde van het geloof in een mooiere en betere wereld, van een universele, onbetwistbare norm of om het in louter geloofstermen te zeggen, van het geloof in het Paradijs. Zoals elk volk zich via collectieve mythes een beeld heeft gecreëerd van zijn ontstaan, zo heeft de mens ook tegelijk zijn eigen einde verzonnen. In het westen overwint het goede daarbij definitief het kwade. De apocalyps is in dat opzicht een onontbeerlijk onderdeel van de christelijke utopie, en, uitgebreid, van alle utopieën die zo buitensporig onze Westerse samenlevingen hebben beïnvloed. Zoals gelovigen geen hemel zonder hel kunnen bevatten, zo is de verrijzenis van de lichamen pas mogelijk na de verwoestende komst van de apocalyptische ruiters. Geen genot zonder vernietiging. Kortom, de ondergangsgedachte wordt paradoxaal genoeg gedragen door een hang naar een volmaakte wereld. Ze gaf aanleiding tot utopieën als die van Christus, Campanella, Thomas Morus, Rousseau, Marx, Kropotkin, Frederik van Eeden en zovele anderen. Die utopieën werden geschraagd door de overtuiging dat redding uit het verval mogelijk is. In het christelijk geloof wordt de mens gered door een ingreep van God zelf, van bovenaf dus. Diezelfde neiging tot dictatoriaal ingrijpen tref je niet alleen aan bij revolutioniaren maar ook bij hedendaagse ondergangsfilosofen. Ze weten wat goed is voor anderen, en ze weten nog precieser hoe de verloedering van de wereld kan voorkomen worden. We weten intussen hoe desastreus de utopische projecten van sommige zieners en zoekers zijn afgelopen. Auschwitz en de Goelag Archipel zijn er maar twee onmenselijke voorbeelden van. Ook op cultureel vlak is voorzichtigheid de boodschap, want de advocaten van de dictatuur van de goede smaak, vergeten snel dat ze het woord dictatuur in de mond nemen, met alle gevolgen van dien. Het lijkt een simpele slogan, maar er schuilt een angstwekkende wereld achter, een wereld van betutteling, paternalisme, gebrek aan respect voor andere keuzes en dus van intolerantie. De dictatuur van de goede smaak staat ook haaks op de verworvenheden van de democratie, die alleen maar dank zij de massamedia tot volle ontwikkeling is kunnen komen, en waarvan de intellectuelen tot voor kort zelf massaal gebruik hebben gemaakt. Dat willen we wel eens vergeten. Bovendien: wat is goede smaak? Het verwijst naar bepaalde waarden maar waarden zijn niet eeuwig. Wie beweert dat we leven in een tijd van normvervaging, gaat uit van een zeer statisch maatschappijbeeld. Normen vervagen niet, ze veranderen voortdurend, omdat de maatschappij verandert, al was het maar door de nieuwe technologieën. Om het kernachtig te zeggen: je kunt geen snelweg door het Regenwoud trekken of landingsbanen in de jungle aanleggen, en verwachten dat de Indianen met pijl en boog blijven schieten. Dàt is de denkfout die mensen als Eric Van Rompuy en consoorten maken: ze willen wel een internationaal concurrerende en dus hoogtechnologische economie, ze doen zelfs alles om die de vrije ruimte te geven, maar tegelijk willen ze dat er een pretechnologische christelijk geïnspireerde cultuur dominant blijft met katholieke literatoren, katholieke beeldhouwers, katholieke componisten. Kortom, ze willen wel economisch vernieuwen, maar de culturele vernieuwing of verandering die er automatisch het gevolg van is gaan ze te lijf. Culturele vernieuwing is immers verloedering, verval. Dat soort Kulturkampf leidt alleen maar tot parmantige achterhoedegevechten. Parmantig, want de reactionaire roep naar oude waarden leeft in een conflictueuze relatie met de nieuwe samenleving. Precies die schizofrenie leidt tot veel verwarring en onzekerheid. De gevolgen ervan zijn bekend want, om met Marcel van Dam te spreken: `Het is nu eenmaal zo dat de meesten het ongemak van de status-quo verkiezen boven de onzekerheid van de verandering.'
Maar het probleem is ingewikkelder. De idee van verloedering en verval heeft zich ook vastgehecht aan een diep gefrustreerd Vooruitgangsgeloof. De Verlichting heeft even de droom gewekt dat vrije geëmanicpeerde individuen de wereld beter en rechtvaardiger zouden maken. Dat Vooruitgangsgeloof was zo krachtig dat het een groot aantal reële emancipatiebewegingen opgang heeft gebracht, waarvan sommige tot de dag van vandaag voortleven: het socialisme, het liberalisme, het communisme, de arbeidersbeweging, het nationalisme, de vrouwenbeweging, de homobeweging, Black is Beautiful, diverse jeugdculturen, allerhande culturele subculturen, de bevrijdingstheologie, de Derde Wereld-beweging, patiëntengroepen, enzovoort. Al deze bewegingen hebben de mondigheid en de autonomie van het individu vergroot, maar tegelijkertijd de mythes die aan de basis van onze cultuur liggen ontkracht en onttoverd, zoals ook de wetenschappen stelselmatig de natuur hebben gedemystifieerd. Door dat alles zijn het vroegere normatieve cultuurbegrip en de hiërarchie van vastgelegde waarden, die gokten op universaliteit, grondig aangevreten. Daardoor heeft tegelijk ook de intellectuele elite die dat cultuurbegrip vertegenwoordigde aan maatschappelijke invloed ingeboet. De Verlichting mag dan al zijn oorspronkelijke doel bereikt hebben - het ideaal van de zelfverwerkelijking van de mens -, ze heeft zich wel verkeken op de gevolgen ervan. Het gedrag van de meerderheid van die geëmancipeerde individuen lijkt weinig gedragen door de emancipatorische geest die de Verlichtingsdenkers inspireerde. Het geëmancipeerde individu kiest zogenaamd in grote getale voor hedonisme en platte consumptie. Of zoals Ton Lemaire het bitter stelt: 'De ironie van de moderne geschiedenis is immers dat Verlichting en Vooruitgang niet zozeer het autonome individu hebben voortgebracht, als wel een egoïstisch pseudo-individu dat vlucht voor de vrijheid.'
Het goede, het ware en het schone kan dat 'pseudo-individu' blijkbaar gestolen worden of is maar voor weinigen weggelegd. Je kunt dat betreuren, maar de middelen tot koerscorrectie zijn beperkt. Je kan niet tegelijk pleiten voor emancipatie én voor dwingelandij. Als je aanvaardt dat mensen mondige wezens zijn, moet je ze als dusdanig behandelen, ook al is het resultaat van hun mondigheid anders dan we graag hadden gezien. Je kunt het jezelf natuurlijk gemakkelijk maken en weer de karwats gebruiken, in de overtuiging dat jongeren, zoals Rudy Kousbroek het brutaal stelt, er niet zijn 'om iets aan uit te leggen, maar om dingen in hun koppen gestampt te krijgen. Wil men proberen om "een kunstpubliek te kweken", dan is er maar één ding dat men kan doen, en er verder het beste van hopen: ervoor zorgen dat kinderen, tegen de tijd dat zij de leeftijd van een jaar of zeventien hebben bereikt, grondig bekend zijn met wat er in onze cultuur te koop is... Geen uitleggerij waarom het mooi is, geen geleuter over wat de schilder heeft willen zeggen, alleen maar de zaken kennen, verder niets. De rest komt vanzelf wel - de aprreciatie, of de revolte, of Ajax.' Kortom, emancipatie en cultuurparticipatie door dwang. Ik betwijfel of dit (nog) de goede methode is. Misschien hebben we ons wel vergist. Misschien is het ideaal van de verlichte, autonome mens te hoog gegrepen en niet toepasbaar op het grote publiek en ligt daar de oorsprong van de kloof tussen massa- en elitecultuur. Bovendien: precies op dit snijpunt botsen de twee belangrijkste politieke levensbeschouwingen die uit de Verlichting zijn voortgekomen: de liberale en de sociaal-democratische (of socialistische). De eerste vindt dat de overheid de burger zo weinig mogelijk moet lastig vallen en hem, zeker op cultureel vlak, alle keuzemogelijkheden moet gunnen die er zijn, ook die van de massacultuur dus. Als dat tot passiviteit leidt, tant pis. Die houding wordt, in het filosofisch jargon van Isaiah Berlin, de negatieve vrijheid genoemd. De socialistische visie is militanter, bevoogdender ook. Ze komt veeleer op voor de positieve vrijheid van het individu, dat is het vermogen van de mens om zo zelfstandig mogelijk het eigen leven te bepalen. Dat vermogen is voor sociaal-democraten geen natuurlijk gegeven, men moet dat aanscherpen door opvoeding, studie, permanente vorming, een brede ontwikkeling, aanleg en de bereidheid om het lot dagelijks in eigen handen te nemen. De Nederlandse filosoof Hans Blokland noemt de keuze tussen de negatieve en positieve vrijheid (een keuze die bepalend is voor het te voeren cultuurbeleid) met een groot woord het emancipatiedilemma. Het is een probleem waar we volgens Blokland moeilijk uitkomen, tenminste als we het individu willen respecteren. Theoretisch lijkt het inderdaad een dilemma, maar in de praktijk wordt het door iedereen opgelost. De zuivere negatieve vrijheid komt namelijk in werkelijkheid niet voor, evenmin als de zuivere positieve vrijheid. Dat zijn dynamische begrippen die in elkaar overvloeien. In het westen heeft de meerderheid van de bevolking voldoende scholing en diverse vormen van acculturatie en socialisatie doorlopen om in principe voldoende weerbaar te zijn, al zal die weerbaarheid best wel schommelen van uur tot uur, van dag tot dag, van milieu tot milieu. Hoe dan ook, de culturele en sociale voorzieningen blijven voor iedereen massaal en vrij goedkoop voor handen, zodat het alleen van de culturele competentie afhangt of iemand zijn positieve vrijheid op het culturele vlak zo maximaal mogelijk wil aanwenden. De crux is dat de verwerving van culturele competentie in dit tijdsgewricht moeilijker dan ooit is (zie tweede en laatste hoofdstuk).
Is geloof in de positieve vrijheid alleen maar mogelijk als je, om met George Steiner te spreken, gokt op transcendentie? Kunnen we alleen maar scheppen (of genieten van scheppingen) omdat er al Schepping tout court is? Met andere woorden, moeten er onveranderlijke universele waarden zijn om überhaupt tot waardenbeleving in staat te zijn? Met Richard Rorty meen ik van niet. Volgens deze filosofische minimalist zijn er geen goden, religie of universele waarden nodig om een democratisch liberale samenleving bij elkaar te houden. Je hebt voldoende sociale lijm aan de consensus dat in zo'n samenleving iedereen de kans moet gegund worden tot zelf-creatie zo goed als dat in zijn of haar vermogen ligt. Behalve vrede en welvaart heb je daar alleen maar de zogenaamde 'burgerlijke vrijheden' voor nodig. En Richard Rorty belsuit: 'Deze overtuiging is niet gebaseerd op een opvatting over universeel gedeelde menselijke doelen, mensenrechten, de natuur van rationaliteit, het Goede voor de Mens, noch iets anders. Het is een overtuiging die op niets diepers gebaseerd is dan op de historische feiten die erop wijzen dat zonder de bescherming van iets als de instituties van een burgerlijke liberale samenleving, mensen minder in staat zullen zijn zichzelf te redden, hun persoonlijke zelf-beelden te creëren, hun weefsels van geloof en verlangen te herweven in het licht van welke nieuwe mensen of boeken dan ook die ze toevallig tegenkomen. In een dergelijke ideale samenleving zullen de discussies over openbare aangelegenheden draaien om (1) hoe je de behoeften aan vrede, rijkdom en vrijheid tegen elkaar afweegt, wanneer de omstandigheden eisen dat een van deze doelen voor de andere wordt opgeofferd, en (2) hoe je gelijkheid creëert ten aanzien van de mogelijkheden voor zelf-creatie en hoe je het vervolgens aan mensen overlaat om hun mogelijkheden te gebruiken of te negeren.'
Rorty's visie, waarin elke metafysische retorica ontbreekt, stuit velen tegen de borst, omdat het de mogelijkheid voorspiegelt van een leven zonder God of gebod waardoor zogenaamd alles op de helling zou kunnen komen te staan. Afwezigheid van metafysica wordt vaak gevaarlijk geacht voor de samenleving. Het zou leiden tot zedenverwildering, cultureel verval en barberij. Je treft die redeneringen uitvoerig geargumenteerd aan iemand als Allan Bloom en bij oudere doemdenkers als José Ortega y Gasset en Johan Huizinga. Allan Bloom veroordeelde culturele openheid omdat die tot culturele ontbinding leidde. Hij vond dat een 'een zeer grote bekrompenheid de gezondheid van een individu of van een volk niet noodzakelijk in de weg staat.' Mensen hebben volgens hem een vaste plaats en vaste opvattingen nodig om zich te kunnen orinteren en dus moeten ze `waarden worden opgedrongen,' ook al omdat ze anders in de verleiding komen van concurrerende waarden, zodat de westerse cultuur een cultuur wordt naast alle andere.
Om alleen de laatste te citeren: 'Dat met de christelijke zedeleer ook de zoogenaamd burgelijke moest vallen (men zou haar wellicht beter de klassieke kunnen noemen) spreekt vanzelf. Mij is het altijd voorgekomen, dat de verloochening van het ethische systeem der eeuwen een van de domste bedenkselen moet heeten, die ooit in 's menschen brein gerezen zijn...Zij is als de daad van een lamme, die zijn krukken wegwerpt.' Helaas, de lamme bleek ook zonder krukken te kunnen lopen. Ook zonder religieuze fundering van de moraal is een waardevolle samenleving mogelijk. Richard Rorty: 'Het religieus verval... en in het bijzonder het verval van het vermogen van mensen om de gedachte aan beloningen na de dood serieus te nemen, heeft liberale samenlevingen niet verzwakt, het heeft ze juist versterkt. Veel mensen in de achttiende en negentiende eeuw voorspelden het tegenovergestelde. Ze dachten dat hoop op een hemel een vereist was om morgele ruggegraat en sociale lijm te verschaffen - dat het bijvoorbeeld weinig zin had een atheïst in een rechtbank te laten zweren dat hij de waarheid zou zeggen.'
Moderne donderpreken afsteken (of pleiten voor ascese, zoals Huizinga vroeger als oplossing tegen cultureel verval voorstelde) is in wezen gemakkelijk. De echte uitdaging van vandaag is véél moeilijker: in het volle besef dat er geen essentie is en zonder een beroep te doen om de verslepen theatrale truc van een Deus ex machina toch zin creëren. Dat is ook de uitdaging waarvoor alle kunstenaars vandaag staan.
Hoe dan ook, het discours over culturele verloedering en moreel verval is dus iets complexer dan ons doorgaans wordt voorgelepeld. Het vraagt dus ook om complexere antwoorden dan het schrale maar vaak schetterende eenrichtingsdenken dat zoveel doemdenkers hanteren. Dat draait trouwens vaak in zichzelf rond. Het streeft meestal niet meer na dan het verzinnen van nieuwe spitse en vooral modieuze formuleringen van op zich al banale fenomenen. Eerst was er bijvorbeeld de Vertrossing en toen die term totaal verouderd was, kwam men met andere, soms leuke journalistieke variaties zoals Dallasificatie, infantilisering, debilisering, trivialisering, McDonaldisering, de verkitsching, VTM-isering, Cocacolarisering, verkleutering... Die fixatie op oppervlakteverschijnselen van onze samenleving verraadt op zich al oppervlakkige geesten. Van veel denkkracht getuigen deze vondstjes bovendien niet. Helaas, de bedenkers voelen zich zo zelfvoldaan over deze halve woordspelingen dat men vergeet dat men intussen niets nieuws vertelt. Zo draait het doemdiscours uitsluitend nog om mediagenieke neologismen, met andere woorden, men spitst zich toe op een mediageilheid die men precies anderen aanwrijft. Zulke nieuwe termen zijn trouwens makkelijk bedacht. Ik geef er enkele gratis weg (ik ben tenslotte ook journalist geweest): de Berlusconisering van het politiek bedrijf, de Verbarbiepopping van onze maatschappij, de Pizzahuttisering van de cultuur, de Akoïsering van de Schone Letteren, de Ikeaïsatie van de woonruimte, de Bobbejaanlandisering van de Homo Ludens, de vercamping van het culturele leven, enzovoort. Maar wat heb ik daarmee gezegd of gedacht? Inderdaad, niets. Als ik een doemdenker was, zou deze banalisering van het discours, deze nivellering van het woordgebruik, het ultieme bewijs zijn van de 'ondergang van het denken'.


© Leo de Haes