|
Cultuurspecialismen
Er bestaat nog een andere belangrijke paradox in de hedendaagse kunst. Terwijl de cultuuruitingen in de voorbije eeuwen in hun algemeenheid behoorlijk homogeen waren (gothiek, barok, romantiek, impressionisme had je bij wijze van spreken net zo goed in muziek, beeldende kunsten als literatuur) is de huidige elitecultuur een eclectisch grootwarenhuis met rekken vol honderden cultuurspecialismen waarin iedereen iets naar eigen smaak en voorkeur kan vinden. Zoals de ene liever sinaasappelen eet dan peren, zo heeft elk cultuurspecialisme zijn eigen trouw publiek, al zijn sommige minderheidsculturen (homocultuur, vrouwencultuur, Derde Wereld-culturen, regionale culturen...) die de laatste decennia opgeld maken vaak niet meer dan gesloten broederschappen. Hoe dan ook, of een cultuurspecialisme op een bepaald moment dominant zal worden, hangt af van het aantal consumenten dat het cultuurspecialisme als collectieve ervaring wil delen. Sommige talen worden door velen begrepen, andere door weinigen. De reden daarvan is niet altijd aan te geven, al spelen heiligverklaringen door critici en handelaren (galeriehouders, uitgevers...) vaak een doorslaggevende rol. Of modes. Anderzijds is het onmogelijk alle talen te begrijpen, omdat er zoveel zijn. Zelfs binnen de popmuziek zijn de stijlen legio en elke nieuwe jonge generatie ontwikkelt telkens weer een muziektaal, vaak een die de vorige generatie afstoot. Als kenners mij zeggen dat er diverse soorten housemusic bestaan, dan neem ik dat graag voor waarheid aan, ook al hoor ik nauwelijks het verschil. Vreemd genoeg reageren vele anderen net het tegenovergestelde: omdat ze de taal niet verstaan, is ze slecht en weigeren ze nuances in stijlen te accepteren. Wie Allan Bloom en George Steiner over popmuziek leest, kan alleen maar meewarig het hoofd schudden om de combinatie van pretentie en onwetendheid.
Maar goed, sinds de godsdiensten aan impact verloren hebben, wordt de behoefte aan transcendentie meer dan ooit door kunst bevredigd. Het is maar de vraag of dat ons zicht op kunstwerken niet veeleer verhult dan verheldert want het autonome kunstwerk van vandaag verwijst, zoals gezegd, in de eerste plaats naar zichzelf, niet naar een absolute geldigheid die soeverein vanop een onaantastbare Olympus wordt gedicteerd, ook al houdt George Steiner vol dat 'belangrijke kunst in onze geplaagde moderne tijd, zoals alle grote scheppingen uit vroeger tijden, door het vuur en het ijs van God (wordt) beroerd.' De kunstenaar of verkoper die een kunstwerk sacraliseert is, vrees ik, in de eerste plaats uit op harde valuta. Geen criterium is heilig. Elk criterium is en blijft mensenwerk, ontstaan in samenspraak met het kunstwerk. Dat maakt ook dat de lectuur van een kunstwerk verschilt van persoon tot persoon, afhankelijk van diens betrokkenheid, inspanning, scholing, voorkennis en gevoeligheid. Uniforme oordelen bestaan niet (meer). Het subjectivisme (van Jan Hoet) waar Frans Boenders zo tegen ageert, bestaat inderdaad, maar wordt tegelijk door andere subjectivistische oordelen geobjectiveerd. Het is vaak ook een gevecht tussen traditionalisten en progressieven, al zijn die termen niet altijd toereikend. Is Jos Van Immerseel die Mozart via conscentieus gebruik van oude instrumenten opnieuw wil ijken een traditionalist of integendeel een vernieuwer? Is Guillaume Bijl, die in wezen niet meer doet dan het werk van Marcel Duchamp dunnetjes overdoen, een vastgeroeste plagiaris of een nieuwe hemelbestormer? Het probleem zit dieper. Vroeger hield een romantische schrijver doorgaans ook van romantische muziek. Zowel schrijver als componist frequenteerden dezelfde salons. Nu is het best mogelijk dat een componist van contemporaine klassieke muziek of free jazz (die muzikaal vaak dicht bij elkaar liggen, al houden beide componisten zich in totaal andere milieus op) zijn neus ophaalt voor abstracte kunst, de poëzie van Lucebert of experimenteel theater. En de meest innoverende beeldhouwer of dichter spuwt vaak op hedendaagse klassieke muziek, hoewel hij artistiek gezien op zijn terrein op dezelfde golflengte bezig is. Hetzelfde kan gezegd worden over het publiek. Je hebt haast evenveel deelpublieken als er kunstspecialismen zijn. Ik ruik graag aan zowat alles en de ervaring heeft me geleerd dat het begrip elitepubliek nog nauwelijks hanteerbaar is. Het is al even gevarieerd en gefragmenteerd als de culturele praktijk zelf: het publiek van de Blauwe Maandag Compagnie is niet hetzelfde (of slechts zeer gedeeltelijk) als dat van het Kaaitheater, het Festival van Vlaanderen, een tentoonstelling van de Wide White Space, een ballet van Lucinda Childs, Klapstuk, een optreden van Wynton Marsalis, een antiekveiling of de beiaardconcerten in Antwerpen. Het versplinterde cultuuraanbod maakt tegenwoordig alle combinaties mogelijk, inbegrepen het genot van grote delen van de massacultuur - en vaak meer dan we willen toegeven. Wie dol is op Gregoriaans, Purcell, Bach, Rembrandt en Rilke, kan daarnaast ook van Guus Flater, Anton Pieck, Sting, Torhout-Werchter, voetbal, bokswedstrijden en Twin Peaks houden. Een gesloten cultuurelite die het monopolie heeft over de kunstproduktie zoals dat in zogenaamde gouden tijden het geval was (onder De Medici bijvoorbeeld) bestaat niet meer. Dat maakt de aanval van Frans Boenders op Jan Hoet ook zo gênant. Zelfs binnen de beeldende kunsten is er leven naast, onder en boven de Gentse conservator en gelukkig maar. Al evenmin monopoliseert Rudolf Werthen het concertwezen in België of is het toneel van Jan Fabre alleenzaligmakend. Sterker, er zijn geen alles dominerende kunstencentra op dit moment. Er is geen Parijs, Berlijn, Wenen, Rome of New York meer. Elk geïnteresseerd individu is meer dan ooit verplicht op zijn eigen kompas te varen. Ook de culturele elite en haar waarden zijn dus versplinterd. Het bestaan van absolute waarden waar alles aan af te meten valt en waarover de elite het monopolie heeft, leeft alleen nog in de hoofden van cultuuridealisten. Hun treurzangen over de verloedering van de cultuur spruiten precies voort uit de fundamentele frustratie dat ze geen greep meer hebben of krijgen op de cultuurproduktie.
© Leo de Haes
|
|