Vakmanschap

Zonder vernieuwing is elke cultuur dood. Vernieuwing is de buitenboordmotor van het culturele proces, maar de radicale innovaties van Stockhausen, dada of Grotowski (om maar enkele vitale knooppunten in het centrale hersenstelsel van de Europese cultuur aan te geven) hebben de term 'nieuw' onbedoeld een kwaliteitslabel gegeven. Wat anders en radicaal is, is tegenwoordig automatische synoniem van uitstekend. En door die gelijkschakeling is het beginnen fout lopen. Nogal wat kunstenaars zijn met open ogen in die zelfgeplaatste val getrapt. Ezra Pound heeft kunst ooit gedefinieerd als 'nieuws dat nieuws blijft' maar tegenwoordig duurt dat nieuws/nieuwe vaak niet langer dan een etmaal. Bovendien werd in sommige kunsten, precies onder invloed van het artistieke discours, het vakmanschap volledig losgelaten en dat heeft de verwarring bij het grote publiek alleen maar vergroot. Dat de Franse componist Olivier Messiaen in de laatste jaren van zijn leven conscentieus vogelgefluit op plaat zette, tot daar aan toe. Muziek is tenslotte georganiseerd geluid. Dat George Perec een roman schreef zonder een enkele e te gebruiken - La Disparition is de verrukkelijke titel van dat boek - kan ook nog als een ingenieuze vorm van moderne rederijkerij beschouwd worden, er ligt bij Perec trouwens een biografische noodzaak aan ten grondslag, maar nergens is men zo ver gegaan als in de beeldende kunsten. Om het in de woorden van Pierre Bourdieu te zeggen: 'De schilders eisen de autonomie op van de zuiver beeldende of "iconische" representatie, zoals later zal worden gezegd, tegenover de verbale uiteenzetting, en doen daarmee afstand van het literaire, dat wil zeggen het "motief", de "anekdote", alles wat de intentie van een weergave of een voorstelling, kortom een mededeling suggereert; zij stellen dat het schilderij aan zijn eigen, specifiek picturale wetten moet gehoorzamen, die onafhankelijk zijn van het gerepresenteerde object.' Die evolutie heeft ook het vakmanschap in de beeldende kunst aangetast en op zich hoeft vakmanschap misschien niet altijd een noodzaak te zijn, maar het gebrek eraan maakt de criteria wel héél onhelder en creëert ruimte voor louter subjectivisme en charlatanisme. Daar draait dan ook de hele heisa tussen Frans Boenders en Jan Hoet om. De afwezigheid van criteria doet ook de grens vervagen tussen polemisch gebaar en beunhazerij. In november 1991 werd de door sommige kunsttheologen als belangrijk beschouwde Oostenrijkse aktionistische kunstenaar en communeleider Otto Mühl tot zeven jaar gevangenis veroordeeld wegens misbruik van minderjarige meisjes tijdens theatrale seksspelletjes die op video werden opgenomen en vervolgens afgedraaid. Was dit erotische body art of verkrachting zondermeer? Je kan aan alles een artistieke draai geven, maar maak het de mensen en zelfs rechters maar eens wijs dat dit kunst is. Dat mag al een buitensporig voorbeeld zijn, de ready-mades van Marcel Duchamp, de excrementen in de doosjes van Manzoni of de vilten hoed en het vet van die andere goeroe van de 20ste-eeuwse beeldende kunst, Joseph Beuys, zijn op een totaal ander niveau even choquerend en verwarrend voor het grote publiek.
Typerend is volgende anekdote over Marcel Duchamp. Toen een New Yorkse galeriehouder hem uitnodigde voor deelname aan een tentoonsteling van zelfportretten, stuurde Duchamp een telegram met de tekst: 'This is my portrait if I say this is my portrait.' De galeriehouder had de boodschap goed begrepen en hing het telegram op. Toen Duchamp later om zijn honorarium vroeg, stuurde de slimme galeriehouder hem ook een telegram met volgende tekst: 'This is a check if I say it is a check.'
De tijd, de geschiedenis dus, heeft de eens zo kritische component van de charismatische gebaren van Duchamp en anderen intussen nog meer dan vroeger tot leuke trouvailles gereduceerd. Dat bleek overduidelijk op de overzichtstentoonstelling van Duchamp in Galerie Ronny van de Velde in Antwerpen. Erg overtuigend vond ik ze niet, al ben ik altijd een aanhanger van Duchamp geweest. Maar mede door Marcel Duchamp zit wel een groot deel van de beeldende kunst eindeloos te rangeren op het zijspoor van vondstjes en concepten. Hedendaagse kunst is momenteel vaak niet meer dan filosofie of beter, een filosofietje. Dat mag natuurlijk, maar daardoor is de kunst wel van geslacht veranderd. Sterker, er is deze eeuw zoveel en zo luidruchtig in allerlei absolutistisch klinkende manifesten nagedacht over wat kunst is (of hoort te zijn) dat het enige resultaat is dat minder dan ooit duidelijk is wat kunst is. Bij veel hedendaagse kunst hoort trouwens een bijsluiter, en die bijsluiter dreigt, in tegenstelling tot bij een medicijn, belangrijker te worden dan wat er wordt 'voorgesteld'. Die chaotische situatie maakt niet alleen dat de goegemeente het bos niet meer door de bomen ziet, maar dat enig esthetisch onderscheidingsvermogen een lange weg van individuele kennisverwerving, toewijding en discipline veronderstelt. Want kwaliteit onderscheiden is nog wel altijd mogelijk. Alleen, weinigen hebben daar zin in of de tijd toe. Een Ensor en Van Gogh kunnen desnoods met jaren vertraging door de grote massa nog begrepen en genoten worden, maar wie vandaag de kunstontwikkelingen niet op de voet volgt, zich niet dokumenteert en niet bereid is mee het wierookvat te zwaaien, valt volledig uit de boot. Als Maarten Doorman beweert dat we vandaag naar het werk van Kandinsky kijken zoals naar dat van Rembrandt, Joyce lezen zoals we P.C. Hooft lezen en met dezelfde instelling naar muziek van Ligeti en van Josquin de Prez luisteren, dan is hij wel heel optimistisch over het absorptievermogen van het grote publiek. Geef mij maar Rubens, hoorde ik een dame onlangs in het Museum voor Schone Kunsten in Antwerpen zeggen, terwijl ze voor een Permeke stond.
Hoe moet het dan verder? Volgens Frans Boenders in zijn schotschrift Kunst zonder kader, museum zonder hoed is 'het ergste wat de kunstenaar kan overkomen (...) dat hij zichzelf afsluit van de levende maatschappij.' Die uitspraak klopt natuurlijk altijd een beetje, maar de levende maatschappij is voor een kunstenaar in de eerste plaats het artistieke discours. Dàt is zijn geestelijk voedsel, zijn biotoop. Ik zou niet goed weten hoe de kunst zich zonder deze innerlijke dynamiek zou kunnen ontwikkelen. Je kan in 1992 niet meer componeren à la Buxtehude zoals je evenmin nog kan schilderen als Rafaël of acteren als Jef Burm. Het gebeurt hier en daar nog wel door een enkele zonderling, maar die praktijk behoort veeleer tot de folkloristische kant van het kunstgebeuren. Zelfs Frans Boenders, met zijn pleidooi voor het herstel van het vakmanschap en zijn nadruk op authenticiteit (van een helder criterium gesproken) zal dit moeten toegeven.
Ook in de andere kunsttakken zijn voortdurend dergelijke innoverende bewegingen en experimenten aan de gang, - denk maar aan de intusssen al oudbakken nouveau roman of de écriture automatique-, maar ze nemen een véél marginalere plaats in dan in de beeldende kunst. De hoofdmoot van de literatuur bestaat nog altijd uit boeken met een plot, een verhaal of een moraal. Hoewel het einde van de roman al sinds de futuristen en surrealisten is aangezegd, worden er nog steeds romans geschreven. Ook in de muziek is het gewicht van de traditie ongeschonden, ondanks de vele pogingen om nieuwe wegen te behandelen. Hoewel muziek vaak een universele taal wordt genoemd, blijft experimentele, hedendaagse muziek slechts exclusief verstaanbaar voor een zeer kleine club van ingewijden. Orlandus Lassus, Monteverdi, Mozart, Bach, Beethoven en Wagner zijn lang nog niet van hun troon gestoten door Nono, Boulez, Karel Goeyvaerts, Xenakis, Godfried Willem Raes of Zimmermann. In de disciplines waar de burgelijke regels overeind gebleven zijn, ligt de participatie van het publiek dan ook het hoogst. Het bewijst hoe groot de taalbreuk in de hedendaagse muziek wel is. Maar er is meer: terwijl je voor beeldende kunst in een museum of galerij moet zijn, bezitten literatuur en muziek verschillende toegangswegen (boekhandel, bibliotheek, leeslijst, films, tapes, platen, cd's, walkmans, lunchconcerten, liefdadigheidsoptredens, televisie, gala's, opera's,...). Toch geldt ook voor deze disciplines de wet dat het interne gesprek de artistieke ontwikkeling bepaalt. Het witte blad van de schrijver of de componist is, nog voor hij één woord of noot heeft bedacht, al door de canon volgeschreven. Het gevecht met het zogenaamde witte blad is altijd ook een gevecht met het beste uit de traditie. Of om Joseph Brodsky in NRC te citeren: 'Het echte leven begint altijd bij het begin: bij niets. Maar een lezer die een boek opent en bij het begin begint, begrijpt vaak niet meteen wat er aan de hand is, waar het over gaat. Hij zegt dan dat het moeilijk is, maar hij vergeet dat de kunst haar eigen discours volgt.' Het water tussen de leek en de hedendaagse kunst zal hier en daar dus nog wel een poosje te diep blijven.
De vraag is: voor wie is die situatie het rampzaligst? Voor het grote publiek of voor de kunstenaars die door hun eigen boemerangs worden achtervolgd? De massa kan zich meer dan ooit een identiteit geven door zich te laven aan de zee van beelden en betekenissen uit de rijke traditie en de massacultuur. Vooral jongeren meten zich nu al enkele generaties lang een identiteit aan door middel van popmuziek, het weze rock 'n roll, rythm 'n blues, punk of house. Die stroom aan hedendaagse identiteitsvoorzieningen is nog allerminst opgedroogd. De hedendaagse kunstenaar die zich daarentegen de vraag stelt 'wat wil ik (maken)?', is met het antwoord morgen nog niet klaar. Kunstenaars hebben het nu veel moeilijker dan hun voorgangers om nog nieuwe en originele beelden aan de al bestaande toe te voegen. Ze staan niet langer in functie van een religie of van officiële instanties, ze hebben zich ontworsteld aan elke dienstvaardigheid aan een collectief beleden Groot Verhaal. Ze hebben de mimetische kunst vervangen door (zelf)expressie en/of het cognitieve. Daardoor zijn ze volledig op zichzelf en hun eigen inzichten en creativiteit aangewezen. Desondanks zijn kunstenaars gedoemd om nieuwe visies te verbeelden en daarvoor de juiste taal te zoeken. De kunst, als onderdeel van het grootse, romantische emancipatieproces, heeft weliswaar de kunst en de kunstenaars geëmancipeerd en autonoom gemaakt, maar het modernisme dat de absolute vrijheid tot het basisprincipe van zijn interne dynamiek had gepromoveerd, heeft de artiest tegelijk tot de gevangene van die vrijheid gemaakt: de vrijheid van de vrije markt en de concurrentie. En die bikkelharde concurrentie uit zich in versplintering, opbod aan nouveautés, vondsten, artificiële onderscheiden, loze pretenties, opgeblazen reputaties en commerciële instincten. De avant-garde heeft de witte vlag gehesen en zich overgegeven aan de (internationale) kunsthandel. Pierre Bourdieu analyseert die evolutie haarscherp in De regels van de kunst: 'Woorden, namen van scholen of groepen, eigennamen zijn zo belangrijk omdat zij dingen màken; in een universum waarin iets alleen kan bestaan als het anders is, als het "naam" heeft gemaakt, een eigennaam of een soortnaam (die van een groep), verlenen distinctieve kenmerken personen of groepen een bestaan. De namen van de scholen of groepen die in de afgelopen tijd in de beeldende kunst een hoge vlucht hebben genomen (...) zijn pseudo-concepten, praktische classificatiecriteria die overeenkomsten en verschillen creëren door ze een naam te geven. Zij worden in de strijd om erkenning door de kunstenaars zelf of door de hun gunstig gezinde critici gelanceerd en fungeren als herkenningstekens waarmeer galeries, groepen en kunstenaars en ook de produkten die zij maken of presenteren van elkaar zijn te onderscheiden.' Distinctie inderdaad, maar dan wel in functie van de commercie. Wat nieuw is verkoopt, en wat verkoopt is goed. Intussen is het grote publiek totaal het zicht op de kunst kwijt, en het valt sterk te betwijfelen of een terugkeer nog mogelijk is.


© Leo de Haes