De modernisten

Paradoxaal genoeg is dit isolement van de eigentijdse kunst (of althans het dominerende deel ervan) niet het gevolg van uitgesproken elitaire pretenties van de betere klasse, maar het eindresultaat van een romantisch-heroïsch maar tegelijk Don Quichoterig gevecht van de avant-garde tegen de toenmalige bourgeoissmaak, zeg maar de elitecultuur. Die strijd verliep soms hard tegen hard want de avant-garde-kunstenaars voerden soms letterlijk oorlog. Kunstenaars als Manet, 'de eerste moderne schilder', Pisarro en Cézanne wier werken telkens voor De Salon in Parijs werden afgewezen, bleven niet bij de pakken zitten en richten een anti-Salon op, de Salon des Refusés. Ze trotseerden daarmee de hoon van gesettelde kunstenaars, het gezag en het grote publiek. De dadaïst Kurt Schwitters plakte in 1919 in Hannover het gedicht An Anna Blume op een reclamezuil waar tot dan toe in koeien van letters de tekst van de tien geboden had gehangen. Het was een persiflage op kitscherige liefdespoëzie. De typografische prachtig weergegeven slotregel luidde: Du bist von hinten, wie von vorne: A----N----N----A. Opschudding verzekerd. Marcel Duchamp tekende de Mona Lisa een snor en een sik aan. Nog later signeerde hij een reproduktie van de echte Mona Lisa en gaf die reproduktie de titel 'Rasée'. In 1952 liet John Cage een pianist vier minuten en driendertig seconden lang achter zijn instrument zitten, zonder dat hij één noot aanraakte. Alleen de geluiden uit de zaal en de buitenwereld werden geregistreerd. Het nummer kreeg de titel 4'33". (Igor Strawinski zei na afloop: ik ben zeer geïnteresseerd in het langere werk van deze jonge componist).
De heldendaden waarmee de avant-garde het publiek choqueerde zijn legio. Niet voor niets heeft de term avant-garde een militaire betekenis. De garde was een elitecorps, de avant-garde de voorhoede die de weeg vrijmaakte voor het geregelde leger. Het offensief van de modernisten om de burgerlijke kunst van haar voetstuk te stoten mag dan al geslaagd zijn in zijn initiële opzet, deze beeldenstorm is tegelijk uitgedraaid op een Pyrrusoverwinning. De dubbele romantische idee dat het doorbreken van esthetische grenzen én burgerlijke codes tevens persoonlijke en politieke vrijheid zou creren, ook voor de massa, is zelf gesneuveld op het slagveld van de avant-garde.
What happened on the way to the Forum? Op enkele decennia tijd werden de conventionele regels van zeven eeuwen cultuurbeleving vakkundig gedemonteerd tot een Umwertung aller Werte: de componisten begonnen welluidendheid te vervangen door dissonantie of gaven het toeval bestaansrecht in de muziek; de dichters schaften onder meer rijm en metrum af; de prozaschrijvers gooiden de voor de hand liggende rechtlijnige vertelstructuren overboord en introduceerden de écriture automatique, montagetechnieken en de monologue intérieur; schilders en beeldhouwers schoven de figuratie aan kant en/of inspireerden zich op het werk van primitieve volkeren en in het theater werd gegoocheld met nieuwerwetse decors of special light-effects en de naam van Shakespeare werd in de toneelbrochures in kleinere lettertjes afgedrukt dan die van de nieuwste leerling-tovenaar, de regisseur. Zowat alle kunstuitingen werden door die innovaties in hun esthetisch-emotioneel karakter uitgehold en de kunst werd (nog) abstracter en cerebraler. De aandacht spitste zich hoofdzakelijk en bijna uitsluitend toe op de zeer formele kanten van het vak: de vorm, de techniek, het materiaal, een willekeurig intellectueel thema of concept. Schrijven werd schrijven over het schrijven of schrijven tegen het gangbare schrijverschap in. Tegen het personage en Praag schrijven waren de niet mis te verstane titels van twee boeken van Daniël Robberechts. Ook een schilder leverde al schilderend in de eerste plaats commentaar op de schilderkunst.'Schilderen over schilderkunst,' las ik onlangs nog als kop boven een recensie van een tentoonstelling. En geen theaterregisseur of hij moest al regisserend een statement over toneel kwijt. Ik beweer niet dat dit allemaal onzinnig was en is, kritisch onderzoek van de eigen mogelijkheden en grenzen van het vak zijn zelfs toe te juichen, maar tegelijk trok de kunst op die manier hoge muren om zich heen. Op die ontwikkeling entte zich bovendien nog iets anders: de esthetiek van de verandering en de vernieuwing werd dominant. Wat begon als een polemiek met de socio-politieke realiteit eindigde als een fundamentele kritiek op de kunst zelf. Elk nieuw werk diende een kritisch artistiek gebaar te zijn en elke kunstenaar oefende zich in die modernistische taal. Dat zwengelde weliswaar de intellectuele discussie aan en het bracht ook leven in de brouwerij, maar het was tegelijk een discours dat voor een niet onbelangrijke mate op de eigen navel gericht was: kunstenaars reageerden op en tegen elkaar en vooral ook op en tegen de kunstgeschiedenis. De naakte Olympia van Manet is een commentaar op Titiaan en Goya, er zitten ook verwijzingen in naar Giorgione Rafael en Velazsquez. Hoe nieuw Manet ook was, hij verbond de traditie met een moderne kijk. Jonge schilders voelden dat ook. Cézanne, Gaugin, Degas, Picasso en Dubuffet hebben de Olympia nageschilderd en er hun commentaar op geleverd, soms zeer ironisch. Ook voor zijn andere beroemde schilder Le déjeuner sur l'herbe ging Manet te rade bij Titiaan.
Het commentaar op anderen leeft nog altijd verder. Het bekende Who's Afraid of Red, Yellow and Blue van Barnett Newman, een knalrood doek (met nuances in het rood, o.k.) is pas echt goed te begrijpen als je weet dat het een frontale aanval is op het formeel abstracte werk van Mondriaan. Deze had in zijn Compositie Red, Yellow and Blue de primaire kleuren waarvan sprake steriel opgesloten in koele rechte vlakken. Barnett Newman wilde daar ostentatief mee breken, en plaatste daar een vrij agressief schilderij tegenover. Kortom, de traditie wordt gebruikt om ze te moderniseren, te parodiren of ze te vernietigen. Dat had onverwachte neveneffecten. De Franse socioloog Pierre Bourdieu overdrijft wellicht, maar er is toch iets van aan als hij in De regels van de kunst schrijft: 'Het discours over het kunstwerk is niet simpelweg een hulpmiddel dat het begrip en de waardering voor het werk moet vergroten, maar een factor in de produktie van dat werk, van zijn betekenis van zijn waarde.' Met andere woorden, terwijl het vroeger voor iedereen, ook het grote publiek, duidelijk was wat kunst was en wat niet, omdat het een natuurlijk en harmonisch onderdeel vormde van een cultus waaraan de mensen bewust of onbewust participeerden, bepalen nu beroepscritici en kunstwetenschappers (en in hun zog galeriehouders) of iets kunst is of niet.
Maarten Doorman wijst in zijn zeer interessante boek Steeds mooier. Over vooruitgang in de kunst nog op een ander essentieel aspect van de hedendaagse kunst. De kunstenaar van vandaag is er zich ten volle bewust van dat hij geschiedenis maakt. Hij situeert en interpreteert zijn werk meteen zelf al in de toekomst. De hedendaagse kunstenaar zorgt zelf dat hij in de canon wordt opgenomen door van het heden het verleden van de toekomst te maken. Dat is een enorm verschil met vroeger. Maarten Doorman: 'Vanzelfsprekend werden de gebroeders Van Eyck in hun tijd als grote schilders beschouwd, maar ze eisten geen plaats in de geschiedenis voor zich op zoals bijvoorbeeld de abstracte expressionisten dat later zouden doen. Ze kregen een dergelijke plaats pas in de negentiende en twintigste eeuw.' Dat is nu totaal anders. Nu wordt er zogenaamde 'kunsthistorische kunst' gemaakt. De term is van Diederik Kraaijpoel. Trouwens, niet alleen beeldend kunstenaars, ook bepaalde literatoren schrijven zich weinig bescheiden maar doelbewust in de geschiedenis in of schrijven literatuur voor docturandussen literatuur. Salman Rushdie is van het eerste een voorbeeld, Milan Kundera ook. In zijn essays De kunst van de roman en Verraden testamenten verwijst hij, als hij het over grote romanschrijvers als Rabelais, Cervantes, Flaubert, Thomas Mann, Kafka of Broch heeft, geregeld naar zijn eigen werk, dat hij in het licht van de Europese literatuurgeschiedenis situeert. Hij schrijft letterlijk: 'Als romanschrijver heb ik me altijd deel van de geschiedenis gevoeld, namelijk ergens onderweg, in gesprek met degenen die me voorgingen en zelfs misschien (in mindere mate) met degenen die nog zullen komen.' Wat het grote publiek over die hoge ambities verder denkt, zal de hedendaagse kunstenaars of schrijvers een zorg wezen.
Die esthetische mallemolen heeft uiteindelijk geleid tot een vrij specialistisch vertoog en tot allerhande taalbreuken en onderscheidingsgedrag in de kunst. De klassieke muziek versplinterde in seriële muziek, aleatoriek (improvisaties waarin het toeval een belangrijke rol krijgt toebedeeld), minimal music, repetitieve muziek, elektronische muziek, computermuziek, de Nieuwe Complexiteit, enzovoort. Ook in de beeldende kunsten volgden de ene school en -isme (of moet ik zeggen modetrend?) de andere op: action painting, pop art, minimal art, process art, land art, body art, conceptual art, arte povera, Fluxus, neo-realisme, neo-figuratie, op art, kinetische kunst, mail art, grafitti, sky art, noem maar op. Literatuur, film, ballet en theater tastten op dezelfde manier de grenzen van het mogelijke af én aan, al dan niet met geweld, zoals in Nederland met de Actie Tomaat. Terwijl het klassieke toneel bijvoorbeeld uit was op open doekjes, wil hedendaags theater choqueren, uitdagen, overbluffen. Publikumsbeschimpfung van Peter Handke was daar een mooi voorbeeld van. Je werd tijdens de voorstelling als toeschouwer de huid volgescholden. Nadien kon alles: van kippen slachten op de scéne (Epigonentheater) tot een paard live on stage of een toneelstuk dat in één vertoning twee keer wordt opgevoerd waarbij het de tweede keer wordt vertolkt alsof een videoband versneld wordt afgedraaid, met alle komische effecten vandien (De Presidentes, opgevoerd door De Trust). Ik pik de voorbeelden er willekeurig uit. Je zou als burger voor minder de weg in dit culturele labyrint verliezen. Trouwens, ook talloze kunstenaars zijn intussen het spoor bijster. Daniël Robberechts, die hier eerder ter sprake kwam, heeft totaal geïsoleerd zelfmoord gepleegd. En wie de bedenkelijke scheldpartijen tussen Frans Boenders en Jan Hoet gevolgd heeft, kan alleen maar vaststellen dat ook sommige critici de rol hebben gelost. Filip Tas, fotograaf én criticus, heeft in De Standaard zelfs eens een moratorium van vijf jaar voor de beeldende kunst bepleit. Met andere woorden, hij wilde alle kunstzinnige produktie vijf jaar opschorten, om een bezinningsperiode in te lassen. Het idee alleen al! Alsof vijf jaar artistieke vakantie de kunstgeschiedenis zou kunnen terugdraaien tot voor de romantiek, toen alles zogenaamd zoveel beter was. Sommige dingen kunnen gewoon weg niet meer. Een nieuwe Shakespeare die een koningsmoord zou laten gepaard gaan met 'klaaglijke geluiden in de lucht' en 'vreemde doodskreten' of de wandaad vooraf zou aankondigen met een donkere dag of het wild worden van paarden 'zich verzettend tegen gehoorzaamheid, alsof zij een oorlog wensten met de mensheid', zou weggelachen worden. Een reactie als die van Filip Tas bewijst alleen maar hoe groot de paniek is en hoe diep de crisis in de kunst zit, ook en misschien wel eerst en vooral bij de kunstelite zelf. Ik ben het volledig met Robert Hughes eens, als hij schrijft: 'Maar het werkelijke verschil tussen de ene fin-de-siècle en de andere ligt dieper. Honderd jaar geleden waren schilder- en beeldhouwkunst nog verschijningsvormen van sociaal belang: ze leverden nog de visuele beeldentaal waarmee men de wereld kon begrijpen en die voor ons vrijwel verloren is gegaan (...). Het hele idee van de "radicale" verandering in de schilder- en beeldhouwkunst ontleende zijn impuls aan deze gewichtige positie en verloor deze toen er aan die positie een einde kwam.'
De crisis wordt nog verdiept doordat de huidige avant-garde, voor zover die naam nog toepasselijk is, zich eindeloos herhaalt. Het is een après-garde geworden. Ze maakt nog altijd variaties op wat de dadaïsten, Marinnetti en de futuristen of de surrealisten al een halve eeuw geleden hebben gedacht en bedacht. Ze doet dat ze vernieuwend is, maar ze hikt alleen maar oude concepten en ideeën op in een vaak maar licht gewijzigde vorm. De krijgers zijn moe gestreden.


© Leo de Haes