|
Sensatie
Dat het gros van de burgers geen gebruik maakt van het veelzijdige en kwalitatief hoogstaande aanbod en halsstarrig blijft zwelgen in grof en triviaal amusement, kunnen we misschien betreuren maar een nieuw gegeven is dat niet.
Banaal vertier is van alle eeuwen. Het stemt misschien niet vrolijk, maar het is wel een feit. 'Panem et circenses' vatte Juvenalis al de interesses van het Romeinse volk ten tijde van het keizerrijk samen en Gustave Flaubert bekloeg zich in de negentiende eeuw tegenover George Sand, de negentiende eeuw die voor veel cultuurpessimisten het referentiepunt bij uitstek is: 'Er is voor mensen met smaak geen plaats meer op deze wereld.' De grote kloof tussen de verfijnde esthetische voorkeuren van de elite en de banale smaak van de man in de straat is dus allerminst nieuw. Nieuw is misschien dat die kloof in de hoofden van sommige doemdenkers veel minder overbrugbaar lijkt dan ooit. Ze betreuren die kloof vanuit een heilloze romantische opvatting over de mens. De mens zou in wezen goed zijn, edel en tot het schone geroepen, maar hij wordt door de kwade geest van de massamedia gemanipuleerd en op het verkeerde been gezet. De massamedia lokken hem voortdurend doelbewust in de val van de idiotie en zadelen hem op met een 'vals bewustzijn', zoals Adorno en de zijnen het stelden.
Maar is de kloof wel zo groot? Sommige kunsttakken doorworstelen misschien een crisis of zijn in een doodlopend straatje beland. Maar deze problemen hebben minder met het succes van de commerciële massacultuur en nog minder met de zogenaamde debilisering van het publiek te maken. Integendeel. Ze zijn het resultaat van een diepgrijpend professionaliseringsproces binnen de diverse kunsttakken zelf. Die professionalisering, met in haar spoor specialisering én academisering, is al jaren aan de gang, eigenlijk al vanaf het einde van de negentiende eeuw. Die interne kunstontwikkelingen hebben bij de modale burger voor de nodige onlustgevoelens gezorgd: onbegrip, onverschilligheid, meewarigheid, vervreemding en zelfs uitgesproken vijandigheid tegenover de zogenaamde hogere cultuur. Wagner werd bij de eerste opvoering in Parijs van Tanhäuser uitgescholden voor schurk en idioot, Hector Berlioz had het over een 'slechte muzikale stijl' en 'absurde vulgariteiten'. Toen het beroemde schilderij van Manet, Olympia, voor het eerst ten toon gesteld werd, ging het publiek het te lijf met stokken en paraplu's. Het leger moest tussenbeide komen en geüniformeerde wachten moesten het doek beschermen. De lijst van gewelddaden tegen eigentijdse kunstwerken is eindeloos lang. Als er al iets nieuws onder de zon is, dan is het die onverbloemde agressie. Kon het volk tot een eind in de negentiende eeuw nog enigzins, zij het passief, deel hebben aan het zinvol omgaan met gebouwen, interieurs, kostbare materialen als goud en zilver, eigentijdse symbolen en mythes, kleurpigmenten, beeldhouwwerken, toneelteksten of (kerk)muziek, dan is de hedendaagse kunst, of het nu contemporaine fotografie, poëzie, beeldende kunst of muziek betreft, in de eerste plaats kunst voor kunstenaars en kenners, voor vakbroeders en andere ingewijden dus. Van gunstkunst (kunst ter meerdere eer en glorie van opdrachtgevers en mecaenassen) zijn we geëvolueerd naar kunstkunst, om maar eens twee lelijke termen van de Nederlandse socioloog Abram de Swaan te gebruiken. Rubens of Rembrandt konden zowel door kenners als leken gesmaakt worden, al was het maar omdat ze figuratief schilderden; om hedendaagse schilders te appreciëren is historische kennis nodig, inzicht in doelstellingen, concepten of de aard van de matière, iets wat je niet van leken mag en kan verwachten. Daardoor zijn hedendaagse doeken en beeldhouwwerken zogoed als ontoegankelijk voor de massa, en dan zwijg ik nog van installaties, concepten, processen of performances. Hetzelfde kan gezegd worden over de hedendaagse muziek. Tot in de negentiende eeuw werd er voor het grote publiek hoofdzakelijk eigentijdse muziek opgevoerd, er was bij componisten en uitvoerders wel aandacht voor de traditie, maar oudere werken werden nauwelijks ten gehore gebracht. Nu is het net andersom. Hedendaagse klassieke muziek krijgt nauwelijks mensen op de been;festivals met oude muziek des te meer. De evolutie naar meer autonomie in de kunsten heeft het ontzag en bewondering van de massa voor de eigentijdse cultuur een flinke knauw gegeven. Ik mocht het onlangs nog meemaken. Bij het 25-jarig bestaan van de VUNB (Vereniging van Uitgevers van Nederlandse Boeken) werd onder meer een stuk voor klarinet van André Laporte opgevoerd. Achteraf hoorden ik enkele studenten hun misprijzen uitspreken over deze 'wanklanken', al betrof het een vrij 'braaf' stuk, dat voor iemand die een beetje hedendaagse muziek apprecieert nauwelijks geheimen had. Maar: onbekend is onbemind.
© Leo de Haes
|
|