|
2. De kloof tussen elite- en massacultuur
'Narcisse Tordoir creëerde voor mij een werk bestaande uit drie platen, niet bevestigd tegen de muur maar loodrecht erop. Twee wanden van de zes zijn spiegels. Ik kan er mij 's ochtends in scheren. Is dat kunst? Ik weet het niet, maar ik vind het prachtig.'
'DE debilisering van DE westerse cultuur is op gang gebracht,' beweerde Jozef Deleu (kapitalen,LDH) met veel aplomb in zijn laudatio bij de uitreiking van de André Demedts-prijs aan Gaston Durnez, eind 1986. Toe maar, denk ik telkens als ik zulke apodictische taal hoor. En: hoe weet je dat allemaal zo zeker? De vraag is of Gaston Durnez van deze drammerigheid wel gediend was, want Durnez heeft meer dan eens speels-ironische kanttekeningen geplaatst bij dat soort apocalyptische uitspraken van onheilsprofeten. Maar twijfelen aan de eigen slogans en clichés is niet de grootste kracht van doemdenkers. Voor hen staat het voor eens en voor altijd vast: met onze beschaving gaat het de verkeerde kant op. De hoofdschuldige is bovendien bekend: de massacultuur en meer in het bijzonder de commerciële televisie. Om nogmaals Jozef Deleu te citeren, maar dan uit zijn redevoering Cultuur als schoudervulling: 'Terwijl de intellectuele cultuur de verzelfstandiging van de mens wil bevorderen, werkt de consumptiecultuur hoofdzakelijk zijn debilisering in de hand. De schoudervulling die de consumptiemaatschappij ons meestal biedt, is niet alleen een op commercie en consumptie gerichte cultuur die zich in wezen niet bekommert om de spirituele emancipatie van de mens; ze is vooral de zichtbare en toenemende hang naar oppervlakkigheid.' Dat lijkt me een prima samenvatting van de commerciële tijdgeest van De Medici of van de Gouden Eeuw in de Nederlanden. Tenminste voor wie er geen idealistische visie op nahoudt. Culturele bloei, zwelgpartijen, verkwisting, losse zeden, hang naar mooie kleren, prullaria en grof vermaak gingen destijds in Firenze hand in hand. Kunstenaars als Botticelli en Leonardo da Vinci waren de eersten om in dat wereldse vertoon te zwelgen. Dat kun je lezen bij Machiavelli, Vasari en Serge Bramly. Ook Simon Schama maakt in Overvloed en onbehagen duidelijk, de titel zegt het al, dat de Nederlanden tijdens de Gouden Eeuw 'een consumentenparadijs' was en dat de burgers neigden naar 'zinnelijkheid en genotzucht' en hun rijkdom liever besteedden aan consumptie dan aan produktieve investeringen. Ondanks de donderpreken van calvinisten die op spaarzaamheid, deugd en discipline aandrongen. Het onbehagen onder de mensen vloeide juist voort uit het verschil tussen de officiële, aloude retoriek en de nieuwe praktijk. Maar dat bedoelt Jozef Deleu helemaal niet. Hij denkt zoals Neil Postman eerder geschreven heeft: 'Als de bevolking wordt afgeleid met onbenulligheden, als het culturele leven verwordt tot een mallemolen van vermakelijkheden, als serieuze openbare gedachtenwissleing een soort kleuterpraat wordt, als de burger een toeschouwer wordt en publieke aangelegenheden een soort variété-nummers worden, dan is het land in gevaar en de cultuur op sterven na dood.' De samenhang tussen de verloedering van de intellectuele cultuur, zo die er al is, én het gigantische succes van de commerciële cultuur blijft weliswaar onbewezen, maar menige cultuurpessimist schreeuwt die stelling maar wat graag van de daken. Het staat chic en je haalt op die manier zelf gemakkelijk de massamedia. Ook van die paradox is Jozef Deleu onder anderen een perfecte illustratie. Zijn gispende boeken krijgen onveranderlijk veel aandacht, net zoals De gedachteloze generatie van Allan Bloom (waar nogal wat loze gedachten in staan) en Amusing ourselves to death van de net geciteerde Neil Postman. Hoe komt het toch dat deze bloedserieuze boeken die stuk voor stuk verkondigen dat er voor serieuze cultuur geen ruimte meer is, keer op keer zo serieus genomen worden? Het is een pijnlijke vraag, want het feit dat de debilisering van de westerse cultuur elk jaar weer uitblijft, heeft ze nog nooit aangezet om hun standpunten te herzien.
![]()
|