2. De kloof tussen elite- en massacultuur

'Narcisse Tordoir creëerde voor mij een werk bestaande uit drie platen, niet bevestigd tegen de muur maar loodrecht erop. Twee wanden van de zes zijn spiegels. Ik kan er mij 's ochtends in scheren. Is dat kunst? Ik weet het niet, maar ik vind het prachtig.'

Patrick Dewael

'DE debilisering van DE westerse cultuur is op gang gebracht,' beweerde Jozef Deleu (kapitalen,LDH) met veel aplomb in zijn laudatio bij de uitreiking van de André Demedts-prijs aan Gaston Durnez, eind 1986. Toe maar, denk ik telkens als ik zulke apodictische taal hoor. En: hoe weet je dat allemaal zo zeker? De vraag is of Gaston Durnez van deze drammerigheid wel gediend was, want Durnez heeft meer dan eens speels-ironische kanttekeningen geplaatst bij dat soort apocalyptische uitspraken van onheilsprofeten. Maar twijfelen aan de eigen slogans en clichés is niet de grootste kracht van doemdenkers. Voor hen staat het voor eens en voor altijd vast: met onze beschaving gaat het de verkeerde kant op. De hoofdschuldige is bovendien bekend: de massacultuur en meer in het bijzonder de commerciële televisie. Om nogmaals Jozef Deleu te citeren, maar dan uit zijn redevoering Cultuur als schoudervulling: 'Terwijl de intellectuele cultuur de verzelfstandiging van de mens wil bevorderen, werkt de consumptiecultuur hoofdzakelijk zijn debilisering in de hand. De schoudervulling die de consumptiemaatschappij ons meestal biedt, is niet alleen een op commercie en consumptie gerichte cultuur die zich in wezen niet bekommert om de spirituele emancipatie van de mens; ze is vooral de zichtbare en toenemende hang naar oppervlakkigheid.' Dat lijkt me een prima samenvatting van de commerciële tijdgeest van De Medici of van de Gouden Eeuw in de Nederlanden. Tenminste voor wie er geen idealistische visie op nahoudt. Culturele bloei, zwelgpartijen, verkwisting, losse zeden, hang naar mooie kleren, prullaria en grof vermaak gingen destijds in Firenze hand in hand. Kunstenaars als Botticelli en Leonardo da Vinci waren de eersten om in dat wereldse vertoon te zwelgen. Dat kun je lezen bij Machiavelli, Vasari en Serge Bramly. Ook Simon Schama maakt in Overvloed en onbehagen duidelijk, de titel zegt het al, dat de Nederlanden tijdens de Gouden Eeuw 'een consumentenparadijs' was en dat de burgers neigden naar 'zinnelijkheid en genotzucht' en hun rijkdom liever besteedden aan consumptie dan aan produktieve investeringen. Ondanks de donderpreken van calvinisten die op spaarzaamheid, deugd en discipline aandrongen. Het onbehagen onder de mensen vloeide juist voort uit het verschil tussen de officiële, aloude retoriek en de nieuwe praktijk. Maar dat bedoelt Jozef Deleu helemaal niet. Hij denkt zoals Neil Postman eerder geschreven heeft: 'Als de bevolking wordt afgeleid met onbenulligheden, als het culturele leven verwordt tot een mallemolen van vermakelijkheden, als serieuze openbare gedachtenwissleing een soort kleuterpraat wordt, als de burger een toeschouwer wordt en publieke aangelegenheden een soort variété-nummers worden, dan is het land in gevaar en de cultuur op sterven na dood.' De samenhang tussen de verloedering van de intellectuele cultuur, zo die er al is, én het gigantische succes van de commerciële cultuur blijft weliswaar onbewezen, maar menige cultuurpessimist schreeuwt die stelling maar wat graag van de daken. Het staat chic en je haalt op die manier zelf gemakkelijk de massamedia. Ook van die paradox is Jozef Deleu onder anderen een perfecte illustratie. Zijn gispende boeken krijgen onveranderlijk veel aandacht, net zoals De gedachteloze generatie van Allan Bloom (waar nogal wat loze gedachten in staan) en Amusing ourselves to death van de net geciteerde Neil Postman. Hoe komt het toch dat deze bloedserieuze boeken die stuk voor stuk verkondigen dat er voor serieuze cultuur geen ruimte meer is, keer op keer zo serieus genomen worden? Het is een pijnlijke vraag, want het feit dat de debilisering van de westerse cultuur elk jaar weer uitblijft, heeft ze nog nooit aangezet om hun standpunten te herzien.
Dat er een tegenstrijdigheid bestaat tussen de onheilsboodschap die ze verkondigen en de aandacht en het respect die ze ermee oogsten, gaat aan hen voorbij. Dat het met de kwaliteit en de verscheidenheid binnen die verguisde massacultuur wel wil meevallen, hebben we met harde feiten in hoofdstuk één aangetoond. Maar hoe staat het met de elitecultuur zelf? Maken we echt een tijdperk van culturele drooglegging mee? Is er ook op dit punt sprake van vervlakking? Komt de intellectuele cultuur niet meer aan de bak? Eén ding staat vast voor wie even met open ogen om zich heen kijkt, zelfs in deze helft van het kleine koninkrijk België is het elitair-culturele aanbod veelvuldig, pluriform, kwalitattief hoogstaand en beweeglijk: de Nederlandse literatuur kent een bloeiperiode, tot en met in het buitenland; voor de Muntschouwburg loopt het nog altijd storm; Vlaamse theater- en dansgroepen oogsten internationaal succes én buitenlandse gezelschappen uit de hele wereld kunnen ook bij ons op volle zalen rekenen; het aantal klassieke concerten (alleen al die van het Festival van Vlaanderen) is nauwelijks te volgen; zelfs een zo intimistisch genre als de poëzie verovert de podia; het bibliotheekbezoek breekt het ene record na het andere; musea en tentoonstellingen hebben nooit eerder zoveel publieke belangstelling gekend en een Belgische popgroep als dEUs wordt zelfs genomineerd voor een MTV-Award. Wie zijn natte vinger dan ook op zak houdt, zijn strikt verliteratuurde bril afzet en even de moeite neemt het culturele landschap ernstig te overschouwen, kan niet anders dan tot de conclusie komen dat er veeleer een overvloed is dan bloedarmoede. Dat dat overaanbod aan cultuurgoederen en -praktijken de nodige problemen met zich meebrengen, zal ik niet ontkennen, maar dat is eerder een zakelijk dan een cultureel probleem. Ieder boek is een concurrent voor een ander boek, ook binnen het eigen fonds. Als uitgever kan ik daar over meepraten en die situatie zal ook wel gelden voor cd's, concerten en films, maar daar gaat het hier even niet om. Het punt is dat er van geen culturele verschraling sprake is. Het gaat trouwens niet louter om het immense aanbod van pluriforme cultuurgoederen op de markt, maar om de intrinsieke kwaliteit ervan. Veel van wat ik hier heb opgesomd beantwoordt aan internationale normen. Als het echt zo slecht zou gaan, waarom zijn er dan nog Memling-, Modigliani- en Hoppertentoonstellingen, waarom wordt er dan nog een Monteverdi-festival in Antwerpen georganiseerd of wordt Montserrat Figueras naar België uitgenodigd. Waarom wordt het theater van de Oostenrijker Werner Schwab in de Nederlanden geïntroduceerd en hoe komt het, als alles verschrompelt en verdort, dat de Nederlandse literatuur desondanks goed genoeg bevonden wordt om op grote schaal in het Duits te worden vertaald? De ondergang van de wereld is niet meer wat hij geweest is, schreef de eeuwig ironische Hans Magnus Enzensberger al jaren geleden. En hij heeft gelijk.


© Leo de Haes