Het failliet van de leescultuur

In elk debat over de massamedia komt de voortschrijdende leeserosie ter sprake. Het scheelt niet veel of Mike Verdrengh en Guido Depraetere worden hoogst persoonlijk verantwoordelijk gesteld voor dit failliet van de leescultuur. Het komische is (en tegelijkertijd de tragiek van elke culturele ondergangsfilosoof): de leescultuur is helemaal niet failliet. Het jongste decennium is het aantal ontleningen in de Vlaamse bibliotheken met 50% gestegen en het aantal boekontleners met ruim 35% Er wordt zoveel geleend dat het bibliotheekpersoneel het werk niet meer aankan, en af en toe met staking dreigt. Ook het aantal nieuwe boektitels blijft stijgen, al zegt dat op zich niet alles, maar het is wel een leuke bijkomstigheid voor de echte lezer want het aanbod wordt almaar groter. Regelmatig alarmerende berichten, met name dat er geen literatuur meer wordt gekocht, moeten in perspectief worden geplaatst. Zo maakte mijn boekhandelaar De Groene Waterman zich vorig jaar tot in mei zorgen over de slinkende literatuurverkoop. Toen verscheen plots De wereld van Sofie en in september kwamen er nog boeken bij van Màrquez, Irving, Van Dis en Hugo Claus. Eind 1994 had hij een schitterend 'literair' jaar gehad. Of literatuur goed dan wel slecht verkoopt, hangt dus in grote mate af of bepaalde goedverkopende schrijvers dat jaar al dan niet een boek publiceren. Kortom, het gelijk in de discussie wordt niet bepaald door de winst- of verliescijfers van een half jaar of zelfs van één jaar, maar door lange termijn-statistieken. Typerend zijn bijvoorbeeld de cijfers van (West-)Duitsland. Volgens Die Zeit is het aantal titels er, ondanks enkele spectaculaire inzinkingen, tussen 1968 en 1988 meer dan verdubbeld. Die Zeit schreef dan ook terecht 'Die Sorge, das Fernsehen verdränge in der Bundesrepublik immer stärker das Buch, is ganz offensichtlich unbegründet.' Niets wijst erop dat het in Vlaanderen anders is. Vooral de klacht dat jongeren niet meer lezen, wordt door heel wat onderzoeken tegengesproken. In Leesbeesten en Kijkcijfers, een studie over het leesgedrag van Vlaamse jongeren op basis van 19.116 informanten, concludeert Rita Ghesquiere: 'De leesattitude van onze informanten is opvallend positief en wordt gekoppeld aan een hoge leesfrequentie. Dit is voor kinderen niet zo uitzonderlijk. Parallelle onderzoeken in andere landen vertonen vergelijkbare cijfers. Kinderen en jongeren lezen duidelijk veel meer dan volwassenen.' Een andere conclusie van Rita Ghesquiere is: 'Kinderen vinden ook in onze door beelden en computerspelletjes beheerste wereld tijd en ruimte om te lezen. Voor een grote groep kinderen is lezen een belangrijke vrijetijdsbesteding, naast sporten ook een "eerste keus" bezigheid. Lezen en tv-kijken bevinden zich vaak in een concurrentiële positie. Bij weinig-lezers en niet-lezers komt tv-kijken op de eerste plaats. Bij de veel-lezers verschuift televisie naar de derde plaats. Maar lezen en televisiekijken kunnen elkaar ook aanvullen. Heel wat kinderen willen een verhaal lezen nadat ze de verfilming hebben gezien. In de reeks externe factoren is de verfilming de sterkste leesprikkel. Maar de belangrijkste reden waarom kinderen lezen is de verveling."
Dat jongeren veel met hun neus in de boeken zitten, wordt ook bevestigd door de enquête die Dimarso in opdracht van Minister van Cultuur Hugo Weckx van 1 juni 1993 tot 30 juni 1994 hield bij 14.000 Vlamingen. Van de jongeren tot 14 jaar leest 45% één boek per week, 71% één boek per maand. Pas vanaf de puberteit begint de 'ontlezing' en ziet de algemene situatie er bepaald somberder uit: zowat 53% van de Vlamingen leest nooit een boek - in 1972 was dat nog 33%. Ook het koopgedrag is op ruim twintig jaar grondig gewijzigd. Slechts 23 procent van de ondervraagden koopt één boek per maand (in 1972 was dat nog 39 procent). Ook bij de hoger opgeleiden bedraagt het aantal niet-lezers 23 procent.
Rooskleurig is deze situatie beslist niet. Maar moeten we daarom van cultureel verval gewagen? Zowel de studie van Rita Ghesquiere als die van Dimarso geven aan dat zodra jongeren de adolescentie bereiken ze voor hun ontspanning minder naar boeken grijpen. De reden ligt voor de hand: ze ontdekken pas dan ten volle het brede palet van andere culturele mogelijkheden zoals film, disco, (pop)muziek, theater, museum, video, televisie, sport, dans, eendagsdagtoerisme, buitenlandse vakanties, fitness, amateuristische kunstbeoefening, het pluriforme verenigingsleven, engagement bij one issue-organisaties als Greenpeace en Amnesty International, restaurantbezoek, enzovoort. Door de gestegen welvaart en de al even exponentieel gestegen vrije tijd in onze samenleving zijn de mogelijkheden om zijn tijd zoek te maken legio en divers. Met een boekje in een hoekje is, in tegenstelling tot vroeger, nog slechts één van de talloze vrijetijdsbestedingen. Lezen is, behalve louter amusement, bij wijze van spreken een subcultuur naast de zovele andere. Als we morgen het rijke culturele aanbod van vandaag weer verschralen tot dat van dertig jaar geleden, zal het aantal lezers ongetwijfeld vanzelf weer de hoogte inschieten, bij gebrek aan beter, of liever, aan iets anders. Maar dat kan toch niet de bedoeling zijn? Cultuur is niet uitsluitend leescultuur, het is, om met John Fiske te spreken, 'the constant process of producing meanings of and from our social experiece, and such meanings necessarily produce a social identity for the people involved.' Met andere woorden, via cultuur creëren mensen en dus de samenleving (zie ook derde hoofdstuk) een eigen identiteit. Lezen vormt in die identiteitsopbouw maar één mogelijkheid. En blijkbaar is ze voor velen niet langer de meest voor de hand liggende. De neiging om de leescultuur hoger dan andere subculturen te plaatsen vloeit volgens mij voort uit het door elkaar husselen van de dubbele betekenis van het woord alfabetisme. Het betekent namelijk zowel 'geletterdheid' als 'kunnen lezen'. Het laatste moet (ook vanwege de overheid) een streefdoel voor iedereen zijn, want zonder leesvaardigheid ben je zwaar sociaal gehandicapt in onze samenleving; geletterdheid daarentegen is slechts voor weinigen weggelegd, net zoals liefde voor en overgave aan beeldende kunst, klassieke muziek of film, subculturen die net zo goed over het nodige identiteitsopbouwpotentieel beschikken. Wat film betreft moet je maar de boeken van Eric de Kuyper lezen om dat ten volle te beseffen. Wat mijn eigen vak aangaat, ik ben geen uitgever moeten worden om tot de vaststelling te komen dat er weinig boeken gelezen worden. Ik weet dat al mijn hele leven, precies omdat ik een boekenwurm ben en al die tijd heb mogen ervaren hoe weinig anderen lezen. Die ervaring heeft me juist zo realistisch gemaakt. Goede boeken hebben trouwens met minder goede boeken gemeen dat ze goed kunnen verkopen, middelmatig en slecht.
De huidige 'ontlezingsgolf' moet je ook niet volledig in de schoenen van de massamedia schuiven. Er zullen natuurlijk wel pulplezers door de jaren heen overgeschakeld zijn naar televisiepulp, en wat dan nog, maar verder geloof ik niet zo sterk in een directe causale band tussen lees- en kijkgedrag, zeker niet bij fanatieke kijkers van commerciële televisie. Geen enkele door de wol geverfde VTM'er zou bij wijze van alternatief naar de Schone Letteren grijpen als het VMT-signaal enkele dagen van de kabel verdween. Hij zou naar de BRTN terugkeren of naar een populair Nederlands tv-zender kijken. Hij zou desnoods nog liever de hele Shakespeare-bewerking van de BBC uitzitten dan dat hij naar een boek van Rilke, Llosa, Doris Lessing, Nadine Gordimer, Jenny Diski of Raymond Carver zou grijpen, gesteld dat hij die auteursnamen al kent. Maar we hoeven het niet eens zo elitair te zoeken. Er zijn simpelere voorbeelden van de incompatibiliteit tussen VTM-kijkers en leesgedrag. Roularta heeft enkele jaren geleden samen met de VAR de serie Magaboek opgezet, een bastaardzoon van een magazine én een boek. De eersteling in deze serie ging over het razend populaire FC De Kampioenen, een feuilleton dat soms tot 2 miljoen kijkers heeft. Ondanks een tiental tv-spots erbovenop, was het boek zo succesrijk dat er nooit nog een ander Magaboek is verschenen. Nochtans, het was een idee van de supermanager van de VUM, Marc Appel. Hoe kan dat? Zo'n boek valt tussen twee stoelen: de fans van de serie zijn niet geïnteresseerd in het boek, terwijl de ware lezer heuse boeken wil lezen, en geen slappe spin off van een ordinair tv-feuilleton. Uitgeverij Coda had al even hoge verwachtingen als Var/Roularta van Helemaal Jacques, een boek over Jacques Vermeire, maar ook die verwachtingen zijn niet uitgekomen. Ik heb zelf als uitgever in de subinprint Hadewijch populair bij wijze van test het boek uitgegeven Het beste uit Luc, een verzameling interviews met gasten uit de praatshow van Luc Appermont. Op piekmomenten haalde dat programma gemakkelijk meer dan 1,5 miljoen kijkers. Het boek daarentegen heeft nauwelijks meer dan 1500 exemplaren verkocht. Dat is in alle opzichten van doelgroepbereik slecht te noemen. Deze drie voorbeelden bewijzen dat boeken, gemaakt naar populistische tv-programma's, meestal weinig populair zijn. Daar is maar één verklaring voor: liefhebbers van populistische tv-programma's zijn géén lezers.
De echte kern van de discussie over de tanende leescultuur ligt elders. Rita Ghesquiere raakt die aan in haar onderzoek Leesbeesten en Kijkcijfers als ze spreekt over lezers en niet-lezers. Volgens mij word je inderdaad in grote mate als lezer geboren. Of iemand lezer is of niet-lezer merk je meteen al bij kinderen. Iedereen kent in zijn omgeving wel jongeren die ook na 'spertijd' met een lamp onder de deken hun leeshonger proberen te stillen. Een neefje van me was zelfs woest, omdat hij na zijn eerste dag in het eerste leerjaar nog altijd niet kon lezen, terwijl dat toch in het vooruitzicht was gesteld! Met elk nieuw boek is hij in de zevende hemel. Andere neefjes en nichtjes hebben daarentegen nog liever géén cadeau dan dat ik ze een boek geef; een onhebbelijkheid die ik intussen dan ook heb afgeleerd. Hun behoefte aan fictie wordt op een andere manier - door de tv bijvoorbeeld maar ook door hun eigen fantasie - gestild. Lezen of niet lezen is dus veel meer karakterieel bepaald dan dat het, althans in het westen op het einde van de twintigste eeuw, uitsluitend te maken heeft met opvoeding of sociale herkomst, al kunnen opvoeding, onderwijs en milieu wel het leesgedrag initieel positief of negatief beïnvloeden. Maar dat laatste is een andere discussie. Ik beperk me hier tot lezers en niet-lezers (zoals er ook mensen zijn die met muziek door het leven gaan en anderen die perfect gelukkig zijn zonder één noot muziek), en dat onderscheid heeft niets te maken met opleiding. Zeer erkenbaar in dit opzicht vond ik een scene uit het boek En wanneer zag jij voor het laatst je vader? van Blake Morrison. De ik-figuur (Blake Morrison) zit voortdurend met zijn neus in de boeken, terwijl hij zijn vader (nochtans een arts) tot zijn grote ergernis in heel zijn leven maar één boek heeft zien lezen, en dan nog Jaws. Ik ken inderdaad advocaten en dokters die nooit één boek opslaan, tenzij vakliteratuur, terwijl menig taxichauffeur of vertegenwoordiger tijdens zijn dode uren boeken leest. Zo spoorde ik eens op een rustige zondagavond van de kust naar Antwerpen. Ik was verdiept in Patrimonium van Philip Roth. De kaartjesknipper kwam langs en wilde per se weten of het boek de moeite waard was, want hij en zijn vrouw lazen voortdurend, zei hij. Hij noteerde na mijn uitleg alle referenties en stapte fluitend verder. In NRC-Handelsblad vertelde Maarten 't Hart in de zomer van 1991 dat hij alle uren die hij niet leest als verspilde tijd beschouwt. Ik ken nog zulke mensen, maar ik ken ook mensen die dezelfde neurotische relatie met muziek hebben of met film. Hoe dan ook, ik herken me zelf wel in de uitspraak van Maarten 't Hart, maar dat belet niet dat ik tegelijk aanvaard dat lezen maar één manier van leven is, en daarom nog geen betere, laat staan de beste. Voor mezelf is het de beste manier, maar verder gaan mijn aanspraken niet. We zullen er ons moeten bij neerleggen dat de leescultuur weliswaar voor iedereen bereikbaar hoort te zijn maar dat geletterdheid slechts voor een beperkt aantal mensen is voorbehouden. Of zich hoeft dat zelfs niet negatief te zijn, want de lezers die blijven vormen weliswaar een minderheid maar het zijn lezers die vrijwillig lezen, uit puur plezier, existentiële noodzaak of honger naar kennis. Je zou kunnen zeggen: de litertuur komt op die manier weer toe waar ze eeuwen lang heeft thuis gehoord: bij een elite, 'het ware, werkelijke publiek, een minderheid van tien tot twintigduizend mensen die zich niets wijs laten maken, dat publiek heeft zich alleng losgekoppeld van de poppenkast van de grote media.' (H. M. Enzensberger). Wat me verbaast is boekenwurmen die realiteit zo weinig kunnen relativeren, terwijl lezen precies tot betere inzichten, zelfkritiek en relativering zou moeten bijdragen. Om nog eens Hans Magnus Enzensberger te citeren: 'Alleen wij, dat wil zeggen een kleine minderheid van mensen die lezen en schrijven, konden op het idee komen mensen die dat niet plegen te doen, voor een kleine minderheid te houden.' We redeneren zo omdat we de neiging hebben het boek tot iets heiligs te verheffen en omdat we vrezen dat de literatuur onderuit gehaald wordt door de banale beeldcultuur om ons heen. Dat getuigt in de eerste plaats van een wankel geloof in de eigen kracht van literatuur. Bovendien: waarom hoeven beeld- en woordcultuur altijd als vijanden tegenover elkaar te worden gezet? De hele wereldliteratuur is één grote jammerklacht over de onvolkomenheden van het woord, over woordbederf ook. Telkens weer hebben schrijvers nieuwe pogingen ondernomen om de 'gecorrumpeerde' taal weer een authentieke betekenis te geven. Hoewel woorden graag worden voorgesteld als de voertuigen van de geest (in tegenstelling tot beelden die het zinnelijke zouden vertegenwoordigen), neigen ze tot veralgemeniseringen, waardoor genuanceerd spreken zo moeilijk is. We hebben het over de burger, de debilisering, de westerse cultuur, de geschiedenis, de veramerikanisering, de kerk, allemaal monolitische begrippen waarin details en tendensen verdwijnen. De woordcultuur is dus niet alles, letterlijk en figuurlijk. Johan de Vos heeft er in een opiniestuk in De Morgen terecht op gewezen dat één foto of één beeld vaak meer vertelt dan een heel artikel. Maar in het reguliere mediadebat krijgt die stem nooit een kans. Hoor je klassieke muzikanten en componisten zeuren over het succes van de popmuziek? Hoor je driesterren-koks jeremiëren over de ondergang van de eetcultuur omdat hamburgertenten de wereld veroveren? Storen kunstschilders zich aan zondagskladderaars? Nee toch. Alleen vertegenwoordigers van de woordcultuur zetten voortdurend een ongenuanceerde keel op en vinden het nodig om telkens weer te schermen met termen van goed en kwaad. Ik ken bovendien geen milieu waarin zo gestookt wordt als in het boekbedrijf. Voortdurend wordt er gezeurd en geklaagd en spijkers op laagwater gezocht: er worden geen dikke boeken meer geschreven; je moet tegenwoordig niet meer kunnen schrijven maar performen (je zal het maar geloven!); het gaat slecht met de Vlaamse uitgeverijen; er zijn te veel, respectievelijk te weinig debuten; de mensen lezen alleen nog de recensies en niet meer de boeken zelf; er zijn te veel culturele bijlagen (sic!); we worden ondergedompeld in een 'eeuwige ruis van esthetische commentaar, van voorverpakt ge-orakel' (dixit George Steiner); bestsellerlezers zijn geen echte lezers; pockets zijn een teken van cultureel verval; enzovoort. Zelfs als er al eens een goedverkopend boek is wordt het in het boekenvak met ongeziene gretigheid neergehaald, want succesrijke boeken zijn voor sommigen per definitie verdacht. Patricia de Martelaere schreef in GvA neerbuigend dat het succes van De wereld van Sofie 'weleens zou kunnen gebaseerd zijn op het blasé-intellectualisme van jongeren die, net als hun erudiete ouders, willen uitpakken met het feit dat ze een heuse "filosofische roman" op het nachtkastje hebben liggen.' En Professor Marcel Janssens bagateliseerde destijds raillerend het succes van De naam van de Roos van Umberto Eco, omdat een enquête in Italië had uitgewezen dat slechts één derde van degenen die dit boek gekocht had het ook effectief had gelezen. Ik begrijp de zin van al dat gehetz niet. Ten eerste gaat het in het geval van De naam van de Roos nog om een respectabel aantal lezers, ten tweede vormen de nabijheid en bereikbaarheid van boeken in je onmiddellijke omgeving een onontbeerlijk onderdeel van de leescultuur, ten derde zou het boekbedrijf pas echt failliet gaan, als mensen uitsluitend nog boeken kochten die ze (meteen) zouden lezen. Ook de leescultuur kan niet zonder ambiance, zonder een positieve sfeer van boeken kopen, er kennis van nemen, eraan ruiken en snuiven, ze doorbladeren, ze bezitten, ze kunnen raadplegen, er enkele pagina's in lezen, ze halfgelezen weggooien, ze op toilet en op het nachtkastje laten rondslingeren, ze voortdurend in handbereik hebben, er kritieken over lezen, er in je hoofd mee bezig zijn, ze willen lezen omdat je vrienden ze hebben gelezen of omdat ze in de top tien staan,... Lezen is een fundamenteel menselijk gebeuren, met alles erop en eraan.
Sommige intellectuelen zouden graag zien dat anderen precies hetzelfde lazen als zij. In Apollo's klacht, en een klaagzang is het, schreef Knack-journalist Marc Reynebeau: 'Wie niets anders leest dan Courts-Mahler, kan zich niet meer voorstellen dat literatuur er ook anders kan uitzien.' Hoezo niet meer? Overtuigde Courts-Mahler-lezers hebben nooit geweten wat zogenaamd betere literatuur is. Het interesseert ze ook niet. Het is dus een wereldvreemde uitspraak van Marc Reynebeau. Hij gaat ervan uit dat iedereen voldoende sensibel, verstandig en smaakvol is om van de Schone Letteren (en de burgerlijke cultuur in het algemeen) te kunnen genieten. Dat is helaas niet zo, niet iedereen bezit dezelfde culturele competentie en dat ligt niet in de eerste plaats aan onze maatschappelijke ordening. We leven in een egalitaire maatschappij waarin de meeste cultuurgoederen voor vrijwel iedereen op een betaalbare manier ter consumptie worden aangereikt. Desondanks blijft lezen de bezigheid van een kleine harde kern. Het kan geen kwaad om daar van doordrongen te zijn. Of om op Reynebeaus uitspraak te variëren: wie te veel met Literatuur en Cultuur bezig is, weet soms niet meer dat er nog een andere werkelijkheid bestaat. Het pleit voor Marc Reynebeau dat hij intussen veel minder dogmatisch denkt en dat hij af en toe eens naast en boven zijn leesbrilletje kijkt, zodat er ook ruimte komt voor meer dan alleen maar boekenwijsheid. Ik heb alleen maar uit zijn inmiddels gedateerd boek geciteerd, omdat zulke meningen bij intellectuelen legio voorkomen.
Zeer typerend in dat opzicht is wat auteur en vertaler August Willemsen tot mijn eigen verbijstering aan Humo vertelde, naar aanleiding van zijn alcoholontwenningskuur: 'In Huize J. werd ik geconfronteerd met "gewone mensen" die nooit lazen, die maar leefden en verder niks. Het gaf mij een idee van een soort samenleving, waarvan ik vermoedde dat die bestond, maar waar ik nooit echt mee te maken had gehad: en nu werd ik er helemààl met de neus opgedrukt, een half jaar lang, zonder eruit weg te kunnen. Huivering beving me bij de geachte aan het systeem democratie: al die runderkoppen hebben stemrecht! Ik had al niet zo'n hoge hoed op van het mensdom, maar die hoed is dààr nog lager gaan zitten.' Runderkoppen! Niet zo'n hoge hoed op van! Huiver voor de democratie! Toe maar. Over August Willemsen verder geen kwaad woord - hij verdient het in de adelstand te worden verheven voor zijn vertalingen van Fernando Pessoa, Carlos Drummond de Andrade en Machado de Assis - maar zelden vond ik zo open en bloot en onbeschaamd de dubieuze politieke kern van alle culturele zwartkijkerij in een notedop: een fundamenteel antidemocratisch elitarisme.
Ik heb trouwens al eerder gewezen op de convergentie in het denken over cultuur van Eric van Rompuy of Karel Dillen en zogenaamde progressieven. Veel kritiek op de massamedia is eigenlijk regelrecht tegen de massa zelf gericht. De egalitaire samenleving is er gekomen onder stuwing van (sociaal-)democratische krachten, maar velen van hen die daarvoor gevochten hebben, keren zich nu verbitterd af, omdat ze vaststellen dat het grote publiek in een democratie uiteindelijk niet massaal kiest voor de elitecultuur maar voor het gemakkelijke, commerciële entertainment. Zoals de helft van de Belgische bevolking zonder stemplicht ook niet meer zou gaan stemmen, de ondankbaren! Maar daar is het in een democratie niet om te doen. Het gaat in een democratie in de allereerste plaats om het openhouden van fundamentele keuzemogelijkheden voor elk individu. Wat die keuze ook moge wezen, een democraat moet die respecteren en dat respect geldt zowel op politiek, sociaal-economisch als cultureel vlak.


© Leo de Haes