|
Veramerikanisering
We veramerikaniseren volop, hoor je overal. Dat zal ik niet ontkennen, maar ook bij dit fetisj-begrip horen enkele serieuze correcties en nuanceringen. Tegenover veramerikanisering stellen we onze eigen Europese cultuur. Maar wat bedoelen we daarmee? Ik weet amper wat ik me er bij moet voorstellen. De Indogermaanse taalverwantschap? De humanistische traditie? Het joods-christelijke erfgoed? De meertaligheid? De collectieve herinnering aan de Holocaust? Het trauma van de inquisitie, de heksenvervolging en het bloedige kolonialisme? Genocide en etnocide? Want de Europese cultuur heeft niet alleen christelijke waarden en Verlichtingidealen als de democratie, humanisme en wetenschapelijke vooruitgang voortgebracht, maar ook de barbaarsheden van het nazisme, fascisme, stalinisme en imperialisme. Europa heeft, ondanks zijn culturele, wijsgerige en wetenschappelijk rijkdom, ook een spoor van vernietiging, oorlog en geweld doorheen de geschiedenis getrokken. De term Europese cultuur is dus niet eenzijdig positief te interpreteren, zoals Ton Lemaire in zijn essay Twijfel aan Europa duidelijk laat zien.
Soms hoor je wel eens, dat Europeanen meer diepgang hebben? Kan je dat in zijn algemeenheid zo wel stellen? En indien ja, meer diepgang tegenover wie en wat dan? Heeft Daniël Buren meer diepgang dan Donald Judd? Kristien Hemmerechts meer dan Donna Tartt (ik noem Susan Sontag bewust niet)? Pierre Boulez meer dan John Cage? Stijn Conincx meer dan, ja meer dan wie? Het zou al te demagogisch zijn deze baron te vergelijken met Spielberg of zelfs maar Jim Jarmusch. En dan heb ik het alleen nog maar over kunstenaars.
Wat bij deze spontane name dropping opvalt is dat telkens Europa tegen de V.S. wordt uitgespeeld. Dat is haast een geconditioneerde reflex in Europa. Elke discussie over cultuur gaat hier over de 'vijand' Amerika. Progressieve doemdenkers gaan op dit punt hand in hand met Vlaams Blokkers en andere rechtse rakkers. De rest van de wereld valt daarbij meestal uit hun blikveld. En waarom? Daar gaat zogenaamd geen dreiging van uit. Uitingen van andere verre culturen bereiken alleen maar Wereldwinkeliers, academici of multiculturele dwepers. Maar de Amerikaanse cultuur overspoelt heel Europa! Wat zeg ik? Het Amerikaanse cultuurimperialisme spoelt onze cultuur gewoon weg! Althans, dat wordt ons wijs gemaakt. Maar is dat wel zo? Een banaal setje examenvragen kan al ontnuchterend werken. Hier gaan we: noem vijf hedendaagse klassieke Amerikaanse componisten, vijf Amerikaanse schilders, toneelauteurs, dichters, choreografen, fotografen en filosofen. Ik verwed er mijn hoofd op dat 99% van de Europeanen het examen in september mag overdoen. Hoe kan Europa door de Amerikaanse cultuur overspoeld worden, terwijl we er nauwelijks meer over weten dan over de cultuur van de hottentotten? Omdat de Amerikaanse cultuur gelijk gesteld wordt met de audiovisuele produktie en de popcultuur! Amerika is voor ons Dallas, Rambo, Michael Jackson, Madonna, Prince, en Jurassic Park. En tegen dat ononderbroken audiovisueel of muzikaal bombardement zijn we inderdaad niet opgewassen, alleen al economisch niet, maar dat eenrichtingsverkeer is, laten we eerlijk wezen, beperkt tot de amusementsindustrie. De zogenaamde Hogere Cultuur vergaat het veel beter. Karel Appel is net zo goed in New York bekend als in Amsterdam; Anne Teresa De Keersmaeker danst zowel in Tokio, Londen, Los Angeles als in Brussel, en I Fiaminghi, onze muzikale culturele ambassadeurs, doen de hele wereld aan, net als Paul van Nevel. Kortom, ook de Hoge Cultuur heeft een Hoge vlucht genomen, de Europese inbegrepen. Gelukkig is niemand bij ons zo dwaas te denken dat we met La Vie Sexuelle des Belges, Kokoflanel, De kotmadam of Max de wereld aan onze voeten zullen krijgen, al hoopten sommigen dat wel van Daens. Geen kwaad woord over dit sociaal-sentimentele epos, maar het is buiten de provincie Vlaanderen al even moeilijk te slijten als Indiase soap bij ons. Moet dit soort folkloristische films en tv-produkties, en je hebt ze in diverse soorten en talen in Europa, van Tiroler Lederhosenporno tot Italiaanse pathos, beschermd worden door invoerquota's? Het antwoord vind je door een andere vraag te stellen: moet de Nederlandse literatuur in bescherming genomen worden door een invoerverbod op de boeken van Donna Dart, Salman Rusdie, Jostein Gaarder, John Irving, Stephen King, Robert Ludlum of Jung Chang? Nee, natuurlijk! Toch stelde Frankrijk eind 1993 in het kader van de GATT-onderhandelingen invoerquota's op Amerikaanse audiovisuele produkten voor. Alsof het Japanse auto's, kernafval of varkensmest betrof. Akkoord, de Europese films kunnen niet tegen de Amerikaanse op, zeker niet in kwantiteit, maar dat is nog geen reden om Amerikaanse import te beperken. Tenzij je je op een plat commercieel standpunt stelt en je culturele argumenten misbruikt om een pure portemonneekwestie te beslechten. Er klopt wel meer niet. Kwaliteitscriteria worden in het debat nooit ter sprake gebracht. Wat wij doen doen we beter, luidt het erg nationalistisch, maar als ik moet kiezen tussen Amerikaanse junk of Eurobrol, dan heb ik geen mening. Of beter, ik ben dan superdemocratisch en laat het aan het volk over om te beslissen wat het volk wil. En die keuze is bekend. Ondanks alle technologische Amerikaanse hoogstandjes geldt: eigen flauwekul eerst! Zo was het al met De heren van Zichem, zo is het nu met Wittekerke.
De enige juiste conclusie is dus: niet sikkeneuren over de overvloed aan Amerikaanse rommel, maar zoveel mogelijk eigen kwaliteitsprogramma's maken. Maar daar schort het hem precies. Europa wil de import van Amerikaanse populaire cultuur aan banden leggen, maar weet zelf vaak niets beters te verzinnen dan Amerikaanse imitaties. Zo filmen bepaalde Nederlandse regisseurs bij voorkeur Amerikaanser dan de Amerikanen zelf. Zie Basic Instinct. Ik kan me ook met de beste wil van de wereld niet meer herinneren dat ik de laatste vijf jaar nog een Franse kwaliteitsfilm gezien heb, waarvoor ik door het vuur zou willen lopen, terwijl ik zo twaalf films kan noemen, niet van Polen, maar van éénenkele Pool, met name Kieslowski, die wel indruk hebben gemaakt (maar hoort Polen nog wel tot Europa?). Frankrijk en dus Europa zou zijn tijd en energie beter niet langer investeren in pleidooien voor invoerquota's, maar in overheidssteun voor audiovisuele kwaliteitsprodukten. Dat ze Arte voor het volle pond steunen. Die culturele zender gaat met zijn Duits-Franse as al flink de goede Europese richting uit. Of projecten à la Beeldstorm, Nauwgezet en wanhopig of Een schitterend ongeluk, tv-produkties die een kleine omroep als de VPRO op zijn eentje voor elkaar krijgt. Op dezelfde manier moet de Vlaamse Gemeenschap geen geld vergooien aan Urbanussuccessen maar aan films, projecten of tv-programma's die dat niveau mijlenver overstijgen, en die zonder overheidsinbreng geen kans maken. Dit is dus een pleidooi voor de publieke omroep, al vrees ik dat men voor de BRTN van nul af zal moeten beginnen. Ik pleit niet een publieke omroepe uit een of andere bevoogdend principe, maar uit de pure noodzaak een zo breed mogelijke keuze te vrijwaren. Zo zou het trouwens overal in Europa moeten toegaan. Laten we ons arm subsidiëren aan kwaliteit. Want kwaliteit loont op de lange termijn. De Amerikanen zullen in naam van de concurrentie wel protesteren tegen zulke overheidssubsidies, maar dat hoeven we ons niet aan te trekken. Europa's steun aan de eigen cultuurproduktie is even legitiem als de overheidssteun van Amerika aan zijn defensie-industrie. Ook cultuur is een kwestie van binnenlandse veiligheid. Sterker, onze culturele identiteit is een vorm van zelfverdediging.
Los daarvan, kun je moeilijk volhouden dat de Amerikaanse cultuur zonder meer banaal is. Dat geldt al niet voor het volledige pakket aan amusement, dat gelt nog veel minder voor de rest. Zie wat de audivisuele media betreft: Hill Street Blues, Twin Peaks, Soap, en zo meer. Voor de rest dankt Europa nogal wat belangrijke inzichten die we als Europees ervaren aan Amerika. De ideeën van mei '68 en de vrouwenemancipatie zijn er maar twee voorbeelden van. De filosoof Ludo Abicht heeft daar in Streven (juli 1991) een behartenswaardig artikel over geschreven. Hij kapittelt daarin terecht het anti-Amerikanisme van links (trouwens ook van rechts) omdat deze progressieven niet beseffen dat de basis van hun eigen ideeëngoed over de oceaan ligt. Ludo Abicht schrijft daarover: 'Wanneer iemand het heeft over de "hamburgercultuur", de "macdonaldisering" of "cocacolarisering" van onze Europese beschaving, en daarbij op de bijval van het kritische intellectuele publiek mag rekenen, denk ik bijna instinctief terug aan de betogingen en soms levensgevaarlijke acties voor de mensenrechten van de kleurlingen in de VS, de durf van de allereerste activisten van de tweede feministische golf, de dienstweigering van tienduizenden Amerikaanse jongeren tijdens de Vietnamoorlog en de goed geïnformeerde ecologische pressiegroepen op een ogenblik dat hier van de Groenen nog helemaal geen sprake was. Het valt moeilijk, ook maar één "nieuwe sociale beweging" te noemen die oorspronkelijk niet eerst in de VS actief geweest is, van de Grijze Panters tot de organisaties voor rolstoelpatiënten en de homofiele "bevrijdingsfronten", om in het jargon van die jaren te blijven. Zo kunnen we de lijst van "goede en slechte" eigenschappen aan beide kanten uitbreiden, waarbij het helemaal niet mijn bedoeling is het ene met behulp van het andere goed te praten. Ik wil er alleen op wijzen hoe complex een eerlijk en realistisch oordeel over de VS onvermijdelijk moet worden, want zonder deze complexiteit dreigen we in onze afkeer tegen de "veramerikanisering" die waardevolle elementen te verwaarlozen die een toekomstige Europese cultuur niet zou mogen missen.' Zo is het maar net.
Volgens Abram de Swaan is de veramerikanisering bij ons zelfs veeleer afgenomen dan toegenomen. De veramerikanisering was in de jaren vijftig en zestig veel sterker dan nu. Ik geloof hem op zijn woord. De kennis en doorstroming van andere culturen dan de Amerikaanse, uitgerekend via de massamedia, is de laatste jaren exponentieel toegenomen. Kijk maar naar de ontsluiting van hele continenten in de boekenwereld: Zuid-Amerika, Afrika, Zuid-Afrika, het Iberisch schiereiland, het vroegere Oostblok, Japan, India, China en zelfs Australië. Soms verschijnt de Nederlandse vertaling van een boek al op hetzelfde moment als het origineel. Als de schrijfster Taslima Nasrin in Bangladesh wegens haar roman Lajja ter dood veroordeeld wordt, ligt het boek amper enkele weken later bij ons in het Nederlands in de winkel. Op de opkomst van de wereldmuziek heb ik al eerder gewezen en ook wat toneel, dans of klassieke muziek betreft kun je hier net zo goed een Zuidafrikaanse groep aan het werk zien als een Mexicaanse, Russische of Japanse. Alleen de televisie blijft in dat opzicht wat achter, al zijn ook lang niet alle buitenlandse feuilletons of films Amerikaans. Als de Amerikaanse tv-programma's (voorlopig?) zo dominant zijn, dan is dat om de eenvoudige reden dat ze spotgoedkoop zijn, goedkoper alleszins dan binnenlandse tv-produkties. Maar dat financiële voordeel heeft op zijn beurt een prijs: Amerikaanse tv-programma's zijn zelden top of the bill. In de wekelijks gepubliceerde Top Twintig van de meest bekeken tv-programma's op de BRTN en VTM vind je zelden meer dan twee of drie Amerikaanse titels, en meestal dan nog niet bovenaan. Sla er eens de programmaboekjes op na, dan kom je tot een vreemde vaststelling: veel Amerikaanse tv-produkties zijn niet op prime time geprogrammeerd maar 's middags, duidelijk dus als opvulsel. In plaats van de `veramerikanisering' aan te moedigen, proberen de BRTN en VTM zoveel mogelijk series van eigen bodem te brengen, in het besef dat eigen drama het best scoort. Maar precies die series in de moedertaal worden dan weer niet erg op prijs gesteld door de intelligentsia. Nochtans: inhoudelijk verschilden draken als Bompa of FC De Kampioenen wezenlijk niet van het volkstoneel van vroeger. Mogen draken niet bestaan? Hebben ze geen functie? Ook op dit vlak wordt er weer erg ahistorisch gedacht. Wat is de Commedia dell' arte anders dan triviaal volkstoneel dat, omdat het tot onze rijke traditie behoort, een cultureel aura heeft gekregen. Volkskunst is het zout in de pap. Het is zowel een aftreksel van als basisvoedsel voor de burgerlijke cultuur. In alle kunsten wordt er uitgeput: Bella Bartok heeft het gedaan, L.P.Boon, Christian Andersen, Picasso, Gauguin, Kafka, Paul van Ostaijen, enzovoort. Zelfs hedendaage toneelgezelschappen als de Blauwe Maandag Compagnie halen af en toe de larmoyante volkse melodrama's uit de negentiende eeuw weer van onder het stof om er nieuwe dingen mee te doen. Het gaat om stukken die tot voor kort niemand een knip voor de neus waard vond.
Ordinair volksamusement, ik heb, eerlijk gezegd, in mijn jeugd niets anders gekend. Een beeld dat ik niet licht zal vergeten is dat van mijn amateurtoneelspelende vader. Hij had een knalrode jas aan met nepgouden epauletten en andere rijkelijke distinctieven. Hij schrokte met veel gesmak acht tot tien flensjes naar binnen, zette vervolgens zijn tanden in een levensgrote varkensham, maar veranderde ineens van gedachten en moffelde de ham zogezegd stiekem - maar waarschijnlijk ook omdat die ham van plaaster was - onder zijn jas. Met een buik, zo omvangrijk als die van een acht maanden zwangere vrouw, waggelde mijn vader vervolgens het toneel af. Grote hilariteit, massaal applaus, bis-geroep. Ik was destijds misschien acht, negen jaar en vond die scène toen al behoorlijk gênant. Maar mijn vader was, tot zijn eigen grote tevredenheid, de held van de dag. Hij glom even zelfvoldaan als Jacques Vermeire om zijn grappen in De Drie Wijzen. Wat ik bedoel is het volgende: dat soort grof en boertig vertier heeft altijd bestaan en niet alleen in de spelonken van barbaarse achterbuurten. Dit was eerbiedwaardig parochietoneel, gepatroneerd door de lokale geestelijkheid en de KWB-leiding, waar mijn vader overigens toe behoorde. Het voldeed aan een bepaalde behoefte en werd zo waardevol geacht, dat het een jaarlijks cultureel evement was. In Volkshuizen zal het niveau van het socialistische amusement nauwelijks hoger gelegen hebben, al had het misschien een andere strekking. Zelfs de BRTN, laten we dat toch niet vergeten, putte van in het begin van zijn bestaan inspiratie uit deze proletarische subcultuur: Schipper naast Mathilde, De paradijsvogels, De heren van Zichem en De collega's zijn er maar enkele voorbeelden van. Dat volksamusement is niet altijd even verheffend om te zien, maar dat is nog geen reden om het licht van de zon te ontkennen.
Dat probeert, vreemd genoeg, Abram de Swaan te doen en velen zijn hem daar in voorgegaan. Volgens deze socioloog heeft de commerciële televisie de lokale volkscultuur niet eens verdrongen, maar heeft ze een totaal braakliggend terrein bezet. Misschien klopt dat voor Nederland, al betwijfel ik dat daar al anderhalve eeuw geen sprake meer zou zijn van een levendige volkscultuur zoals De Swaan schrijft. Johnie Jordaan, Dorus, André van Duin en in iets mindere mate Toon Hermans zijn daar de duidelijke erfgenamen van. Ook de hele Nederlandse cabarettraditie, een fenomeen dat in Vlaanderen niet bestaat, gaat daar op terug. Ik vrees dat Abram de Swaan het bestaan van een bloeiende plaatselijke folklore negeert, omdat het niet past in zijn kosmopolitische visie. Nederland is voor hem maar een onooglijk provincialistisch perron. Het is hooguit een opstapje naar het wereldburgerschap en de vaderlandloze universele commerciële cultuur kan daar een handje bij helpen. Zo ver wil ik zeker niet gaan.
Hoe dan ook, in Vlaanderen is de volkstraditie nog wél vitaal, van de gestileerde uitingen ervan (Wanner van de Velde, Walter de Buck, Willem Vermandere, 't Kliekje... ) tot de plattere, burleske vormen die je aantreft bij The Strangers, Urbanus, Gaston Berghmans, Charel Janssens, Bobbejaan Schoepen, het Mechels Miniatuurtheater en het Echt Antwarps Theater. Er bestond zelfs een rechtstreekse lijn tussen het Mechels Miniatuurtheater en het BRTN-feuilleton De collega's. Die mensen en instellingen hebben dus niet op VTM gewacht, om het volk verstrooiïng te brengen. De commerciële zender heeft dat soort lower class-cultuur niet uitgevonden of bedacht; VTM heeft dat alleen maar uit de volkstheaters, de parochiezalen en de volkshuizen gehaald. Zeer typisch in dit opzicht is de figuur van Walter Capiau. Elke zogenaamd rechtgeaarde Vlaamse intellectueel spuwt graag op hem, en mijn maag keert ook wel om als ik hem in een flits obstinaat spastisch bezig zie, maar Capiau is geen VTM-creatie. Hij dweilt al ruim dertig jaar Vlaanderen af, met niet minder grote flauwekul dan wat hij op VTM verkocht, en met evenveel succes. Je kunt hoogstens volhouden dat de commerciële zender dit soort triviaal en doorzichtig amusement via de kabel amplifieert. Maar moet dat verboden worden? Het vreemde is niet zozeer dat VTM zich op dat soort goedkoop volks entertainment stort; het vreemde is dat de intelligentsia zich rotschrikt en in de Soundmixshow en Tien om te zien de culturele apocalyps ontwaart. De elite, al de hele geschiedenis door bang om pluimen en voorrechten te verliezen, hoeft echter niets te vrezen. Het VTM-succes is geen opstand der horden. Om met Umberto Eco te spreken: 'Zolang de wereld bestaat, heeft het volk al van spelen gehouden, en als de omstandigheden waaronder het vermaak wordt geproduceerd en verspreid veranderen, lijkt het logisch dat de gladiatorenduels, berengevechten en dergelijke worden vervangen door andere vormen van goedkoop vermaak (...). Men moet ze niet zien als een bijzonder teken van het verval van morele waarden.' Doemdenkers kunnen zich moeilijk neerleggen bij dit historische feit. Ze idealiseren het verleden en poetsen die mythe nog eens extra op.
Onze culturele voorhoede zou VTM veeleer dankbaar moeten zijn. Ze krijgt eindelijk (weer) zicht op een realiteit waarvoor ze bewust of onbewust altijd de ogen gesloten heeft. Ze heeft het bestaan van triviaal amusement genegeerd. Op de BRTN werden de platste vormen ervan - The Strangers bijvoorbeeld of de vertegenwoordigers van het zogenaamde Vlaamse lied - zo veel mogelijk geweerd. Maar wie ooit tijdens een weekend in een zogenaamd baancafé verdwaald is geraakt, weet dat toestanden als Tien om te zien al jàren bestaan, met hysterisch gekrijs inbegrepen. En niet alleen dààr. Ik beweer niet dat het mijn favoriete ontspanningsplek is, maar ik dook vroeger na een voetbalmatch met het Humo-team wel eens onder in het café Bij Theo Custers, ooit onze gewezen nationale doelman. Wel, als we 'tegenslag' hadden, stond er een disc-jockey bovenop de biljarttafel onvermoeibaar Vlaamse hits te draaien waarop de vaste klanten, vrolijk, verliefd, uitgelaten, zot of stomdronken (vul zelf verder in...) rondhosten. Esthetisch zijn zulke taferelen niet, maar zo'n kouwe douche houd je wel met beide benen op de grond. De ongebreidelde explosie en het succes van de Vlaamse liedjesgolf is misschien zelfs te danken aan het feit dat die subcultuur gedwongen werd om jaren in de catacomben van het weekendvertier te leven en nergens een officiële uitlaatklep kreeg: noch in de pers, noch op de BRTN. Tegelijkertijd is dit soort Vlaamse boerenleut precies een tegenreactie op de Amerikaanse popcultuur.
Tabel met de Vlaamse Top 50 van 1994 :
zoek de Amerikaanse programma's!
(Bron : Gazet van Antwerpen)
© Leo de Haes
|
|