Pulp

Moet het bovenstaande gelezen worden als een kritiekloze lofzang op VTM of RTL4? Liever niet. Vanuit de elitecultuur bekeken, blijft de hoofdmoot van de programmering van VTM en van de meeste andere commerciële zenders duidelijk een zwaktebod, maar dat is uiteindelijk erger voor het imago van VTM dan voor de elitecultuur. Uit goedingelichte bron weet ik dat VTM ooit Hugo Claus gepolst heeft om een talkshow te presenteren. De schrijver werd zelfs tot 250.000 frank per aflevering geboden, maar hij was niet te paaien. Het bewijst alleen maar hoe hopeloos VTM op zoek is om ook door de spraakmakende gemeente ernstig genomen te worden. Het bewijst ook hoe zwaar de culturele standaard-norm nog altijd doorweegt. Niet voor niets verfilmt VTM Moeder, waarom leven wij en het oeuvre van Gerard Walschap. Het is een aandoenlijke knieval voor meer kwaliteit.
Ik heb daarover in mijn vorige boek Het doemdenken voorbij. Over politiek en literatuur volgende opmerking gemaakt. 'Sinds de komst van de VTM en de "VTM'isering" van de BRT, vergaat me alle lust tot tv-kijken. Dat levert me een fraaie winst op van vijf, zes avonden per week. VTM beschouw ik dan ook als een zegen voor heel Vlaanderen: de VTM-kijkers zijn enthousiast, en ook niet-kijkers zoals ik kunnen hun geluk niet op.' Ik ben daar hier en daar op aangevallen, dat was ook de bedoeling, maar wie het provocerende laagje van deze boutade had weggepulkt, had beter kunnen weten. Het was veeleer een aanmaning om het geleuter over de zogenaamde 'VTM'isering eindelijk eens te stoppen, want je komt er geen stap verder mee.
Is het erg dat de televisie een hoop rommel vertoont? Het antwoord vind je als je de vraag omkeert: stel dat de televisie van zes uur 's avonds tot middernacht alleen maar meeslepende kwaliteitstelevisie zou brengen. Dàt zou pas een ramp zijn: voor het gezinsleven, de (lees)cultuur, het theater, de opera, noem maar op. Iedereen heeft het tegenwoordig alleen maar over de pulp die over het tv-scherm flitst, maar de intellectueel die zich daaraan stoort, vergeet dat hij een typische term uit het boekenvak gebruikt. Of zijn we de woorden pulpauteur, pulpblad, pulpboek, pulplectuur en pulpliteratuur inmiddels vergeten? Ook in de boekenindustrie is er veel vijfderangse kwaliteit. Sterker, veel van dat broddelwerk is economisch noodzakelijk, al was het maar om af en toe topkwaliteit te ontdekken of te kunnen produceren. In het boekenvak is het bijvoorbeeld een gouden regel dat verhalenbundels (traditioneel moeilijk te slijten), minder toegankelijke romans, essays, filosofie of poëzie bij wijze van spreken intern gesubsidieerd worden door de winst die uit bestsellers, kookboeken, schoolboeken en/of pulpliteratuur voortvloeit. Krantengroepen werken niet anders. De Standaard zou onleefbaar zijn zonder Het Nieuwsblad en Vrij Nederland kan zich de nodige intellectule kwaliteit permitteren dank zij een succesvol massablad als Voetbal International. Gutenberg wordt op gepaste tijdstippen als de nobele uitvinder van de boekdrukkunst geëerd, maar hij verdient net zo goed een standbeeld als de aartsvader van de pulpindustrie. Ik ben het in dezen volledig met H.M. Enzensberger eens wanneer hij de 'apologeten van de leescultuur' een vreemde tic aanwrijft. Als onzin zwart op wit gedrukt staat heet het een cultuurgoed, als dezelfde soort onzin via antenne of kabel verspreid wordt, blijkt plots de natie in gevaar. 'Tsja, wie cultuurkritiek blindelings gelooft is daar zelf schuldig aan.'
Het is bovendien onrechtvaardig want onhistorisch om de leescultuur op een piëdestal te zetten. Tot een kwart eeuw geleden werd lezen in veel milieus nog als des duivels beschouwd. Tot in 1966 om precies te zijn, toen de index werd afgeschaft, beslisten anderen wat we mochten lezen en niet. Lezen kon immers tot zonde en moreel verval leiden. Je werd er verstandig en dus hoogmoedig van, het sloeg bressen in het ware geloof of je werd er asociaal door. Hoe gevaarlijk een boek werd beschouwd, heeft Umberto Eco prachtig beschreven in De naam van de roos. De blinde hoofdbibliothecaris Jorge weigert een bepaald boek uit te lenen, omwille van zijn mogelijke emancipatorische kracht. Wie het boek toch stiekem in durft te kijken, wordt door deze waakhond der gedachten genadeloos uit de weg geruimd. Uiteindelijks vernietigt Jorge zelfs het boek en de hele bilbiotheek, uit vrees voor een verdere oncontroleerbare proliferatie van ideeën. De uitvinding van de boekdrukkunst is trouwens evenzeer verketterd als de komst van de televisie. Lezen werd vroeger vaak gezien als een even oppervlakkige activiteit als televisiekijken nu. Niemand minder dan Menno Ter Braak, zelf een veellezer, had het in zijn artikel Tijdelijk analphabetisme over 'de nivellerende invloed van het lezen.' Ook de pejoratieve term `boekenwijsheid' herinnert nog altijd aan die negatieve status van de leescultuur. Sommige intellectuelen fulmineerden in het verleden even sterk tegen het openstellen van de schrijfcultuur voor de massa als doemdenkers nu doen over de televisie. D.H. Lawrence bijvoorbeeld vond dat alle scholen moesten gesloten worden want 'the great mass of humanity should never learn to read and write.' Aldous Huxley deed er nog een schepje bovenop: 'Universal education has created an immense class of what I may call the New Stupid.' Waar hebben we dat nog gehoord? En T.S. Eliot decreteerde dat dichters zo moeilijk mogelijk moesten schrijven, zodat de man in de straat hun verzen niet kon verstaan.
Maar er is meer, de kwaliteit van een boek is niet per definitie beter dan die van een tv-programma. Pessimisten versmallen het begrip televisie graag tot debiele amusementsprogramma's of banale series als FC De Kampioenen of Buren, terwijl ze tegelijkertijd de leescultuur demagogisch beperken tot fictie en binnen die fictie dan nog eens tot Shakespeare, Cervantes, Dante, Goethe, Rilke, Màrquez, en andere groten. Maar die vergelijking loopt mank. Dat is een pluimgewicht laten boksen tegen Cassius Clay in zijn beste dagen. Wie echter appelen met appelen vergelijkt, voor zo ver dat al gaat, komt vaak tot andere resultaten. Novemberdagen van de Frans-joodse tv-regisseur Marcel Ophüls, een reportage over de val van de Berlijnse muur, vond ik veelkantiger en indringender dan alle druksels die ik over dat onderwerp gelezen heb, Berlijnse notities van Cees Nooteboom inbegrepen. Hetzelfde kan gezegd worden over Hotel Terminus, eveneens een documentaire van Ophüls maar dan over nazi-misdadiger Barbie. Ook die was beter dan alle geschreven reportages erover. Maar ook in het lichtere genre is het vaak een dubbeltje op zijn kant. In één aflevering van mijn favoriete detectiveserie Inspector Morse bijvoorbeeld zit meer cultuur, fijnzinnige humor, creativiteit en spanning dan in alle Vincke-en-Verstuyft-romans van Jef Geeraerts samen, met alle respect voor Geeraerts' vroegere literaire werk. Toch worden de boeken van Jef Geeraerts tot de nobele leescultuur gerekend, Inspector Morse tot de verguisde massaproduktie. Hoe dan ook, de tv-cultuur heeft net als de leescultuur klassiekers voortgebracht die ik niet graag had willen missen. Om er maar enkele te noemen: Shoah, The singing detective, Nauwgezet en wanhopig en het verzamelde werk van Van Kooten en De Bie.


© Leo de Haes