|
Culturele leegte
Abram de Swaan brengt in Perron Nederland nog een ander argument inzake commerciële televisie in stelling, een argument dat ook gewezen VTM-directeur Leo Neels graag gebruikte om het zogenaamde magere VTM-aanbod te legitimeren. Hoewel dat argument me minder overtuigt omdat het louter de vorm van commerciële tv-programma's betreft, wil ik het hier toch even aanhalen: 'De produktie is technisch vaak uiterst verzorgd en genereus uitgevoerd, de presentatie is meeslepend en evocatief. Een kritiek van deze commerciële cultuur zou niet moeten beginnen met klachten en aanklachten, maar met de erkenning van de ambachtelijke kwaliteit en de emotionerende kracht van zoveel van die produkten, met de constatering van de volheid en de dichtheid van het cultureel milieu waarin nu ook ongeschoolden en oningewijden zich bewegen.'
Bij Abram de Swaans vaststelling over de ambachtelijke kwaliteit van vele commerciële programma's zou ik graag de volgende opmerking willen maken: een bepaald soort communicatiewetenschappers vindt het verschrikkelijk dat commerciële tv-programma's goed gemaakt zijn. Professor Els de Bens (RUG) had het tijdens Het andere mediadebat (25 oktober 1991 in Antwerpen) misprijzend over de 'goed uitgekiende' vorm van commerciële tv-produkten. Erger, ze vond het moreel verwerpelijk dat de VTM-programma's technisch goed gemaakt zijn. Een vreemde redenering. Alsof 'slecht uitgekiende' commerciële tv voor het grote publiek beter zou zijn. Of minder krenkend voor de kijkers, want, nog zo'n dwaze kronkel, dat soort ideologisch geïnspireerde communicatiewetenschappers gaat er vanuit dat de honderdduizenden kijkers van de Soundmixshow, Wittekerke of Rad van Fortuin beledigd worden! Het tegendeel is waar. Gust de Meyer, communicatiewetenschapper in Leuven, legt in zijn recente boek De zin van de onzin. De cultuur van de slechte smaak duidelijk uit dat bijvoorbeeld kijkers van soapopera's onder de glitter en sensatie van de oppervlakte-inhoud een rijk gamma van dieperliggende emotionele waarheden over hun eigen leven zien en ontdekken. In plaats van de traditionele stelling dat de producenten van al die pulp het bewustzijn van de massa, om dat woord maar eens te gebruiken, manipuleren, wordt volgens Gust de Meyer de boodschap door de consument zelf 'gemanipuleerd'. De tv-kijker legt in de beelden de betekenis die hij zelf verkiest of aanvoelt, vanuit zijn eigen sociaal-culturele backround. Het gaat er de kijker niet om wat de producent er aan codes in gestopt heeft, maar wat hij er zelf uithaalt, voor zijn eigen plezier. Hetzelfde kan gezegd worden over kitsch, videospelletjes, tv-kwissen, enzovoort. Gust de Meyer vervloekt de kijker niet als een willoos subject (zoal zovele intelectuelen doen, zie onder Afgestompt Kijkvee) maar neemt hem in tegendeel au sérieux. Hij sluit met deze visie aan bij een belangrijke stroming van Britse communicatiewetenschappers, de zogenaamde cultural studies, die het accent meer leggen bij de consument en zijn plezierbeleving dan bij de producent en de bewustzijnsindustrie. Het is een stroming die door communicatiewetenschappers aan de VUB en de RUG zo goed als doodgezwegen wordt. De cultural studies-adepten mogen dan al eenzijdig de creatieve rol van de gebruiker in de consumptie van de commerciële cultuur benadrukken, het is alleszins een waardevolle correctie op de enge en vaak zelfs enggeestige economische visie die communicatiewetenschappers zoals Armand Mattelart, Cees Hamelink, Ben Bagdikian, de vroege Hans Magnus Enzensberger en anderen ons al sinds de jaren zeventig proberen op te dringen. Het nadeel van een strict economische mediavisie is dat ze zo vaak strandt in komplottheorieën, paranoïde vooronderstellingen, open deuren en het uitpluizen van (toch steeds wisselende) machtsconcentraties. En pogingen om de media (lees: de wereld) te veranderen. Ik herinner me nog precies de titel van een essay van Jan Servaes uit die dagen: Naar een bewuszijnsverruimende visie op de bewustzijnsvernauwende industrie. Aan zelfbewustzijn ontbrak het inderdaad niet, maar de kijker (of de lezer) kwam er niet bij te pas, die werd verondersteld dat allemaal hersenloos te ondergaan, net zoals ook journalisten in deze visie alleen maar willoze instrumenten van de mediamonopolies zijn. Wie journalist is of het ooit geweest is, weet echter dat zijn eigen inbreng en impact in een bepaald medium veel groter is dan communicatiewetenschappers willen zien. Toen Herman de Coninck wegging bij Humo, was het blad plots een stuk armer. Hetzelfde gebeurde toen Marc Didden ging filmen of Willy Courteaux met pensioen ging. Met hen verdwenen unieke stemmen en pennen. Maar het specifieke belang en de vaak zeer eigen stijl van het werk van elke individuele journalist (of programmamaker) wordt door communicatiewetenschappers nauwelijks onderzocht. In strict economische mediavisies ontsnappen dus twee van de belangrijkste betrokkenen: de echte makers én de consumenten. Op die manier kan het niet anders dan dat je een verschraalde kijk op de mediarealiteit krijgt en dat je die verschraalde kijk verwart met verschraling van het aanbod. Vaak wordt er ook van uitgegaan dat de producent doelbewust zijn publiek ideologisch wil manipuleren, zeg maar, brainwashen. Vooral commerciële televisie zou daartoe het instrument bij uitstek voor zijn. Maar wat is de reële inzet van commerciële televisie? Geld verdienen met advertentie-inkomsten, en dat bereik je niet door verkoop van ideologie. Als er al ideologische boodschappen in commerciële tv-programma's zitten, dan zijn dat eerder afgeleide bijkomstigheden, omdat in alles nu eenmaal een ideologische kern zit. Je moet trouwens maar eens zulke uiteenlopende series als Miami Vice, Hill Street Blues, All in the family, The powers that be en The Bill Cosby Show naast elkaar leggen om te beseffen dat het ideologische beeld dat hieruit naar voren komt allesbehalve eenduidig is.
Daarmee zit ik meteen ook bij het tweede deel van de opmerking van Abram de Swaan over de volheid van de commerciële cultuur. In het gangbare en perfect voorspelbare mediadebat wordt er nog altijd vanuit gegaan dat de massa via commerciële televisie in een culturele leegte wordt ondergedompeld. Alsof hun ziel, geloof en overtuigingen door het kleine blikkerende scherm worden opgezogen en in het niets verdwijnen. Het omgekeerde is waar. Uitgerekend door de televisie, in combinatie overigens met andere massamedia als radio, kranten, weekbladen, films, boeken, cassettes en cd's, en nu ook cd-i's en cd-roms, wordt ook de man in de straat eindelijk geconfronteerd met een schier onuitputtelijk cultureel rijk gevarieerde kosmos. Hoe je het ook moge draaien, de televisie is een spiegel, of beter, een afspiegeling van de mondiale maatschappelijke verscheidenheid. Ondanks zijn inderdaad toegenomen amusementskarakter, blijft de tv een venster op de wereld. Tenzij in dictaturen of zeer gesloten gemeenschappen (Vlaanderen dertig jaar geleden bijvoorbeeld) is televisie per definitie meervoudig en open. Hoe had een Vlaming, om alleen maar bij de muziek te blijven, zonder de massamedia ooit in contact kunnen komen met blues, jazz, salsa, reggae, rap, hiphop en andere wereldmuziek? Hoe weet hij dat de Afro-Amerikaanse Toni Morrison of de Japanner Kenzaburo Oë de Nobelprijs gewonnen heeft? Hoe verneemt hij van het bestaan van de Nieuwzeelandse operadiva Kiri te Kanawa? Door de massamedia. Als beeldend kunstenaar Christo een brug over de Seine in Parijs inpakt of paraplu's plaatst in Japan, weten hij dat meteen. De massamedia berichten ons daarover. Als zo'n paraplu van Christo omdondert en een vrouw doodt, ratelt dat nieuws de wereld rond. Kortom, het contact van de man in de straat met die culturele veelheid, hoe oppervlakkig soms ook gebracht, is pas door de televisie mogelijk gemaakt en wordt door de komst van commerciële zenders zeker niet afgeremd.
Ik beweer niet dat deze informatie over het elitair-culturele aanbod het grote publiek meteen en moeiteloos tot hoge hoogten optilt, maar de horizon van al deze mensen wordt op zijn minst tot ver voorbij de dorpskerk opengetrokken. In die zin hebben de massamedia een gigantisch emanciperend potentiëel (gehad). Als de Vlaming de laatste twee decennia al geëmancipeerd is, dankt hij dat meer aan de televisie en andere massamedia dan aan de Vlaamse Beweging, want grote delen hiervan vertegenwoordigen nog altijd een erg benauwende en provincialistische levensvisie. Dank zij de massamedia en de geestelijke mobiliteit die er het gevolg van is bestaat er nu principieel een nooit eerder geziene waaier van keuzemogelijkheden voor het individu. Dat die onvoldoende benut worden is niet de schuld van televisie. Hoe dan ook, wie het huidige culturele aanbod schraal noemt, denkt zeer a-historisch en vergeet gemakshalve hoe schriel, verzuild, vastgeroest en voorgekauwd het culturele landschap uit het verleden was, een verleden waarvoor we niet eens meer dan dertig jaar moeten teruggaan. Ik zou hier graag ter illustratie enkele woorden van mijn vriend, de historicus Eric Defoort, willen aanhalen uit zijn toespraak De macht van het woord: 'Plots zie ik weer de gezichten van enkele priester-leraren en -surveillanten uit het Westvlaamse bisschoppelijk college waar ik in de tweede helft van de jaren vijftig m'n humaniora afwerkte. Wilde men in die studietijd boeken lezen die van buiten de collegemuren kwamen dan moest men vooraan in de studiezaal het boek overhandigen met daarin een briefje dat stereotiep als volgt werd opgesteld: boven de datum, je naam in kapitalen, daarna de aanspreektitel "Eerwaarde" met daaronder de oh zo heerlijke zin waarop ik verliefd ben gebleven: "Ik begeer te lezen" waarna auteur en titel van het bewuste boek volgden. Na onderzoek door de leraar of surveillant naar de precieze inhoud van mijn begeerte kreeg ik al dan niet hun handtekening, fiat dat altijd in het boek moest zitten om elk moment te kunnen voorleggen. De begeerten, van het lichaam van adolescenten, werden als een soort spijtige maar fysieke onvermijdelijkheid zonder geïndividualiseerde aandacht, anoniem, in een monotone herhaling via de biechtstoel gecontroleerd en afgewerkt. Maar de "begeerte te lezen", de "begeerte van het woord", dat was pas een heel ernstige aangelegenehid met mogelijke diepgaande gevolgen. Die "begeerte" hoort niet thuis in de muffe anonimiteit en normaliteit van de biechtstoel, maar moest publiek, nominatim, schriftelijk geafficheerd en gecontroleerd worden. De macht van het woord van anderen had mij aan hun macht kunnen onttrekken.'
Op tv-vlak was de controle al niet geringer. Hoe was het vroeger bij de BRTN gesteld? Hoe zagen het culturele landschap en het tv-aanbod er toen uit? Ze werden grotendeels gekoloniseerd en voorgecensureerd door de vertegenwoordigers van de ideologische zuilen. Ik herinner me nog de eeuwige discussies over het ping-pong-journaal. Als een socialist drie minuten in beeld was geweest, kreeg een CVP-er de dag nadien vijf minuten en een liberaal te gelegener tijd twee. Elk politiek dissident geluid werd geweerd. Zogenaamde realistische films mochten niet worden getoond. Satire werd als blasfemisch beschouwd en voor afwijkende cultuuruitingen, zelfs binnen de eigen gemeenschap, was weinig of geen aandacht. In Nederland ging men volgens Abram de Swaan zelfs zo ver om antennes te verbieden! Men wilde op die manier beletten dat vreemde tv-signalen het verzuilde cultuurterritorium zouden infiltreren, openbreken en ontregelen. Dat was dus precies dezelfde houding die het vroegere Oostblok tegenover Radio Free Europe en westerse cultuurgoederen aannam en waarover we al die tijd schande spraken! De commerciële cultuur die per definitie veel minder door de overheid verkaveld is, heeft ertoe bijgedragen het geestelijk immobilisme, het culturele protectionisme en de ideologische status-quo te doorbreken, zoals vroeger andere massamedia als Encyclopedieën, boeken, kranten en tijdschriften een fundamentele bijdrage aan de Verlichting en de democratie hebben geleverd. De televisiecultuur heeft door middel van een onzichtbare mentale burgeroorlog letterlijk de grenzen verlegd en zo de rolluiken voor het venster op de wereld nog hoger opgehaald. Umberto Eco merkt in dat verband in zijn boek De Structuur van de Slechte Smaak op: 'De gewraakte massacultuur (...) is eenvoudigweg verspreid onder enorme massa's die vroeger geen toegang hadden tot het culturele leven. Het teveel aan informatie over het heden, ten koste van het historische bewustzijn, komt terecht bij een deel van de mensheid dat in vroeger tijden totaal geen informatie over het heden had (en dat dus uitgesloten was van het dragen van verantwoordelijkheden binnen de gemeenschap), en dat alleen historische kennis bezat in de vorm van uitgeholde beelden die waren overgeleverd door de traditionele mythologieën.' Met andere woorden, de verguisde (commerciële) televisie is misschien niet dé maar dan toch een toegangspoort tot het culturele leven, een opening die het grote publiek vroeger niet had.
© Leo de Haes
|
|