

|
 |
Johan Vandenbroucke
Demompere! Of het stiekeme knijpen in de zandbak
(Artikel uit De Morgen 19/01/2000 gevolgd door artikel uit
Markant, 14/04/1994)
De Morgen 19/01/2000
De genadeloze criticus Patrick Demompere is Gerrit Komrij. Dat schreef ik al in april
1994, en dat wil ik hier nog eens herhalen, al is het maar voor Kristien Hemmerechts, die
laatst in een interview zei: "Op mijn sterfbed zal ik nog willen weten wie Demompere
is."
Op 10 februari 1994 begon Patrick Demompere zijn eerste column in Humo
met een soort beginselverklaring: "Ik wil de lezer zijn rechten teruggeven. Ik ben
geen beroepscriticus of iets lamentabels van vergelijkbare aard (een brave klerk die
hooggestemd de nachtzijde en de diabolische gevoelslagen van zijn vertrouwde schrijvers
bezingt, maar wegloopt als hij driedimensionaal een hoop stront ziet), ik ben al helemaal
geen literator die over literatoren schrijft, ik ben een van die robuuste lezers die lezen
zoals ze snurken, eten en winden laten".
Demompere schreef vileinig en zelfbewust, en eindigde telkens met een
uitsmijter als: "Het boek is zeer geschikt, overigens, om het tot snippers te
verscheuren als na winkelsluitingstijd de kattenbakvulling onverhoopt op mocht zijn."
Zoals gehoopt kwam er reactie, Humo publiceerde gretig lezersbrieven, en er werd druk
gespeculeerd over wie die Demompere wel kon zijn. In het ondertussen roemloos ter ziele
gegane Markant vergeleek ik de columns met geschriften en uitspraken van Gerrit Komrij.
Naast de belezenheid en de nogal Nederlandse oriëntatie van Demompere
deden de sprankelende stijl en de balorige toon me aan Komrij denken. Dezelfde gulzige
lust tot formuleren, dezelfde gedurfde samentrekkingen en neologismen
("gekwispelstaart", "Nooteboomigheden"), dezelfde verrassende
beeldspraak, spottende aanpak en grillige uitweidingen, de-zinnen-tussen-streepjes, de
opsommingen, zelfs het ritme: "We zagen ze langs paraderen, het echtpaar met de
multiple aambeien, de plattelandsvrouw met de zure plasproblemen, de jongere die geen
vaste baan kon vinden omdat hij stotterde. De flauwvallers, de zielepieten, de jankers, de
gestoorden, de klagers, ze ontlokten met hun kwaaltjes de presentatoren een vrome traan en
het godganse land pink-pinkte mee."
Maar ook de visie, voorkeuren en verwerpingen bleken typisch Komrij, zo
bijvoorbeeld zijn afwijzing van de experimentelen, of zijn vrouwonvriendelijkheid
("Verlos ons van die meisjesliteratuur die een substituut is van de luiermand",
aldus Demompere, die het ook had over de "damesgleuf" zoals Komrij ooit over
"de onwelriekende gleuvenbrigade"), tot en met zijn fascinatie voor
uitwerpselen.
Zelfs het credo was dat van Komrij in de jaren zeventig, toen hij voor
Vrij Nederland recensies maakte "waar iedereen ziedend en woedend over werd".
Zoals Demompere stelde Komrij toen ook: "Ik heb geen kongsi, zit niet in jury's, ik
heb geen bentgenoten... Dus wat dat betreft staan we altijd man tegen man, en lust ik ze
allemaal rauw." (Toen hij te veel schrijvers persoonlijk leerde kennen, hield Komrij
op met recenseren: "Het remt je als je tegen die mensen tekeer wilt gaan.")
Maanden voor het eerste Demompere-stuk had Komrij nog in een Humo-interview met Mark
Schaevers gezegd: "Er blijft een soort literatuur verschijnen waar ik een grondige
hekel aan heb en die ik erg zou willen bestrijden. Misschien houd ik binnenkort wel weer
eens een hele grote blaaspartij, maar om redenen van tactiek kan ik daar niets over
zeggen."
Van Schaevers kreeg ik geen bevestiging: "Het gissen is
vrij". Komrij zelf, aan de telefoon in Portugal, deed alsof hij nog nauwelijks van
Humo had gehoord en ontkende stellig. Na mijn 'onthulling' gaf Schaevers (aan De Morgen)
toe dat Demompere een valse naam was: "als de ware naam onder de stukken stond, zou
er meteen op de boodschapper worden geschoten. Dat willen we vermijden, het gaat om de
boodschap." Hoofdredacteur Guy Mortier zei (aan Het Nieuwsblad): "Het is een
groot schrijver. Het is niet zomaar een kneus. Als de reeks na een jaar afloopt, maken we
de naam bekend."
Drie weken later schreef Demompere een schimpstuk tegen Komrij, met als
titel 'Zoete lieve Gerritje'. "Komrij is een slappe zak die graag gemeen wil
lijken", stelde hij, "ik houd het erop dat hij niet eens in staat is een vlieg
dood te drukken". (In een later stukje schreef Demompere dat hijzelf moeite heeft om
een vlieg te doden.)
"Ik kan geen Vlaming ontmoeten of hij begint erover", zei
Komrij toen hem nogmaals gevraagd werd of hij Demompere was. Ook in een gesprek met Piet
Piryns bleef hij het ontkennen. Nadien was Piryns er van overtuigd dat het Komrij niet kon
zijn, zelfs na een nachtje doorzakken had Gerrit het hem verzekerd. ('Liegen als de
weerga', was de titel van het Knack-interview, een saillant detail in deze.) Terwijl
Demompere niet meer publiceerde in Humo, verscheen in 'Zwarte woensdag', de
plezierbladzijden van Knack samengesteld door Piryns en Marc Reynebeau, een
Demompere-imitatie (over Marc Didden, oud Humo-redacteur). Een jongens-onder-elkaar-grapje
zeg maar.
De speculaties laaiden altijd op toen Demompere weer eens iets
geschreven had, bijvoorbeeld in het feestnummer 3000 (over Monika van Paemel). En nog veel
meer toen in het najaar van 1999 het boek 'Erg!' aangekondigd werd. De Arbeiderspers,
Komrij's vaste uitgever, was eerst van plan het uit te geven, zelfs als relatiegeschenk
voor de jaarwisseling. Meestal bevat zo'n eindejaarsgeschenk werk van een gerenommeerd
fondsauteur. (Ik kan me zeker niet voorstellen dat AP oudbakken columns van een onbekende
Vlaming als presentieboekje wilde uitgeven.) Het verscheen uiteindelijk bij Bert Bakker,
de uitgeverij waar Komrij zijn poëziebloemlezingen publiceert.
In een lovende recensie schreef Hans Warren dat hij in Demompere Komrij
meende te herkennen: "De overeenkomsten in stijl, methode en ideeën zijn
overweldigend." Warren - ooit een goede vriend van Komrij - ontdekte zelfs enkele
"gaatjes in de dekmantel" van Demompere, en wees ook nog op enkel letterlijke
gelijkenissen in het werk van Komrij.
In Humo verscheen een interview met Patrick Demompere, die door Bart
Vanegeren beschreven werd als een breedgeschouderde, 27-jarige lezer uit één stuk.
Daarin herhaalde Demompere zijn woede over de inteelt in de literatuur - "het domein
van half-talenten die elkaar optillen om uit de subsidieruiven te kunnen eten" - en
haalde hij zwaar uit naar Paul de Wispelaere en Piet Piryns. Het hart van literair
Vlaanderen, en vooral van het Nieuw Wereldtijdschrift, bloedde. De verontwaardiging was en
is nog steeds groot. Maar in plaats van de polemiek aan te gaan - of, bijvoorbeeld,
Demompere te ontmaskeren en Komrij van repliek te dienen - richt de woede zich op de
herkenbare boodschapper, in dit geval Humo en de interviewer. Zoals de onmacht van
gebelgde jongentjes in de zandbak, die een makkertje knijpen omdat het een kus kreeg van
de grote juf die hen publiekelijk vernederde.
Als uitsmijter nog eentje van Komrij: "Ik vind het gemene stiekeme
knijpen langzamerhand veel leuker dan het rechtstreekse trappen."
Johan Vandenbroucke
Artikel uit Markant, 14/04/1994
Ezelsoor & Co
(Een bron voor vetes op leven en dood)
PATRICK Demompere, Humo's wild om zich heen slaande literaire
criticus, is Gerrit Komrij.
Hij debuteerde met de rubriek Ezelsoor & Co op 10 februari.
De daaropvolgende weken stond de rubriek telkens prominent vooraan. Opmerkelijk, omdat
Humo voor het overige nauwelijks aandacht heeft voor boekenrecensies. De pagina Lieve
lezer is ingeschrompeld tot enkele tip-vermeldingen onder Humo's Boeken Top 10.
Demompere schrijft in een zelfverzekerde stijl veeleer columns dan
recensies. De boeken worden steevast gekraakt en de stukken eindigden met een uitsmijter
à la: "Het boek is zeer geschikt, overigens, om het tot snippers te verscheuren voor
als na winkelsluitingstijd de kattebakvulling onverhoopt op is." Achtereenvolgens had
hij het over Cees Nooteboom, Ivo Michiels, H.M. van den Brink, Oek De Jong, Hermine de
Graaf, Kristien Hemmerechts, Ciska Muller en Boudewijn Büch. Op 31 maart verscheen de
mededeling dat Demompere twee weken met vakantie was op Tenerife. "Hij heeft zijn
boeken mee." Ondertussen werden lezersbrieven van vooral verontwaardigde lezers
gretig gepubliceerd: "Wie er zoals hij in slaagt drie weken na elkaar literatuur
geschreven door vrouwen op en dergelijk banale en platte wijze de grond in te boren, moet
zich eens dringend laten nakijken op vrouwenhaat!"
Dat Demompere een Nederlander is, was me vlug duidelijk. Welke Vlaming
vindt NRC-correspondent Van den Brink of Ciska Muller belangrijk genoeg om er een
Humo-pagina aan te wijden? Bewerend dat Kristien Hemmerechts de flaptekst van Lang
geleden vast niet zelf geschreven heeft, suggereert hij niet dat haar man Herman de
Coninck dat wel eens zou kunnen gedaan hebben.
Een belezen Nederlander. "...na afloop had ik de indruk dat ik Empedocles
de ander (...) van Hans Andreus, had zitten lezen." Of: "Hij trippelt
Deysseliaans door de taal." Twee typische Komrij-verwijzingen: Andreus was een door
Komrij verguisde vijftiger, over wie hij trouwens een polemisch In Memoriam schreef;
Lodewijck van Deyssel een polemisch criticus met wie Komrij in zijn beginperiode nogal
eens vergeleken werd.
De eerste column, 'actie vanuit de basis', bracht een soort
verantwoording: "De literatuur gaat niet langer tekeer, (...) met een ernst die
louter braafheid is. De bandiet is dood, en elk is zijn eigen paus. Critici schrijven voor
elkaar (...). Recensenten zien zich aan voor literatoren en omgekeerd. (...) Ik wil de
lezer zijn rechten teruggeven. Ik ben geen beroepscriticus of iets vergelijkbaar
lamentabels (een brave klerk die hooggestemd de nachtzijde en de diabolische gevoelslagen
van zijn vertrouwde schrijvers bezingt, maar wegloopt voor een echte hoop stront), ik ben
al helemaal geen literator die over literatoren schrijft, ik ben een van die robuuste
lezers die lezen zoals ze snurken, eten en winden laten, (...) Wat verlang ik van een
boek? Dat ik er niet bij in slaap val. Voilà het laatste en enige woord over mijn
literaire credo."
"Geen literator" is een leugentje, maar voor de rest is het
op en top Komrij, tot de 'stront' toe. In een Humo-interview vorige week beantwoordde hij
een vraag over zijn trek naar het banale en anale met "Mijn interesse voor stront en
dergelijke komt alleen maar uit mijn milieubewustzijn voort." De aanleiding tot het
interview was het verschijnen van de verzamelbundel Alle gedichten tot gisteren,
een schitterende uitgave ter gelegenheid van zijn vijftigste verjaardag. Daardoor had hij
het ook bijzonder druk de afgelopen weken. Vandaar geen Ezelsoor & Co. Wel
verscheen in De Groene Amsterdammer een toespraak die hij in Nederland hield, over
het taboe: stront.
Uit bovenvermeld interview: "Eerlijk gezegd vind ik het wel eens
tijd dat een jonge schrijver opstaat die een pamflet schrijft over de onbevoegdheid der
Nederlandse kritiek. Al vrees ik dat ik nog lang op zo'n rebel zal moeten wachten (...) ik
zie het somber in, ik denk dat ik het ook in de toekomst alléén zal moeten doen."
In een vroeger interview met Mark Schaevers was hij duidelijker: "Er blijft een soort
literatuur verschijnen waar ik een grondige hekel aan heb en die ik erg zou willen
bestrijden. Misschien houd ik binnenkort wel weer eens een hele grote blaaspartij, maar om
redenen van tactiek kan ik daar niets over zeggen."
Toen ik Mark Schaevers vroeg of Komrij Demompere was, antwoordde hij
bevestigend noch ontkennend. "Het gissen is vrij." Komrij, aan de telefoon in
Portugal: Demompere? Nooit van gehoord. Nauwelijks van Humo gehoord: "Kunnen we hier
in Portugal niet krijgen", "Het gebeurt wel meer dat me dergelijke
kwaadaardigheden toegeschreven worden".
Demompere en Komrij. Dezelfde gulzig virtuoze stijl, verrassende
beeldspraak, spottende toon, ongebruikelijke woordkeuze, grillige uitweidingen en
zijsprongen, zinnen-tussen-streepjes, opsommingen: "We hebben ze zien langsparaderen,
het echtpaar met aambeien, de plattelandsvrouw met plasproblemen, de jongere die geen
vaste baan kon vinden omdat hij stotterde. De flauwvallers, de zielepieten, de jankers, de
gestoorden, de klagers, ..."
Ook qua visie. De afrekening met het experiment: "Experimenteel
proza dat na veertig jaar nog altijd in het stadium van experimenteel proza verkeert, met
niet één tastbaar onderzoeksresultaat, valt onder de categorie Doodlopende Straat en
Hardnekkige Weigering om Failliet te erkennen." (Demompere). "De vijftigers
drijven, in deze tijd, na op de kurk van hun reputatie, moeizaam dobberen ze nog op de
vetoogjes van hun respectabele ouderdom." (Komrij in Herenmijntijd, 1978). De
vrouwvijandige toon: "verlos ons van die meisjesliteratuur die een substituut is van
de luiermand. Van die literatuur voor, door en over mijmerende gekkinnen, hardop tegen
zichzelf pratende heksen, ouwelijke wijsneuzen die met de toverstaf blijven zwaaien en
verwende, voortdurend op nootjes knabbelende, zich om hun uiterlijk en gewicht
bekommerende, kwakkelende zenuwlijers, kromgegroeid onder hun luxe damesproblemen."
(Demompere), "...noch opdat Joke Kool-Smit haar jongstgeborene uit de wieg zal
optillen en levend verslinden, zulks zij verre van mij, maar omdat het ook al een draak
van een boek is." (Komrij in 'Twee akelige vrouwmensen' uit Daar is het gat van de
deur, 1974.)
In de jaren zeventig schreef Komrij columns over literatuur waar
"iedereen ziedend en woedend over werd". Ze verschenen in Vrij Nederland
en werden later gebundeld. Zijn motivatie was dat de literaire kritiek een suffe boel was.
De aanpak was gelijkaardig, de kritiek ook. Het gebrek aan een diepgaande analyse
bijvoorbeeld. "Hij speculeert niet alleen op de permanente lacherigheid van zijn
lezers, maar ook op hun afkeer van literatuurkritiek, dwz. van iedere poging om over een
boek iets meer te bedenken dan 'ja, het was prachtig', 'nee, ik vond er niets aan' of 'o,
ik heb in geen jaren zo moeten lachten'." (K.L. Poll). Ook de appreciatie: "Hoe
vernietigender een Komrij-recensie is, hoe onvergetelijker." (M.R. Abbing). "Als
geen ander is hij in staat om alle modieuze tendensen te onderkennen. (Hij) is allergisch
voor alles wat riekt naar onzinmakerij, overdrijving en aanstellerij." (Hanneke
Wijgh). Later stelde hij in interviews dat hij over de moderne Nederlandse literatuur
"volkomen uitgeluld was".
En natuurlijk zijn er de reacties van de aangevallen auteurs. In de
jaren zeventig reageerde de schrijver Hiddema met de tekst: "In Rusland word je als
schrijver in kampen gestopt of doodgezwegen. In Nederland is het veel erger, daar word je
besproken door een tweedehands droplul als Gerrit Komrij." (Waarop Komrij: "Ik
voelde me zeer verguld, dat begrijp je wel.") Nu reageerde Kristien Hemmerechts met:
"Een tip (u had er misschien zelf nog niet aan gedacht): mijn boek is - wie weet -
ook zeer geschikt om u ermee velletje voor velletje af te trekken."
Ook de ontkenning is typisch Komrij: "Je moet de mensen wijsmaken
dat je je om de hoek verscholen hebt en dan zorgen dat ze daar gaan kijken, en inmiddels
zelf weer om een andere hoek staan." (interview met Jos De Man). En in het
'autobiografische' Verwoest Arcadië staat: "De literatuur was bij uitstek het
domein van vermommingen, ..." Immers: "Een goedgeschreven leugen is oneindig
veel eerlijker dan een slecht geschreven waarheid."
Geschriften van Gerrit Komrij zijn zeer geschikt, overigens, om uit te
citeren tijdens een doorwaakte nacht waarin nog een pagina moet gevuld.
Johan Vandenbroucke
|