Van de homo sapiens tot de homo zapiens, van trage tot snelle media: de media veranderden en de mens met hen. Een media-antropologische stand van zaken.
Toen de eerste mensen 2.500.000 jaar geleden lichaamstaal gebruikten om elementaire lust- en onlustgevoelens te uiten, moest de geschiedenis van de media nog beginnen. De homo tactilis die de werkelijkheid alleen met gebaren te lijf gaat, kent geen ruimtelijke nabijheid of verte maar alleen de plek die hij momentaan (aan)voelt. Het is pas een goede honderdduizend jaar terug dat de evolutie van de media, met de eerste mondelinge communicatie, op gang wordt getrokken. De noodzaak aan gesproken taal had te maken met organisatorische aspecten van het stamverband waar de overlevingsbehoeften uiteraard primeerden. Het begin van de laatste ijstijd liquideerde het plantaardige voedsel en dwong de homo sapiens om een nieuw voedselpakket samen te stellen. Mensen werden vleeseters die in teamverband jacht gingen maken op dierlijk voedsel. Jagen op dieren - en later op mensen - was een militaire operatie die om de nodige cordinatie vroeg. Mondelinge communicatie was het instrument bij uitstek om die coördinatie vlot te laten verlopen. Op de militaire ontstaansreden van de oraliteit entten zich andere organisatorische aanleidingen waarbij gesproken taal goed van pas kwam. Het maken van afspraken rond familiale organisatie (incestverbod) en het overleveren van instrumenteel-culturele praktijken aan de volgende generaties werden ook een zaak van mondeling taalgebruik. Overlevering of traditie was in het begin een kwestie van overleven.
De wereldrijken die circa elfduizend jaar terug ontstonden in de agrarische, sedentaire setting op het einde van de laatste ijstijd hadden geschrift nodig om bezit te inventariseren en om de staatsstructuren te consolideren. De nomadische way of life van de vorige samenlevingsvormen, werd ingeruild voor een uitgesproken statisch samenlevingspatroon. De landbouw- en veeteeltbeschavingen in het oude Egypte, Babylonië, Indië en China zochten een middel om hun bezittingen te bewaren en vonden dit conservatieve medium in het geschrift. Daardoor kon de mens zich distantiren van de werkelijkheid waaraan hij vroeger met huid en haar én met oor en mond - dus tactiel en oraal - overgeleverd was. Die distantie wordt sindsdien synoniem voor civilisatie. De schriftcultuur werpt een dam op tegen het verstrijken van de tijd. Het geschrift ontwerpt op het blad een begrensde, compacte ruimte waarin de mens zijn eigen geschiedenis in veiligheid brengt tegen het vlieden van de tijd. Analoog creëert de stadsomwalling een afgebakende, "veilige" ruimte tegenover het niemandsland buiten de stadspoorten. Ook de religie houdt de demonen die de innerlijke ruimte kunnen teisteren op een afstand.
Geletterdheid is een uiting van distantie of van grenzen trekken tegenover een al te directe, opdringerige omgeving. De schriftcultuur doet de demonen verdwijnen en beperkt de uitgestrektheid van de ruimte in een stedelijk cocon. Schrijven is een supreem symptoom van een beschavingscomplex dat voortdurend grenzen trekt tussen binnen en buiten, centrum en omgeving, het midden en de rand, boven en onder, west en oost, links en rechts enzovoorts. Sociaal-culturele positiebepalingen zijn een afgeleide van dat gevoel van begrenzende ruimtelijkheid. Nabijheid en verte, een geordende ruimte versus chaos, cultuur versus natuur, het privé-terrein tegenover de openbare sfeer, veilige geborgenheid versus blootstelling aan gevaren en de menselijke tegenover de goddelijke ruimte zijn allemaal contrasten die door deze waarneming van de distantie rechtstreeks in het leven worden geroepen. Het logische denken van het westerse subject dat zich afgrenst van een object vindt zijn oorsprong in deze beschaafde vormen van distantiring. De eerste termen van deze tegenstellingen werden met positieve betekenissen ingevuld: het eigen lichaam, het subject, het centrum enzovoort, terwijl het andere, het objectieve, de periferie, kortom, met negatieve aspecten werd beladen. De hele cultuur was gericht op het sporadisch aftasten van die grenzen en op occasionele grensoverschrijdingen, zoals in religieuze extase, oorlogssituaties, erotiek en artistieke expressie.
De schriftcultuur was opperste uitdrukking én instrument van deze cultuur van de ruimtelijke begrenzing. De conservatieve essentie van het schrift maakte van de geletterdheid een natuurlijke bondgenoot van het behoud van het status-quo op elk gebied. De huidige, alfabetische geletterdheid is een fenomeen dat amper tweeduizendachthonderd jaar bestaat - vanaf het Griekse alfabet in de achtste eeuw v.C. - terwijl de typografische mens nog van veel recentere datum is. De typografische standaardisering (1447) articuleert het nieuwe mensbeeld van de renaissance. De identiek uitgevoerde lettertekens doorheen de tekst en de strakke lijnvoering van de gedrukte regels zijn typografische uitingen van de ééndimensionaliteit van de technologische mens. Het is geen toeval dat het perspectief in de schilderkunst - dat ook uitging van één zienswijze en alles in functie daarvan bekeek - samen met de drukpers opduikt. In het verlengde van dat unieke typografische en picturale gezichtspunt, lag dan het vluchtpunt van een mathematische oneindigheid. Alles te samen creëerde de abstract-visionaire hegemonie van het typografische denken een illusie van een compacte ruimte waarbinnen alles mogelijk was. Daarmee ontstond vanaf de vijftiende eeuw het ideaal van zelfverwerkelijking ten allen prijze dat in zijn eigen ontworpen ruimte alles mogelijk achtte. De homo typograficus spreidde het bedje voor de homo technologicus.
Het is pas met het instorten van het ancien régime, tweehonderd jaar geleden, dat de statische, agrarische samenleving wordt gedynamiseerd. Vanaf 1800 treedt de mediageschiedenis in een tweede fase, het stadium van een permanente mediarevolutie. De gemeenschappelijke motor achter deze revolutionaire ontwikkeling van de moderne media is een progressieve versnelling van de informatieoverdracht die met de optische elektronica van vandaag in een derde fase binnenleidt. Waar de moderne media met hun steeds snellere transmissie van informatie de werkelijkheid steeds dichter benaderen, dreigt die werkelijkheid nu vermalen te worden in de lichtsnelheid van de opto-electronische digitalisering. De moderne media was het te doen om high fidelity, met andere woorden om imitatie of mimesis van de realiteit. De recente digitalisering en de nakende opto-elektronische versnelling van de informatieoverdracht, daarentegen, genereert een gesimuleerde werkelijkheid die geen boodschap heeft aan de "echte" werkelijkheid. Virtuele realiteit is een nieuwe realiteit die alle ruimtelijke grenzen van de vroegere schriftcultuur, maar ook de nabootsende praktijken van de traditionele, moderne media simpelweg uitwist. Het einde van dit millennium betekent dus misschien het einde van de klassieke beschaving, zoals die vanaf het begin van de agrarische, sedentaire samenleving werd uitgebouwd.
De mens ontwierp van in het begin instrumenten om zijn leven te vergemakkelijken. De sedentaire, agrarische beschavingen uit het Nabije en Verre Oosten ontwikkelden een heel instrumentarium van dergelijke hulpmiddelen voor landbouw, veeteelt en visvangst. Deze technologische media waren in de regel verlengstukken van menselijke lichaamsdelen. De steelschop is een duidelijk duplicaat van de menselijke arm en hand. Het wiel is een voet met concentrisch aangebrachte tenen. Het gekartelde mes lijkt gemodelleerd naar een mond met scherpe tanden. Naast deze technische hulpmiddelen werd ook een symbolisch medium uitgewerkt, het geschrift, dat in eerste instantie door de hand zelf maar geleidelijk aan door natuurlijke prothesen werd aangebracht op natuurlijk schrijfmateriaal. De stylus uit de Grieks-Romeinse tijd is een namaakvinger en dat geldt ook voor de latere pen of ganzeveer.
De technische of symbolische media - van schop tot geschrift - waren duidelijk ondergeschikt aan de menselijke gebruiker. Op het natuurlijke tempo van de arm en van de hand bewoog de schop of de pen. De media zelf waren eveneens uit natuurlijke materialen samengesteld. Hoe statisch deze eerste wereldrijken ook waren ingesteld, enige dynamiek was hen zeker niet vreemd.
De stabiele organisatie van een wereldrijk vraagt om een dynamisch optreden bij de commerciële contacten en bij de interne organisatie van de administratie. Schepen waren een cruciale, commerciële en militaire factor voor het overleven van deze mega-organisaties. De Romeinen beseften dat een efficiënt verkeer van schriftelijke instructies levensbelangrijk was voor het in stand houden van de pax Romana. Daarom allicht dat Augustus het eerste telecommunicatieve netwerk in het leven riep. Het logistieke netwerk van de heirbanen zorgde voor militaire controle van het rijk tot in de grensstreken. Vandaar was het een logische stap om dit netwerk te gaan gebruiken voor vlotte, symbolische communicatie. Koeriers te paard brachten via de heirbanen geschreven boodschappen in een mum van tijd tot in de verste uithoeken van het Romeinse Rijk.
Hoe dynamisch sommige van deze technische of symbolische media ook waren, schepen of koeriers te paard bleven ingeschreven in een natuurlijk tempo dat de mens met zijn loopsnelheid bijna of helemaal kon evenaren. De mediagebruiker had eveneens een grote affiniteit met de instrumenten die hij gebruikte vermits ze een natuurlijk verlengstuk vormden van het eigen lichaam. Ook in het geval van de toenmalige "snelle" media, zoals schepen, bleven de bewegende factoren van een natuurlijke, familiaire aard. De wind, het water of de menselijke dan wel dierlijke spierkracht waren vertrouwde constanten in het alledaagse leven. De mens stond dus ook via de technologische en symbolische media nog altijd in een min of meer direct contact met de natuur. Er was weliswaar die afstand tussen mediagebruiker en de natuurlijke werkelijkheid die hem toeliet om de natuur te manipuleren en te veranderen. Maar die manipulatie gebeurde met natuurlijke middelen en omdat die ingrepen zich op een organisch, statisch tempo voortbewogen, bleven natuur en mens gedurende eeuwen vrij intact en "onveranderd". Aan deze ecologische samenleving met haar trage, natuurlijke media komt op het einde van de achttiende eeuw een bruusk einde. De stoommachine ontketent een explosieve dynamiek die niets meer van doen heeft met dierlijke of natuurlijke, laat staan: menselijke maatstaven van krachtontwikkeling.
De mechanische telegraaf van de gebroeders Chappe (1794) markeerde de versnelling op telecommunicatief gebied. Tot dan toe was het Romeinse telecomsysteem van koeriers te paard onovertroffen. Het traject Parijs-Rijsel dat ongeveer 220 kilometer bedraagt, werd door de toenmalige Franse koeriers te paard op twintig uur overbrugd. Chappes telegraaf deed het via de ongeveer twintig tussenstations in dertien minuten! De pre-moderne snelheid van informatieoverdracht werd dus met een factor 80 vermenigvuldigd. Deze schok was minder spectaculair, want onzichtbaar, dan de duidelijk waarneembare versnelling via de stoomtrein. De eerste stoomtreinen uit de jaren dertig deden het drie tot vier keer sneller dan de postkoetsen: in plaats van maximaal vijftien kilometer per uur, zoals de postkoets, konden de eerste stoomtreinen topsnelheden ontwikkelen van vijfenveertig tot vijftig kilometer per uur.
De ongelooflijke versnelling van het leven op technologisch-communicatief gebied verliep vanaf het midden van de negentiende eeuw volgens een andere instrumentele logica dan voorheen. Waar de pre-moderne, trage media natuurlijke, duidelijk herkenbare verlengstukken waren van het menselijk lichaam, brengen de nieuwe media de onzichtbare, innerlijke mens naar buiten. En sterker nog: ze confronteren de mediagebruiker met een mediamachine die neurofysiologische functies van de mens in eigen beheer neemt en beter presteert dan het menselijk voorbeeld.
Vanaf de fotografie (1839) wordt niet langer de fysieke, maar de psychische, neurofysiologische mens geëxternaliseerd door de media. Het fotografische oog kijkt, zoals het menselijke oog, maar waar het menselijke brein drie seconden nodig heeft voor een bewuste visuele waarneming, doet het fotografische oog het weldra heel wat sneller om een beeld te fixeren. In de beginperiode van de fotografie overtrof het menselijke oog de fotografische kijkprestaties veruit. Daguerre had vijf tot tien minuten nodig om een stabiel beeld te schieten, maar vanaf 1850 deed het fotografische oog het even snel als het menselijke en weldra sneller. De chronofotografie van Marey en Muybridge in de jaren zeventig werkte met momentopnames die één duizendste van een seconde nodig hadden voor beeldopname. Het menselijke oog was met andere woorden drieduizend keer trager dan de fotografische versie.
Omstreeks de jaren tachtig van de negentiende eeuw nemen elektrotechnologische media, zoals fotografie en film, fonografie en radio de verschillende sensoriële functies van het centrale zenuwstelstel als het ware in eigen regie. Optische impulsen worden dankzij de momentfotografie en weldra ook de film (1895) waarheidsgetrouw vastgelegd. Akoestische signalen worden in real-time mimesis geregistreerd door Bells telefoon (1876) en Edisons fonograaf (1877). Het mechanische medium van de tikmachine - het prototype van Sholes dateert van 1874 - gehoorzaamt aan ogenblikkelijke, tactiele impulsen van de vingertoppen.
Deze elektrotechnologische en audiovisuele media ondersteunen niet langer menselijke activiteiten maar doen het eigenlijk beter, en alleszins sneller. De eerste lichting van snelle media verhevigt het menselijk contact met de werkelijkheid. Ook al zijn ze technisch gesproken niet langer een nabootsing van een door mensen waargenomen werkelijkheid - ze zien of horen immers vlugger, toch krijgen deze media de functie van high fidelity imitatie.
Met de stoomtrein wordt het wél duidelijk dat de moderne mens op een andere manier de werkelijkheid waarneemt dan de pre-moderne. Wie gebruikt maakte van de stoomtrein, verheelde niet dat de werkelijkheid in de ogen van de treinreiziger aan flarden werd gerukt. Heine maakte het in zijn Parijse ballingsoord mee hoe in 1843 spoorlijnen werden getrokken vanuit Parijs naar Rouen en Orléans en begon al dadelijk visioenen te krijgen van een nieuwe ervaring van tijd en ruimte, nu Frankrijk tot in zijn uithoeken als het ware verschrompelde tot enkele punten waar men de trein nam en uitstapte. Elk concreet gevoel van ruimtelijkheid verdween in het vacuüm van een abstracte treintijd die weldra alle regionale tijdsverschillen zou uitvlakken in een uniform tijdsbesef: "De elementaire begrippen van tijd en ruimte bestaan niet langer. Door de trein wordt de ruimte vermoord en rest er ons slechts de tijd."
Door de elektrificering van de informatieoverdracht, die begint met de elektrische draadtelegraaf van Morse (1844) en vervolgens populair wordt met de elektromagnetische, draadloze audiovisuele media, wordt de diagnose van Heine als maar dwingender. In de telecommunicatie wordt de ruimte tussen punt van verzending en punt van aankomst helemaal geëlimineerd. Bij de draadloze telegraaf van Marconi (1895) vallen beide punten bijna samen. Heine heeft dus gelijk als hij de moderne werkelijkheidsbeleving in louter tijdelijke termen beschrijft. En ook die tijd wordt meer en meer éénvormig gelijkgeschakeld met een abstracte, cijfermatige klokkentijd.
Toch worden de audiovisuele media door de tijdgenoten precies zo gewaardeerd omwille van hun onmiddellijke, orale (radio) of tactiele (film, televisie) werkelijkheidssuggestie. Rechtstreeks uitgezonden radio- of TV-programma's maken de luisteraar en de kijker inderdaad oor- en ooggetuige van hetgeen op een andere plaats en vaak op een ander tijdstip gebeurt. De fascinatie die van deze radio- of TV-uitzendingen uitgaat, heeft niets te maken met een ruimtelijke of temporele positiebepaling tegenover het media-onderwerp. De mediagebruiker laat zich integendeel helemaal opgaan in de door de media geprojecteerde gebeurtenis alsof ze hier en nu binnen de muren van zijn huiskamer zich afspeelde. Kortom, de moderne mediagebruiker is eerst en vooral geïnteresseerd in direct, zintuiglijk contact met alles en iedereen, waar ook ter wereld, die dankzij de media ook bij hem nu op bezoek komen. Waar de schriftgebruiker voorzichtig en beredeneerd, stap voor stap een stukje werkelijkheid ontwierp naar eigen inzicht en dat achteraf ook koesterde, zo laat de moderne mediagebruiker zich bij voorkeur verrassen door nieuwe, zintuiglijke indrukken. Hij vormt in zekere zin een communicerend vat met die media en is vooral bekommerd om een energetische, zintuiglijke return van zijn input in de media. Hij wil gestimuleerd worden door pakkende mediabeelden, zoals de stimuli van de schokbelevingen hem overdag prikkelen.
De digitalisering van de media drijft de snelheid van transmissie ten top en gaat de instrumentele logica van deze middelen drastisch herdefiniëren. De trage media, natuurlijk verlengstuk van het menselijk lichaam, hadden een assisterende functie. De moderne media die gebruik maakten van analoge technologie - draadloze, continuë golven die zich geleidelijk aan voortbewegen - streefden een zo werkelijkheidsgetrouw mogelijke, zintuiglijke imitatie na. Film, radio en TV intensifiëren de menselijke zintuigen. De digitale media daarentegen creëren door de enorme snelheid van datatransmissie een mediawerkelijkheid naast de "echte" werkelijkheid. Uiteraard heeft de waarneming van die gedigitaliseerde mediawerkelijkheid een tonisch, intensifiërend effect. Sommigen geraken, zoals geweten, verslaafd aan computerkicks. De ongekende snelheid van de digitale associaties genereert een artificiële werkelijkheid die gefixeerde, menselijke en natuurlijke cordinaten van tijd en ruimte simpelweg laat verdampen. De elektronische netwerken van de hypermedia mogen veel weg hebben van het menselijk neuronennetwerk in het brein, nuchter bekeken gebeurt hier eigenlijk het omgekeerde. Waar de media vroeger menselijke zintuigen veruitwendigden, gaan menselijke zintuigen artificiële instrumenten nu verinnerlijken. Wanneer de interface of de grens tussen digitaal instrument en menselijke gebruiker meer en meer wordt uitgewist, zal het duidelijk worden dat digitale media in het menselijke lichaam worden geïnternaliseerd tot een menselijke machine met een heel eigen kwaliteit en realiteit. Deze cyborg is tot nu toe vooral bekend als een karikatuur van de symbiose tussen mens en digitale machine. Maar wie VR-installaties beproeft, merkt inderdaad dat de menselijke zintuigen worden gevoed door de digitaal geprogrammeerde indrukken van de computer en niet andersom, zoals in de vroegere, pre-moderne mediawerkelijkheid, waar de mens de machine spijsde.
De snelheid van informatieoverdracht wordt in de loop van de mediageschiedenis opgedreven en doet zo niet alleen nieuwe media maar ook een nieuwe waarneming van de werkelijkheid via die media ontstaan. De invloed van snelheid op het maatschappelijk-economisch leven in het algemeen en op de media in het bijzonder is een fenomeen dat dateert van het begin van de moderne, industriële tijd omstreeks 1800. De media vóór 1800, de zogenaamde trage media, die ingeschreven waren in een statische beschaving, kanaliseerden een specifieke vorm van waarneming die nu nog altijd virulent is. Een bepaalde kaste van schrijvers en intellectuelen die uiteraard de schriftcultuur willen propageren, vergroten dit trage medium uit tot een algemeen-menselijk pleidooi voor trage waarden in een digitale samenleving die steeds sneller draait, denkt, werkt en leeft. Hoe dan ook, wanneer de snelle media vandaag het tempo en de evolutie van onze samenleving aangeven, betekent dit niet dat de trage, pre-moderne media zonder meer worden weggespoeld. De mediageschiedenis toont juist aan dat media nooit verdwijnen - het oudste medium, gebarentaal, is nog altijd het meest gebruikte! - maar dat andere tijden andere media en trouwens ook andere mensen in het leven roepen. Vandaag beschikt de mediagebruiker over een intrigerende mediamix die de nodige variatie waarborgt. Wie zweert bij de "snelle" hypermedia, is daarnaast ook een gebruiker van gebarentaal, gesproken taal, handgeschreven en typografische taal. Om maar te zeggen dat snelheid traagheid hoegenaamd niet uitsluit maar veeleer aanvult. Het is juist de charme van de mens van vandaag dat hij het tempo van zijn leven - en van de media - voor een belangrijk deel ook kan sturen. Alhoewel dient gezegd dat de snelle media zeker en vast imperatief zijn, maar daarom nog niet allesoverheersend.
De trage en de snelle media hebben trouwens heel wat met elkaar gemeen. Wie de waarnemingsmodellen probeert te achterhalen die de desbetreffende media articuleren, komt eigenaardig genoeg bij een formeel identieke perceptiestructuur terecht die weliswaar heel eigen accenten vertoont, naar gelang het om trage dan wel snelle media gaat. Media organiseren de menselijke waarneming en waarneming kan in termen van ruimtelijke en temporele organisatie worden gekenschetst. De trage media waren ruimtelijk, statisch ingesteld terwijl de snelle media vanuit hun dynamisch karakter het temporele accentueren. Tijd vertoont van nature uit dynamische kwaliteiten terwijl ruimte daarentegen iets onbeweeglijks, stars of traags heeft.
De homo tactilis percipieerde via ogenblikkelijke tastindrukken. Daardoor wordt de werkelijkheid ingeperkt tot hier-fragmenten die tijdens de tastbare aanraking telkens nu aanwezig zijn. De tactiele instant-mens heeft geen continu tijdsbesef maar leeft uitsluitend bij de genade van het tastbare ogenblik. Dat hier en nu-paradigma keert terug in de waarneming van de homo cinematograficus en de huidige homo digitalis. Alleen ligt het accent vandaag op het temporele nu-karakter van de waarneming. Het filmische montagekarakter van de associaties mikte op synchroniciteit. De film trachtte de alledaagse werkelijkheid - en meer bepaald de beweging van de tijd - zo zintuiglijk mogelijk te reconstrueren. Daardoor kreeg de filmbezoeker de illusie dat hij niet alleen le temps perdu (Proust) maar ook l'espace perdu - de plastische, tactiele kwaliteiten van het leven - kreeg teruggeschonken. De digitale media passen eveneens in dit hier en nu-paradigma. Alleen ambiëren hypermedia en virtuele media niet langer een synchrone imitatie van de werkelijkheid, maar scheppen ze hun eigen gesimuleerde mediawerkelijkheid die haast simultaan de meest diverse associaties in elkaar vervlecht. Dit associatief, pulserend denken dat zoveel mogelijk informatie tegelijk verwerkt, is het creatieve denken van vandaag.
De gesproken taal die mediahistorisch na de gebarentaal komt en vóór de introductie van het geschreven woord, sticht al een zekere mate van tijd-ruimtelijke identiteit die het moment van spreken transcendeert. Alleen is de garantie dat iemand ergens ooit iets heeft beweerd afhankelijk van andere oorgetuigen. Woorden zijn immers een efemeer medium dat de spreker slechts een tijdelijke positiebepaling garandeert, zolang de woorden nog niet in de wind zijn verwaaid. Ook de telegrafie, het eerste snelle, symbolische medium, zweert bij het ergens en ooit-waarnemingsmodel van de gesproken taal. De telegrafie met zijn zin voor punctualiteit en ogenblikkelijkheid hakt de ruimte in mootjes die ogenblikkelijk worden overbrugd. In tegenstelling tot de gesproken taal is er deze keer wel een garant voor de communicatieve signalen die ooit ergens werden verzonden: het telegram, uiteraard.
Geletterdheid, tenslotte, in zijn geschreven of typografische variant geeft de illusie van onsterfelijkheid. Het geschreven en gedrukte woord schept een compacte, symbolische ruimte die weerstaat aan de tand des tijds en die principieel overal kan worden geraadpleegd. Het is overal en altijd aanwezig maar het mist de band met de realiteit van de lichaamstaal en van de gesproken taal. Kortom, de onsterfelijkheid die het geschrift aan de scribent schenkt, is van een abstracte, irreële kwaliteit. Toch weegt dit werkelijkheidsverlies niet op tegen de immense beheersbaarheid van de werkelijkheid die het geschrift mogelijk maakt. Het is pas met het geschrift dat de westerse logica en technologie aan hun opmars beginnen.
De alfabetisering wordt in deze digitale tijden alfabytisering. Deze vercijfering is in zekere zin het ironische resultaat van de woordcultuur vermits de telegrafie het overal en altijd-pathos van de woordcultuur ook naar de verste (tele) uithoeken van de wereld wou uitdragen en daarom - zie Morse - de woorden transformeerde in een cijfermatige code van strepen, punten en pauzes die later werden gereduceerd tot ééntjes en nullen. Woordcultuur en digitale cultuur kunnen dus elkaars bondgenoten zijn. Vernieuwers van het woord plachten vrij dikwijls de springerige associaties van de digitale logica te hanteren. En is de homo zapiens tegenwoordig ook niet overal en altijd aanwezig?
| Medium |
Gebruiker |
Waarnemingsmodel |
| lichaamstaal |
homo tactilis (2.500.000 v.C.) |
hier en nu (abrupte tastindrukken) |
| gesproken taal |
homo oralis (100.000 v.C.) |
ergens en ooit voorlopig gestructureerde informatie |
| (hand)geschreven taal |
homo logicus (3.500 v.C.) |
overal en altijd (logisch gestructureerde informatie) |
| gedrukte taal |
homo typograficus (1447) |
overal en altijd (homogene ruimte en discontinu tijdsverloop) |
| tele- en fotografie |
homo telegraficus (1839) |
ergens en ooit (heterogene ruimte en discontinu tijdsverloop |
| film en audiovisuele media |
homo cinematograficus (1895) |
hier en nu (reële synchroniciteit) |
| digitale media |
homo digitalis (1945) |
hier en nu (virtuele of hypereële gelijktijdigheid) |
Figuur 1: van de homo sapiens tot de homo zapiens of van de gebarentaal van de homo tactilis tot de pulserende cijfertaal van de homo digitalis
Dit essay is een bewerking van het slothoofdstuk uit het gelijknamige boek: "De boodschap van de media. Een geschiedenis"(Acco, 1996).