Paul van Ostaijen

JONG LANDSCHAP





Zo staan beiden bijna roerloos in de weide
het meisje dat loodrecht aan een touw des hemels hangt 
legt hare lange hand op de lange rechte lijn der geit 
die aan haar dunne poten de aarde averechts draagt 
Tegen haar wit en zwart geruite schort 
houdt het meisje dat ik Ursula noem 
- in 't spelevaren met mijn eenzaamheid -
een klaproos hoog

Er zijn geen woorden die zo sierlik zijn 
als ringen in zeboehorens 
en tijdgetaand zoals een zeboehuid -
hun waarde bloot naar binnen schokken 
Zulke woorden las ik gaarne tot een garve
voor het meisje met de geit

Over de randen van mijn handen
tasten mijn handen 
naar mijn andere handen
onophoudelik