Paul van Ostaijen

POLDERLANDSE ARKADIA





Over het bij vlekken zongeplengde dak 
hangt de beuk zijn loof van dieper rood 
Raamkozijnen glimmen groen en vatten 
terracotta bloemepotten 
daarin geraniën groeien van het esmeralden blad 
met doffe kring
naar meekraplakken bloemen
Op de dijkweide weidt zijn zwijnen 
een zwijneweider wijl hij op een schelp gebrande aarde 
okarino speelt
De klanken wuiven licht zo wuiven ook de beukeblâren
alsof zij in hun wuiven roerloos waren

Wie met een luit in het hart door 't land gaat 
en in het water van zijn ogen stuwt het worden van een zang 
perst hij niet op zijn lippen uw-Amarillis-schone naam