Het kijken en de keuken
Wat bruist en gist het toch in de literaire tijdschriften! Toegegeven, ze kunnen niet bogen op een indrukwekkend abonnementenbestand en zijn bij het grote publiek schabouwelijk onbemind, maar ze zijn dynamischer dan ooit. Met helaas soms onopvallende initiatieven blazen ze de literatuur leven in, in alle aspecten, ze zorgen voor verdieping én vernieuwing, introductie én correctie én herdenking. Is dit peptalk ten behoeve van de subsidiegever, het Fonds voor de Letteren? Ter illustratie dan maar enkele voorbeelden van uiteenlopende initiatieven van literaire tijdschriften. Een polemisch essay in Yang zorgde ervoor dat er in de kranten en vooral in het kunstwereldje een heftig debat woedde over het wezen van de moderne beeldende kunst. Het niet eens gesubsidieerde tijdschrift Kruispunt werkte intussen in alle stilte aan een binnenkort te verschijnen herdenkingsnummer over Mark Braet, waarmee de vorig jaar overleden Brugse dichter enigszins gevrijwaard wordt van de algehele maar onterechte vergetelheid. In het herfstnummer van De Brakke Hond publiceert Jeroen Brouwers het derde deel van zijn 'Manteau-memoires'. Nadat hij het al had over zijn beginjaren bij de uitgeverij en de kille houding van de directrice - "Waar zij verscheen stak poolwind op" - en in een tweede deel over de neergang van Manteaus successchrijver Ward Ruyslinck, focust hij nu op Theo Oegema van der Wal, van 1959 tot 1972 de Nederlandse lector en herschrijver van het bedrijf. Omdat De Brakke Hond twintig jaar bestaat, presenteert het tijdschrift straks op Het Andere Boek ook een nieuwe verhalenbundel met jong literair talent: Mooie jonge honden (Van Halewyck)
Een van die jonge honden is de productieve Dimitri Verhulst, van wie recent een boek verscheen dat ook aan een literair tijdschrift te danken is. In Problemski Hotel (Contact) beschrijft hij verhalen van asielzoekers, onder meer over de omstandigheden in opvangcentra, de mensensmokkelaars en de ontsnappingspogingen, al dan niet in vrachtcontainers, waarbij zuurstofgebrek soms tot de dood leidt. Zoals Verhulst in een nawoord schrijft, kwam het boek er nadat hij door het tijdschrift Deus ex Machina was gevraagd iets te schrijven over asielzoekers in het opvangcentrum van Arendonk. Om zich "onder te dompelen in deze materie" verbleef hij, vermomd als een Cubaanse banneling, enige tijd in het centrum: "zonder dat bad had ik aan dit boek zelfs niet moeten, mogen en kunnen beginnen".
Minder werelds, polemisch of naar een breder leespubliek gericht, maar even noodzakelijk, is het laatste nummer van Revolver, dat het in de diepte van de literatuurkritiek zoekt. Het themanummer, 'Vivisectie van een dichtbundel', bestaat uit een 'tweespraak' tussen criticus Yves T'Sjoen en dichter Jan Lauwereyns. De beschouwer gaat in (schriftelijk) gesprek met de dichter, naar aanleiding van Lauwereyns' jongste bundel Buigzaamheden (Meulenhoff). Een moedig initiatief van Revolver, met als resultaat een intrigerende inkijk in het hoofd en de keuken van zowel dichter als criticus.
T'Sjoen en Lauwereyns schreven tien brieven naar elkaar. In die brieven, een soort van essays, maakt de criticus beschouwingen over de gedichten, waarop de dichter dan repliceert. In een 'Woord vooraf' wordt gewezen op het verschil met een klassieke recensie of kritiek. "Een criticus moet een eigen zienswijze kunnen nuanceren, in perspectief plaatsen, verfijnen. Dat kan alleen in dialoogvorm: de ene bedenking levert de andere op." En verder: "Een dichter is ook zelf een lezer van het eigen werk: hij treedt in dialoog met de afstandelijke beschouwer."
De formule - die natuurlijk alleen al door de omvang geen alternatief is voor een gewone recensie - wérkt in dit geval prima. De beschouwer T'Sjoen laat zich zien als een goede interpretator en als een piëteitsvol onderzoeker, wat noopt tot revelerende reacties van de dichter. Hoewel anders van toon toont Lauwereyns in alle zoekende eerlijkheid ("Ik ben evengoed een lezer die het raden heeft naar de intenties van mijn gedichten") hoe zijn poëzie letterlijk en figuurlijk vorm kreeg en hoe consciëntieus hij aan een oeuvre bouwt. In een eerste brief analyseert hij bijvoorbeeld zijn evolutie, van zijn debuut Nagelaten sonnetten, waarbij het hem vooral ging "om anekdotes in een onvergetelijke vorm te gieten", tot de recente gedichten: "Geen beelden omzetten in taal, maar beelden ontdekken in taal."
Het is opmerkelijk én verfrissend dat de briefvorm niet verglijdt in amicaal schrijversgepraat, maar zich toespitst op het werk en bij uitbreiding op de poëzie in het algemeen. Om misbegrip te voorkomen moet ik benadrukken dat deze 'vivisectie' ook helemaal geen academische proeve van close-reading is geworden. Het gaat niet alleen over de verzen in Buigzaamheden, maar ook over allerhande filosofische, poëticale en wetenschappelijke onderwerpen (die natuurlijk ook in het werk van de dichter-wetenschapper te vinden zijn). Zo bijvoorbeeld over kijken ("Zien is inzoomen op iets") en het verlangen te zwijgen, over neurowetenschap en het leed van proefdieren, over citeren ("Zelfs voor wie het citaat niet herkent, kunnen bepaalde teksten klinken als een echo"), invloeden, het lezen en verwerken van poëzie. Gerrit Kouwenaar en Hans Faverey maar ook Paul Bogaert komen ter sprake, en Martin Reints. Omtrent diens "onbestemde invloed" maakt Lauwereyns terloops enkele opmerkingen die voor niet-dichters misschien ontluisterend zijn, zoals: "Opnieuw was het lenen van een techniekje voldoende om mij op weg te zetten met het schrijven van een gedicht."
Tijdens hun correspondentie kreeg de criticus het werkcahier van de dichter toegestuurd, een geschenk voor de interpreteerder. Lauwereyns werd zo de eerste levende dichter die hem zijn keuken liet zien. Deze inkijk, "de criticus als uitverkoren meelezer over de schouders van de schrijvende dichter", zoals T'Sjoen het stelt, leidde wel "tot nieuwe interpretaties, maar in geen geval tot dé interpretaties". In een vorige brief schreef de dichter al: "Leve de poëtische code die niet gekraakt kan worden!"
Ik las het Revolver-nummer gefascineerd door, echter zonder de dichtbundel bij de hand te hebben. Die ga ik nu kopen en lezen, uitgenodigd tot eigen interpretaties.
Als dat geen resultaat is voor een literair tijdschrift!
Johan Vandenbroucke
Een abonnement op de papieren versie van De Brakke hond kost slechts 32 euro. Klik hier voor een abonnement.
Nummer nabestellen? klik hier.
De Brakke Hond is geen tijdschrift voor hondenliefhebbers die zich interesseren voor hondenvoeding, hondenverzorging, puppies en hondenvakanties, het bevat 100% literatuur.