| |
|
Zij moeten een gebed over hem uitspreken en hem met olie zalven in de naam des Heren
Ik was nooit makkelijk uit bed te krijgen, en ik moet er plots aan
denken hoe mijn moeder vroeger, na tien keer mijn naam van beneden aan
de trap te hebben geschreeuwd, ineens met een stevige ruk het laken
van mijn lichaam trok, net zoals de lijkschouwer nu doet, zodat ik daar
bloot en weerloos lag, beschaamd om wat de natuur s ochtends vroeg
een man aandoet. Het verschil is dat ik dit keer niet als de weerlicht
in mijn kleren schiet terwijl ik haar op de gang hoor schaterlachen,
geen mens die dat verwachten kan.
Mijn moeder, het mens. Zou ze ondertussen het nieuws
al vernomen hebben?
Er zit een vlieg op het voorhoofd van de lijkschouwer en dat schijnt hem niet te deren. Hij meer dan wie ook weet dat die vlieg straks op mij zal komen neergestreken en vanaf dan geen enkele belangstelling meer voor zijn zwetende knikker zal tonen. Ze zal haar eieren in me leggen en die zullen met deze hitte spoedig uitkomen. Want toevallig zijn wij vandaag de eerste donderdag na Misericordias (de dag waarop in ons dorp traditioneel de kermis begint). Het is dan altijd uitstekend weer en vooral de ouderen verlangen dan opnieuw naar de winter die ze nog niet zo heel lang achter zich lieten en die ze evenzeer verwensten.Vijfentwintig graden zoals vandaag is geen uitzondering. Het zal pas volgende week vrijdag, of misschien zelfs zaterdag zijn dat de pastoor de opdracht zal hebben gekregen mij na een elfurendienst te begraven; tegen die tijd zal ik al sappig zijn, en mals voor de maden.
Dit gebouwtje is niet altijd eigendom van de gerechtelijke geneesheren geweest. Lang geleden was dit de jongensschool. Dat moet geweest zijn toen de schoolplicht nog tot de leeftijd van veertien gold en alleen de rijken er iets voor voelden hun kinderen naar de stad te sturen, waar ze bij de paters-jezuïeten een opleiding genoten die je het lachen deed vergaan maar waarmee je vele sloten open kreeg. Mijn eigenste vader, Albert Merchier, zat hier nog op de banken, en uitblinken deed hij vooral op het speelkoertje, tijdens een robbertje vechten. De kennis waar hij vandaag op steunt heeft hij in dit lokaal opgestapeld, nadien is er niets meer bijgekomen. Hij wist voldoende. Hij kon rekenen, schrijven en een rozenhoedje bidden. Voor iemand die later een groentewinkeltje wou beginnen zou een teveel aan kennis alleen maar ballast betekenen. Ongelukkig, beweerde hij, kon je maar door twee dingen worden: door verstand of door een huwelijk. En hij koos voor het huwelijk, met Julie Gregoire, die toen nog flessen spoelde in het fabriek en pas na vele jaren proberen en na het bijna te hebben opgegeven dan eindelijk toch nog mijn moeder werd. Jaren geleden stapte zij krankzinnig uit bed, of slaagde zij er plots niet meer in haar krankzinnigheid voor de buitenwereld verborgen te houden, dat is ook een mogelijkheid. In alle geval hoeft niemand nog iets van mijn moeder te vrezen, zij zit opgesloten in het klooster en kan er drie keer per dag op een nieuwe pisdoek rekenen. Haar bezoeken deed ik al een hele tijd niet meer, en moeder overste raadt het trouwens iedereen ten strengste af de gevangenschap van mijn mama met een bezoek te verlichten. Mijn mama zal altijd mijn mama blijven, over haar wil ik uitsluitend met het grootste respect spreken, maar ze werd een beest. Toen haar behandeling nog iets of wat menselijk was en de nonnen haar iedere avond nog een slaapzoen kwamen geven, heeft ze op een keer de lippen van Zuster Cécile afgebeten. Alle twee. En ingeslikt! Zodat het voltallige klooster, in de hoop dat die lippen van Zuster Cécile er toch nog konden worden aangenaaid, de week daarop de immer slappe stoelgang van mijn moeder door een vlindernetje ziftte. Tevergeefs. Sindsdien zit ze (mijn moeder dus) van alles en iedereen afgesloten in een isoleercel, en wordt haar eten haar via een luikje toegesmeten. Het laatste wat ik van haar vernam is dat ze haar eigen urine is beginnen drinken. Soms schreeuwt ze s nachts mijn naam, dermate indringend dat de nonnen zich hiertegen moeten verzetten door wat op hun orgeltje te spelen. Maar ze heeft een raampje in haar cel, en beeldt zich in bij helder weer de mooiste sterren van de hemelequator te kunnen zien: Perseus, Voerman, Capella, Andromeda, Cassiopeia, Cepheus en, haar lieveling, Wega, de helderste van allen.
Maar ik had het over dit oude gebouw dat ooit de jongensschool was. Toen ik de leeftijd had om onder de knoet te worden gehouden door autoritaire onderwijzers, en dit voor vele jaren, was er al een nieuw schooltje gebouwd. Deze lokalen waren s winters niet warm te stoken, de kartonnen muren zogen zich vol vocht en zwollen op, onze tafels van vermenigvuldiging werden tussen de hoestbuien door opgezegd. Maar wij kwamen hier in de zomer wel spelen, bouwden hier kampen waarvoor we poëtische wachtwoorden bedachten, rolden een zomer later onze eerste plukken tabak met krantenpapier, en nog een zomer of twee later maakten we in deze leegstaande gebouwen nader kennis met het fenomeen dat tussen vrouw en meisje hing. Vele van onze geheimen speelden zich op deze plaats af, de eerste bronnen van verdriet werden hier aangeboord. Later werd het hele complex opgekocht door een onbekende investeerder die er een fitnesscenter in onderbracht. Zonder succes, trouwens. De mannen van het dorp stonden wantrouwig tegenover spieren die spelenderwijs groter, maar daarom niet bepaald sterker werden, we vonden het zelfs een tikkeltje belachelijk onze krachten met halters en mietjesachtige buikspieroefeningen op te drijven. Mannelijkheid, dat verkreeg je op het land. Je mocht zoveel gewichten tillen als je maar wou, wie geen boom met zijn blote poten had gerooid en wie geen ploeg kon trekken was geen vent. Eerder dan het onze verwondering wekte, werkten de plaatjes van blinkende mannen met hun blubber in een spannend zwembroekje op onze lachspieren. Langer dan drie maanden heeft het avontuur van de investeerder niet geduurd (ik heb horen vertellen dat hij nadien elders zijn kapitaal nog heeft willen verdubbelen met afslankingsbaden en trilmachines, en dat dit meer succes had). Dit pand heeft men nog verschillende bestemmingen willen geven, maar er hing een vloek over de bakstenen en alles wat hier werd uitgeprobeerd draaide op een mislukking uit. Tot de gemeente het weer opkocht en ervan maakte wat het nog altijd is, het lijkenhuis. Dat ruik je trouwens.
Vroeger, uiteraard vroeger, heb ik wel eens horen beweren dat het gehoor
van iemand die nog maar net is overleden nog functioneert, de oren zouden
het laatste aan ons lichaam zijn dat sterft. Dat is natuurlijk onzin
om zoiets te beweren, waarop kan men zich tenslotte baseren. Maar het
blijkt wel te kloppen. Ik hoor nog. Nog steeds. Nog even. Ik hoor nu,
op dit moment, de fanfare door de straten trekken, de paardjesmolen
draaien. Ik hoor opgewonden kinderen aan de hand van hun moeder, de
wezen en de verwaarloosde jochies uit het tehuis van hier iets verder
ostentatief hun vrijheid benutten, de verkoper van pommes damour
om klanten schreeuwen. Ik hoor mensen massa worden, hun afzonderlijke
wegen convergeren om met zn allen straks te zien hoe het Mariabeeld
uit onze kerk door de straten wordt gedragen. Geluiden, muziek bijna,
waar het hele dorp een volledig jaar naar heeft uitgekeken. Ook ik.
Kermis is het schoonste wat er is, en deze kermis had de schoonste van
alle kermissen moeten worden. Vandaag, vanavond, zou ik na veelvuldig
drinken de moed hebben gehad om een meisje te veroveren. Helene. Schone
Helene waar iedereen van droomt, en Schone Helene die juist daarom doet
alsof ze zelf nooit van iemand droomt. Velen hielden vol dat Helene
zou verdwijnen uit het dorp, dat ze zou trouwen met een man van de wereld:
iemand die nooit wijn dronk zonder eerst in zijn glas te hebben gesnuffeld,
pakken droeg, naar tennis keek, en die een paar straten van Parijs bij
naam kende, en dat zij theater zou gaan spelen in steden met lange en
brede boulevards. Zoiets klonk aannemelijk, maar je nam het niet. Ik
toch niet. Het prestige dat een tongzoen van Helene ons zou opleveren
was te groot om ons door zomaar eender welke toekomstvoorspelling te
laten ontmoedigen. Al moet ik toegeven dat ik mijn kansen om ooit één
meisje te veroveren dat in schoonheid nog geen duizendste van Helene
voorstelt, laag of zelfs onbestaande acht. Heb geacht, ik moet er nog
aan wennen in de verleden tijd te denken.
Ik vraag me af of ze op mijn begrafenis zal zijn,
en wat ze zal dragen. Ik hoop haar mondaine zonnebril.
Was het vandaag geen kermis geweest, en werd het
beeld van Moeder Maria vandaag niet door de straten gedragen, dan had
ik van hieruit de bossen gehoord, het ruisen van de bomen, vogelgezang,
een grasmaaier in de verte, het tikken van een tennisbal tegen een muur.
Het is lang zoeken naar een geluid dat even schoon is als dat van de
tennisbal waarmee een eenzaam kind een tiebreak van de stalmuur wint.
Ik zal dat geluid ontzettend missen.
De lijkschouwer heeft duidelijk geen zin in mij en dat begrijp ik. Ik in zijn plaats zou er ook niet mee kunnen lachen dat ze mij van de kaarttafel hebben weggeroepen (hij had net een full house in handen) om een doodsoorzaak vast te stellen. Niet dat ik het hem lastig maak, al mijn vingers zijn van mijn handen gesneden. Als hij een beetje zijn vak beheerst heeft hij in een handomdraai genoteerd dat ik ben overleden aan de combinatie van heel veel bloedverlies en een hartinfarctje dat ik in betere omstandigheden te boven was gekomen. Hij zou er zich vlug vanaf kunnen maken en mijn steekkaart invullen zonder mij een blik te gunnen, als hij wil neemt hij over tien minuten zijn kaartspel weer op, maar dat doet hij niet. Hij schuift zijn stoel dichter bij mijn lichaam en sjokt verder aan zijn sigaar. Pas als ze helemaal is opgerookt zal hij zijn plastic handschoenen aantrekken.
Het is zover, de vlieg heeft mij gezien.
Op de zoldering van het gebouw heeft zich een klad duiven genesteld, ik hoor ze koeren. Het is de paartijd, de duivers zetten een hoge borst op. De jonkers die nu geboren worden zijn meestal sterk, hebben een stevig gestel en mooie slagpennen. Je kan ze in september met gemak inzetten op de vlucht van Angoulême, een ideale kans om hun eerste prijs te vliegen, en de perfecte test voor de duivenmelker om te zien wat zijn nieuwe lichting waard is, welke afstand ze in de vleugels heeft. Van duiven heb ik altijd al gevonden dat ze behoorden tot de domeinen van de dood en zie, ik krijg gelijk.
De sigaar is opgerookt. Het lijkt wel alsof ik boter ben zoals het
lemmet van de lijkschouwer mijn lichaam nu openlegt. Ik ben nog jong
voor de ene generatie, en ik ben al oud voor een andere generatie. Maar
ik ben nog niet helemaal kapotgezopen, niet compleet zwartgerookt vanbinnen,
sommige organen zijn nog vitaal, en alles wat een ander nog dienen kan
wordt uit mijn romp gehaald. Mijn maag wordt leeggeknepen, in een schriftje
wordt de inhoud ervan genoteerd: een restje Schwarzwalder ham, een schijfje
dunne knakworst, lamslong, aardpeer, spruiten en andere sporen van een
heerlijke hutsepot. Das nog van gisteravond, ik ben altijd een
trage verteerder geweest.
Nu weet ik waarom begrafenisondernemers amper een
krimp geven met zon lijkkist in hun nek: er ligt nauwelijks wat
in.
Er wordt nog een kaartje aan de dikke teen van mijn
rechtervoet geknoopt, Maurice Merchier, het zal niet lang
meer duren of ik word in de ijskast geschoven. Ik zal het nooit meer
koud hebben.
*
Ik wist overigens niet dat Martin kistenmaker was geworden, maar ik
had dan ook alle contact met hem verloren. Hij ziet er goed uit en dat
verbaast me niets, kistenmakers en begrafenisondernemers hoeven nooit
voor hun toekomst te vrezen. Zeker hier in Gemontfoux staan hun zaken
er voor de komende twintig, dertig jaar goed voor; de jeugd trekt weg
naar waar het leven opwindender is, Namen, of Brussel. Een enkeling
trekt naar Knokke, en ook Parijs wordt aangedurfd. Maar wie blijft is
vast van plan om hier te sterven, bij voorkeur in zn eigen bed,
met het getik van zn eigen wekker naast hem, omringd door mensen
die zelf ook al zo oud zijn dat de gedachte aan een eventuele erfenis
hen onberoerd laat. Zoveel ouderen zijn er momenteel, genoeg voor werkzekerheid
tot lang na Martins pensioen.
Martin is een oude klasgenoot van me, als ik me niet
vergis ben ik de eerste van de klas van meester Antoine voor wie hij
nu een kist moet maken. Dat is het keerpunt in het geluk van de kistenmaker,
de dag waarop hij vaker voor leeftijdsgenoten een kist moet slaan, iedere
branche heeft zijn voor- en nadelen. Zou hij vanavond aan de telefoon
hangen, zo van: Zeg, weet je wie ik vandaag een doodskist heb
staan timmeren? Maurice!
Ik denk het niet. Het zou me sterk verbazen dat die
leerlingen van toen op mijn begrafenis zullen zijn, tenzij dan als aanleiding
om nog eens een klasreünie te organiseren en zich na de dienst gezamenlijk
te bezatten in het café rechtover de kerk en heerlijke herinneringen
op te halen aan hoe ik haast verdronken was in het zwembad. Tegen de
avond zullen ze vergeten zijn wat hen heeft samengebracht, als ze zich
nog herinneren wie Maurice Merchier was zal het al een prestatie zijn.
Maurice Wie? Was hij getrouwd? Kan iemand zeggen wat voor werk hij deed?
Wist iemand waar hij had gewoond? Die vragen zullen niet eens meer als
relevant worden beschouwd, en gelijk hebben ze.
Martin maakt een praatje met de lijkschouwer over de onbelangrijke
dingen des levens die mensen nader tot elkaar brengen. Het weer, de
muggen, de schandalige prijzen voor een bloemkool, de deelname van een
klein kind aan het Eurovisiesongfestival
Het soort gesprekken
waarin men zeer bedreven moet zijn wil men met succes een sigarettenwinkeltje
runnen. Dan valt het oog van Martin op het nieuwe postermeisje dat aan
de muur hangt, het papier glanst nog. Het meisje van april, uit een
boekje gescheurd en ondertussen hangende aan vele muren waaronder die
dus van het lijkenhuis. Een meisje dat op haar afgeschoren plekje na
wezenlijk niet veel verschilt van het meisje van februari of maart of
augustember, maar dat wordt ook niet van haar verwacht. De lijkschouwer
en Martin keuren haar en bedenken wat ze met dergelijke marchandise
tussen hun beddenlakens zouden aanvangen. Veel, meer dan ze gezien hun
leeftijd nog zouden kunnen denk ik, maar ik moet toegeven dat ik mij
prima in hun fantasieën kan vinden en dat ik graag aan dat gesprek zou
hebben deelgenomen. Nooit gedaan, ik heb nooit met vrienden over neuken
gepraat, wat mijn vader al vermoedde zodat hij beweerde dat ik geen
vrienden had en er dringend vinden moest. Ik herinner mij dat Martin
in tegenstelling tot mij in de klas altijd een grote mond opzette als
het over meiden ging, niemand die er ooit aan twijfelde dat hij abnormaal
kon zijn. Het is wanneer hij en de lijkschouwer het meisje van april
en het meisje van maart tezamen smerige dingen laten doen in hun brein
en daar vettig om lachen dat ik leegloop langs onderen. Langgerekte
scheten, lusteloos gelaten, de pffff van een ballon die al een
poos niet meer gespannen stond.
Ik wist dat dit te gebeuren stond, of tenminste:
ik had daar bij leven en welzijn over horen vertellen. De techniek van
de sluitspieren laat het na het overlijden afweten, alles wat uit het
lichaam nog moest worden afgedreven krijgt vrije doorgang. En dat is
niet weinig, ik geloof niet dat ik ooit al zoveel heb gescheten.
Aha, hij is al zo ver, zegt de lijkschouwer
die blijkbaar op dit moment zat te wachten, een beetje zoals een moeder
op het boertje van haar kind. Maar iets ondernemen doet hij niet. De
emmer onder de tafel vangt immers alles op, zolang de hoeveelheid stront
tenminste binnen de perken blijft. Martin klaagt over de stank die ik
gezien de omstandigheden vrij normaal acht maar die volgens de lijkschouwer
inderdaad toch afwijkt van het gemiddelde. Het zullen de spruiten zijn,
maar dat kan ik natuurlijk niet zeggen. Ik voel de drang mij voor mijn
geuren te excuseren. Nog even en ook uit mijn neusgaten zal allerlei
viezigheid komen gesijpeld, ik zal blij zijn wanneer er watten in worden
gepropt, dat bespaart mij alleszins de gêne.
Wordt hij gecremeerd? wil Martin weten.
Aan die mogelijkheid had ik zelf nog niet gedacht,
en het boezemt me angst in dat ik daar zelf niets meer over te beslissen
heb. Martin moet over deze informatie beschikken omdat hij de houtsoort
aanpast naargelang de aard van mijn uitvaart. Het zou te gek zijn de
beste houtsoort meteen in de verbrandingsoven te gooien. Ook of er een
kruisbeeld op het deksel moet kan de lijkschouwer hem niet vertellen,
het is wachten op mijn vader die mij later vandaag nog moet komen identificeren
(niet dat iemand er aan twijfelt dat ik ik ben, het is gewoon een formaliteit).
Zijn zijn vingers al gevonden?
De jagers, verneem ik nu, werden ingeschakeld door
de politie en zijn momenteel met hun honden op pad. Die beesten zijn
opgeleid om een stuk vlees op te sporen, weerstaan aan de verlokking
het op te slokken. Het is een idee waar ik moeilijk aan kan wennen,
dat er op dit moment één of andere schaapsherder met mijn vingers in
zijn muil over straat loopt, kwispelend met zijn staart, trots, recht
op zijn baas af. Uit het commentaar van Martin kan ik ook niet opmaken
of mijn vingers, als ze tenminste gevonden worden, in de kist zullen
worden gegooid om samen met mij te worden begraven. Ik hoop van wel,
uiteindelijk heb ik met die vingers geleefd, maakten ze evenveel deel
uit van mijn wezen als mijn lever of mijn neus. Indien niet méér. Als
mijn vingers op een latere datum worden gevonden en in een sigarenkistje
onder de grond zullen verdwijnen, dan zal ik dat ervaren als een gemis.
Moeilijk uit te leggen waarom.
Lijkschouwer en kistenmaker kunnen het goed vinden met elkaar. Er staat
hier een klein ijskastje waaruit de lijkschouwer twee blikjes bier haalt.
Ze brengen een dronk uit op de kermis, en op Moeder Maria. U zou kunnen
stellen dat het hier, ondanks de aanwezigheid van mijn macaber lijk,
best gezellig is, en ik stoor er mij zelfs aan dat er zo weinig aandacht
aan mij wordt besteed. Dat is toch het minste wat je voor jezelf als
verse dode zou mogen verwachten: dat er een beetje over jou wordt geroddeld.
Ik zou harder moeten gaan stinken, nog meer leeglopen langs onderen
om hun aandacht te trekken, en ik ben er tamelijk gerust in dat hun
gedrag enigszins anders zou zijn geweest indien op deze tafel een meisje
lag. Voor hen besta ik niet, en ze hebben spijtig genoeg gelijk. Ik
kan daar maar beter aan wennen.
Ik moet wachten tot hun dorst gelest is, dan pas
veert Martin recht en komt hij met een meetlint op me af. De maten voor
de kist worden genomen.
Een meter en achtenzestig centimeter. Ik schrik daar
een beetje van want de laatste keer dat ik tijdens een medische controle
werd gemeten was dat nog een meter en zesenzeventig centimeter. Dat
was die keer toen ze zeiden dat ik een bril moest dragen.
*
Op de gang hoor ik de stem van mijn vader en ze lijkt mij niet te zijn
aangetast door een of andere emotie. Terwijl de lijkschouwer hem aan
de praat houdt haast de kistenmaker zich om het meisje van april en
de blikjes bier te verstoppen. Hij wordt gecondoleerd, en gewaarschuwd.
Want ik ben niet al te appetijtelijk meer met dat blauwe, opgezwollen
gezicht van me en die vingers die god weet waar ergens in een graskant
zijn beginnen te rotten nu. Maar mijn vader is een harde en ik weet
dat hij zich door niets laat afschrikken. Hij was de enige in ons gezin
die zijn ogen niet afwendde toen er op de televisie een schedelboring
werd getoond. Achteraf vertelde hij ons de hele documentaire haarfijn
na. Het lichaam, de hele werking ervan, het interesseerde hem eigenlijk
wel. Misschien had hij wel chirurg willen worden als hij daar de verstandelijke
capaciteiten voor had gehad, wie zal het zeggen?
We laten u even alleen met uw zoon. Als u zich
onpasselijk zou beginnen voelen, of u heeft ons nodig voor om het even
wat, dan hoeft u maar te roepen, wij zitten hiernaast. Neemt u gerust
de tijd die u nodig heeft om afscheid te nemen, de papieren doen we
daarna wel.
Ik ben blij dat hij alleen is gekomen en niet bijvoorbeeld zijn minnares
mee naar hier heeft genomen. Ik heb het nooit voor dat mens gehad, en
ik heb het niet kunnen verdragen dat hij ze al in huis nam een week
nadat mijn moeder in het klooster werd opgesloten. Mijn vader wist dat
van me, ik heb dat voldoende laten blijken. Een hoer was het, die het
in geen enkel opzicht verdiende de plaats van mijn moeder in te nemen.
Maar hijzelf ziet dat niet, wil het niet zien, omdat hij hem het hoofd
laat zot maken door dat wijf en omdat hij er tevreden mee moet zijn
dat hij op zijn leeftijd nog zijn kloten kan afkoelen op een stuk mals
vlees. Zijn vrienden benijden hem en daar kickt hij op. Dezelfde vrienden
die overal in het dorp rondbazuinen dat hij het al jaren met dat mens
aanlegt en dat mijn moeder gek werd van al zijn overspel, precies die
vrienden zouden met genoegen zijn plaats willen innemen. Feit is dat
mijn vader er niet minder groenten door verkocht omdat hij de fatsoensnormen
overschreed, integendeel. Sinds zijn maîtresse achter de toonbank verscheen
met haar decolleté open en bananen en komkommers inpakte met de vraag
of het voor een cadeautje was liepen de zaken alsmaar beter. Er kon
ineens een nieuw paar sokken af, gedaan met de oude voor de zoveelste
maal te stoppen.
Het doet goed alleen te zijn met mijn vader, ik kan
me eigenlijk niet herinneren dat wij ooit met ons tweeën alleen waren,
dat hij ooit tijd voor me nam. Dit had al eerder moeten gebeuren, en
als ik nu nog leefde dan zou ik hem zeker een aantal dingen in het gezicht
hebben geslingerd. Ik zou hem, bijvoorbeeld, kunnen vertellen hoe moeilijk
ik het er mee had dat zijn maîtresse alle taken van mijn moeder overnam.
Zoals het eten en de was. Niemand kan zich inbeelden hoe moeilijk ik
het daar mee had dat mens mijn onderbroekjes in de wastrommel te zien
stoppen, niemand die niet hetzelfde heeft meegemaakt. Toen ik veertien
was en zij in de tuin lag te zonnen riep ze me bij haar. Mijn vader
was op pad, naar de veiling nam ik aan. Ik was de enige man in huis
die haar borsten zag. Haar tepelhoven waren donkerrood, bruin bijna,
waar zoiets in de boekjes van mijn vader en mijn medeleerlingen altijd
varkensroze was. Ze wou het even met mij, vertrouwelijk, als een goede
vriendin, over mijn lakens hebben en ik voelde mijn gezicht zich vullen
met het rode van haar tepels. Ze vond het niet normaal voor een jongen
van mijn leeftijd dat zijn lakens altijd proper waren, en liever had
ze gezien dat er niet alleen op de achterzijde van mijn onderbroekjes
strepen zaten. Als ik niet dringend de dingen deed die voor een jongen
van veertien gepast waren zou ze moeten denken dat mij iets mankeerde
en moest ze met mij toch wel even naar de dokter gaan. Deed het mij
dan niets haar borsten te zien? Ze voelde. Aan mij. Daar waar je kon
weten of het mij iets deed. Ik was toch geen homo? Homoseksuele mensen
zijn tot kuisheid geroepen. Door de deugd van zelfbeheersing die hen
tot innerlijke vrijheid opvoedt, eventueel met steun van een belangeloze,
vriendschappelijke begeleiding, door het gebed en de genade van de sacramenten,
kunnen en moeten zij geleidelijk en standvastig, voortgang boeken op
de weg van de christelijke volmaaktheid. Ik werd bang, de angst
die men alleen voor God kan voelen, en bewees daar in de tuin dat ik
geen homo was, dat haar borsten mij wel degelijk iets deden, terwijl
zij haar bijzonderheden kneedde, naar me keek, en mijn voortgang op
weg van de christelijke volmaaktheid prees. Ze was tevreden, maar zei
me te zullen straffen telkens wanneer ik propere lakens in de wasmand
deponeerde.
Mijn vader heeft dat nooit geweten, net zoals hij
vele andere voorvallen van mij met zijn maîtresse nooit geweten heeft,
maar het is waarschijnlijker dat hij mij een rammeling zou hebben gegeven
als ik hem alles had verteld dan dat hij die teef aan de deur zou hebben
gezet. Ik heb gezwegen als het graf waarin ik spoedig zal worden neergelaten.
De goedertieren aarde. Tenminste, als ze mij niet in de oven zullen
stoppen en mijn as meegeven met de wind, de alles verterende zeeën.
Twijfelachtig is of mijn vader dat graf van mij ieder
jaar in de aanloop naar Allerheiligen zal poetsen en van bloemen voorzien.
De naam Maurice Merchier, en de twee data waartussen die naam nog een
beetje betekenis had, zullen verdwijnen onder een korst mos, en vogeldrek.
Een goede vader weent hooguit twee keer in het bijzijn van zijn eigen kind, meerbepaald wanneer dat kind geboren wordt en als het sterft. Toen ik geboren werd stond mijn vader te vloeken om het povere resultaat dat mijn moeder hem geschonken had, en ook nu zit hij onbewogen naar mij te kijken. Ik kan niet verwachten dat hij mijn handen even vastpakt, zo zonder vingers ligt dat moeilijk, maar hij zou me wel op het voorhoofd kunnen kussen, of profiteren van dit laatste moment dat wij samen kunnen zijn en mij van alles vertellen. Ook hij moet toch hebben vernomen dat het gehoor het laatste aan een mensenlichaam is dat sterft en geloven dat zijn woorden nog tot me kunnen doordringen. Als hij maar zei me graag te hebben gezien, al was het maar voor de vorm. Mijn relatie met hem is altijd belabberd geweest, maar ik zou vrediger in de Heer ontslapen als hij een heel klein beetje zijn emoties toonde, als hij emoties hád. Natuurlijk, hij is tevreden dat ik weg ben. Aangezien geen enkele vrouw mij het huis uit kreeg drukte het vooruitzicht dat ik thuis zou blijven wonen op zijn gemoed. Om met zijn maîtresse te kunnen spelen moest eerst mijn moeder worden opgeruimd, en nu ook ik niet meer op hun gepotel hoef te kijken kan hij met dat mens doen wat hij wel, wanneer hij het wil, waar hij het wil. Mijn dood is een grote opluchting voor hem, ik ben nooit de zoon geworden die hij zich had gewenst.
Hij roept de kistenmaker.
Ik wil dat hij een schone katholieke begrafenis
krijgt, zaterdag, om elf uur. Maak hem uw duurste kist en maak ze zo
dat de mensen zien dat het een dure kist is! Dat niemand in het dorp
hier kan zeggen dat ik mijn zoon niet gaarne heb gezien!
*
Eindelijk, daar zijn ze, de klokken. De doodsklokken. Ik dacht al,
waar blijven ze? Zeven trage slagen weergalmen boven het dorp. Voor
mij. Helemaal speciaal voor mij, ik hoef er niet eens voor te trouwen.
De duiven stuiven op en vliegen verschrikt uit de kerktoren, maar de
ransuil die er woont is dapperder en blijft zitten. De daken van onze
huizen zijn opgetrokken uit leisteen en eterniet, die kaatsen het geluid
terug en bazuinen elke kerkelijke tijding in het rond. Tot in de omliggende
dorpen is de aankondiging van huwelijk en overlijden te horen, het geluid
van onze klokken trekt over de bossen, legt even het gekabbel van de
rivieren de Voleuse en de Doille het zwijgen op. Mooie klokken hebben
wij, dat is de troost van wie hier sterft. In de steden sterft men stiller.
Misschien dat mijn moeder nu het gelui in haar kleine cel hoort. Als
ze maar oor blijft hebben voor de gons van het brons, de lange galm
en de volle klank ervan.
Vroeger had doodgaan meer gevolgen, dan moest de
koster of een ongelukkige misdienaar de tweehonderd trappen naar de
toren op om daar met zijn volle gewicht de klepel in beweging te zwieren.
Tegenwoordig gaat dat automatisch, hoeft de koster maar op een knopje
te duwen en: boink! De charme is er af, maar toch. Even zal de
angst in Gemontfoux heersen dat er een beminde het leven liet, iemand
van nabij, een zielsverwant, een bloedbroeder, een vierde man van de
vaste kaarttafel. Men zal denken aan de mensen die ze kennen en die
recentelijk nog klaagden over een lelijke hoest, of aan een grootmoedertje
dat de glans uit haar ogen verloren was. Best mogelijk dat er in het
rond wordt gebeld. Maar spoedig zullen ze mijn doodsbrief zien hangen
aan het prikbord in het portaal van de kerk en in de etalage van de
begrafenisondernemer en zal men opgelucht ademhalen en de Heer bedanken
voor het verleende uitstel.
Het is alles bij elkaar nog een drukke dag geworden.
Na het bezoek van mijn vader is de politie nog even langs geweest, een
journalist en een fotograaf van een moeilijke krant. De juwelier is
daarnet komen verifiëren of hij niet snel een gouden tand kon recupereren,
en de tandarts kwam al mijn tandvullingen lospeuteren. Dat laatste moet
sinds kort van overheidswege om het milieu te beschermen, er zit al
genoeg kwik in de grond. En nu is de pastoor er om mij op te maken voor
het eeuwige leven. Daartoe heeft hij een beschimmeld bijbeltje meegebracht
dat hij in mijn handen zou willen stoppen, wat niet lukt gezien ik zonder
vingers zit. Het bijbeltje wordt dan maar onder mijn kin gelegd, en
de paternoster in mijn mond gefrommeld. Verbazingwekkend hoe snel mijn
lichaam verstijft, slechts enige uren ben ik mordicus en nu reeds kraakt
mijn kaaksbeen, kost het moeite iets in mijn mond te proppen. Ik mag
blij zijn dat hij niet op het idee kwam ook die bijbel tussen mijn tanden
te klemmen.
Hij steekt kaarsen aan. Ze stinken.
Heel klaar en schoonblinkend, licht, subtiel en onlijdelijk
zullen de lichamen der godvruchtige of heilige mensen in de verrijzenis
voorkomen. Duister en vuil, zwaar, grof en geheel gesteld om te lijden
de verdoemden. Dit is het uur. Boven in de hemel haalt de directiesecretaresse
van de Heer mijn puntenlijst uit een lade, of opent ze mijn bestand
op haar computer, en wikt en weegt de Almachtige, Schepper van hemel
en aarde en van al wat zichtbaar en onzichtbaar is over mijn toekomst.
Straks stap ik in de lift, en ik zal met angstige ogen de hoteljongen
gadeslaan die misschien bereid zal zijn om mijn koffers te dragen en
die de kooi naar boven of beneden zal laten gaan. Ik ken de zwarigheid
van het Oordeel. Ten eerste, dat eeniegelijk daar zal moeten te voorschijn
komen; ten tweede, dat de rechter onbeweeglijk zal wezen; ten derde,
het vonnis onwederroepelijk. Nu wordt het spannend. Wacht mij de onbegrijpelijke
zware beroving van het aanschijn van de Heer, het knagen van de consciëntie,
het derven van al wat enigszins zou mogen troosten, de brand van het
smartende en onblusbare vuur in al zijn ellendige eeuwigheid? Of wacht
mij het schoon gezelschap der Engelen, de gemeenschap van alle Heiligen
en de blijde gedachtenis van de altijddurende zalige eeuwigheid?
Ik hoor de stem van de pastoor, en er zit geen ironie
in: Moge onze Heer Jezus Christus door deze heilige zalving en
door zijn liefdevolle barmhartigheid u bijstaan met de genade van zijn
heilige Geest. Moge Hij u van zonden bevrijden, u heil brengen en verlichting
geven.
Die heilige olie, dat is een fles ordinaire olijfolie
van het merk La Merveilleuse, gekocht bij de kruidenier
driehonderd meter hier vandaan . Voor bereiding van salades en
vinaigrette, bakken en braden van vis, vlees en gevogelte. Uitstekend
geschikt voor frituren. Ik hoop dat dát mijn rekening niet maakt.
Met zijn duim wrijft hij een beetje olie op mijn
voorhoofd, verschrikkelijk vettig is dat, maar je moet er iets voor
over hebben, voor het eeuwige leven.
De gebeden kalmeren. Mijn gehoor neemt rustig af.
Ik glijd gestaag weg, los op in de puinhoop van het verleden.
Van hieruit gezien is het godverdomme ik weet niet
hoe belachelijk dat ik één maand geleden met roken ben gestopt.
Een abonnement op de papieren versie van De Brakke hond kost slechts 32 euro. Klik hier voor een abonnement.
Nummer nabestellen? klik hier.
De Brakke Hond is geen tijdschrift voor hondenliefhebbers die zich interesseren voor hondenvoeding, hondenverzorging, puppies en hondenvakanties, het bevat 100% literatuur.
Schrijf u in op onze nieuwsbrief "Letters". Vul hier uw e-mailadres in: