Lente 2007

 

94


Vlaams Fonds

Home > Mooie Jonge Honden > David van Reybrouck

Mooie Jonge Honden: David van Reybrouck

Dimitri Verhulst

Zij moeten een gebed over hem uitspreken en hem met olie zalven in de naam des Heren

 

Ik was nooit makkelijk uit bed te krijgen, en ik moet er plots aan denken hoe mijn moeder vroeger, na tien keer mijn naam van beneden aan de trap te hebben geschreeuwd, ineens met een stevige ruk het laken van mijn lichaam trok, net zoals de lijkschouwer nu doet, zodat ik daar bloot en weerloos lag, beschaamd om wat de natuur ‘s ochtends vroeg een man aandoet. Het verschil is dat ik dit keer niet als de weerlicht in mijn kleren schiet terwijl ik haar op de gang hoor schaterlachen, geen mens die dat verwachten kan.
    Mijn moeder, het mens. Zou ze ondertussen het nieuws al vernomen hebben?

Er zit een vlieg op het voorhoofd van de lijkschouwer en dat schijnt hem niet te deren. Hij meer dan wie ook weet dat die vlieg straks op mij zal komen neergestreken en vanaf dan geen enkele belangstelling meer voor zijn zwetende knikker zal tonen. Ze zal haar eieren in me leggen en die zullen met deze hitte spoedig uitkomen. Want toevallig zijn wij vandaag de eerste donderdag na Misericordias (de dag waarop in ons dorp traditioneel de kermis begint). Het is dan altijd uitstekend weer en vooral de ouderen verlangen dan opnieuw naar de winter die ze nog niet zo heel lang achter zich lieten en die ze evenzeer verwensten.Vijfentwintig graden zoals vandaag is geen uitzondering. Het zal pas volgende week vrijdag, of misschien zelfs zaterdag zijn dat de pastoor de opdracht zal hebben gekregen mij na een elfurendienst te begraven; tegen die tijd zal ik al sappig zijn, en mals voor de maden.

Dit gebouwtje is niet altijd eigendom van de gerechtelijke geneesheren geweest. Lang geleden was dit de jongensschool. Dat moet geweest zijn toen de schoolplicht nog tot de leeftijd van veertien gold en alleen de rijken er iets voor voelden hun kinderen naar de stad te sturen, waar ze bij de paters-jezuïeten een opleiding genoten die je het lachen deed vergaan maar waarmee je vele sloten open kreeg. Mijn eigenste vader, Albert Merchier, zat hier nog op de banken, en uitblinken deed hij vooral op het speelkoertje, tijdens een robbertje vechten. De kennis waar hij vandaag op steunt heeft hij in dit lokaal opgestapeld, nadien is er niets meer bijgekomen. Hij wist voldoende. Hij kon rekenen, schrijven en een rozenhoedje bidden. Voor iemand die later een groentewinkeltje wou beginnen zou een teveel aan kennis alleen maar ballast betekenen. Ongelukkig, beweerde hij, kon je maar door twee dingen worden: door verstand of door een huwelijk. En hij koos voor het huwelijk, met Julie Gregoire, die toen nog flessen spoelde in het fabriek en pas na vele jaren proberen en na het bijna te hebben opgegeven dan eindelijk toch nog mijn moeder werd. Jaren geleden stapte zij krankzinnig uit bed, of slaagde zij er plots niet meer in haar krankzinnigheid voor de buitenwereld verborgen te houden, dat is ook een mogelijkheid. In alle geval hoeft niemand nog iets van mijn moeder te vrezen, zij zit opgesloten in het klooster en kan er drie keer per dag op een nieuwe pisdoek rekenen. Haar bezoeken deed ik al een hele tijd niet meer, en moeder overste raadt het trouwens iedereen ten strengste af de gevangenschap van mijn mama met een bezoek te verlichten. Mijn mama zal altijd mijn mama blijven, over haar wil ik uitsluitend met het grootste respect spreken, maar ze werd een beest. Toen haar behandeling nog iets of wat menselijk was en de nonnen haar iedere avond nog een slaapzoen kwamen geven, heeft ze op een keer de lippen van Zuster Cécile afgebeten. Alle twee. En ingeslikt! Zodat het voltallige klooster, in de hoop dat die lippen van Zuster Cécile er toch nog konden worden aangenaaid, de week daarop de immer slappe stoelgang van mijn moeder door een vlindernetje ziftte. Tevergeefs. Sindsdien zit ze (mijn moeder dus) van alles en iedereen afgesloten in een isoleercel, en wordt haar eten haar via een luikje toegesmeten. Het laatste wat ik van haar vernam is dat ze haar eigen urine is beginnen drinken. Soms schreeuwt ze ‘s nachts mijn naam, dermate indringend dat de nonnen zich hiertegen moeten verzetten door wat op hun orgeltje te spelen. Maar ze heeft een raampje in haar cel, en beeldt zich in bij helder weer de mooiste sterren van de hemelequator te kunnen zien: Perseus, Voerman, Capella, Andromeda, Cassiopeia, Cepheus en, haar lieveling, Wega, de helderste van allen.

Maar ik had het over dit oude gebouw dat ooit de jongensschool was. Toen ik de leeftijd had om onder de knoet te worden gehouden door autoritaire onderwijzers, en dit voor vele jaren, was er al een nieuw schooltje gebouwd. Deze lokalen waren ‘s winters niet warm te stoken, de kartonnen muren zogen zich vol vocht en zwollen op, onze tafels van vermenigvuldiging werden tussen de hoestbuien door opgezegd. Maar wij kwamen hier in de zomer wel spelen, bouwden hier kampen waarvoor we poëtische wachtwoorden bedachten, rolden een zomer later onze eerste plukken tabak met krantenpapier, en nog een zomer of twee later maakten we in deze leegstaande gebouwen nader kennis met het fenomeen dat tussen vrouw en meisje hing. Vele van onze geheimen speelden zich op deze plaats af, de eerste bronnen van verdriet werden hier aangeboord. Later werd het hele complex opgekocht door een onbekende investeerder die er een fitnesscenter in onderbracht. Zonder succes, trouwens. De mannen van het dorp stonden wantrouwig tegenover spieren die spelenderwijs groter, maar daarom niet bepaald sterker werden, we vonden het zelfs een tikkeltje belachelijk onze krachten met halters en mietjesachtige buikspieroefeningen op te drijven. Mannelijkheid, dat verkreeg je op het land. Je mocht zoveel gewichten tillen als je maar wou, wie geen boom met zijn blote poten had gerooid en wie geen ploeg kon trekken was geen vent. Eerder dan het onze verwondering wekte, werkten de plaatjes van blinkende mannen met hun blubber in een spannend zwembroekje op onze lachspieren. Langer dan drie maanden heeft het avontuur van de investeerder niet geduurd (ik heb horen vertellen dat hij nadien elders zijn kapitaal nog heeft willen verdubbelen met afslankingsbaden en trilmachines, en dat dit meer succes had). Dit pand heeft men nog verschillende bestemmingen willen geven, maar er hing een vloek over de bakstenen en alles wat hier werd uitgeprobeerd draaide op een mislukking uit. Tot de gemeente het weer opkocht en ervan maakte wat het nog altijd is, het lijkenhuis. Dat ruik je trouwens.

Vroeger, uiteraard vroeger, heb ik wel eens horen beweren dat het gehoor van iemand die nog maar net is overleden nog functioneert, de oren zouden het laatste aan ons lichaam zijn dat sterft. Dat is natuurlijk onzin om zoiets te beweren, waarop kan men zich tenslotte baseren. Maar het blijkt wel te kloppen. Ik hoor nog. Nog steeds. Nog even. Ik hoor nu, op dit moment, de fanfare door de straten trekken, de paardjesmolen draaien. Ik hoor opgewonden kinderen aan de hand van hun moeder, de wezen en de verwaarloosde jochies uit het tehuis van hier iets verder ostentatief hun vrijheid benutten, de verkoper van pommes d’amour om klanten schreeuwen. Ik hoor mensen massa worden, hun afzonderlijke wegen convergeren om met z’n allen straks te zien hoe het Mariabeeld uit onze kerk door de straten wordt gedragen. Geluiden, muziek bijna, waar het hele dorp een volledig jaar naar heeft uitgekeken. Ook ik. Kermis is het schoonste wat er is, en deze kermis had de schoonste van alle kermissen moeten worden. Vandaag, vanavond, zou ik na veelvuldig drinken de moed hebben gehad om een meisje te veroveren. Helene. Schone Helene waar iedereen van droomt, en Schone Helene die juist daarom doet alsof ze zelf nooit van iemand droomt. Velen hielden vol dat Helene zou verdwijnen uit het dorp, dat ze zou trouwen met een man van de wereld: iemand die nooit wijn dronk zonder eerst in zijn glas te hebben gesnuffeld, pakken droeg, naar tennis keek, en die een paar straten van Parijs bij naam kende, en dat zij theater zou gaan spelen in steden met lange en brede boulevards. Zoiets klonk aannemelijk, maar je nam het niet. Ik toch niet. Het prestige dat een tongzoen van Helene ons zou opleveren was te groot om ons door zomaar eender welke toekomstvoorspelling te laten ontmoedigen. Al moet ik toegeven dat ik mijn kansen om ooit één meisje te veroveren dat in schoonheid nog geen duizendste van Helene voorstelt, laag of zelfs onbestaande acht. Heb geacht, ik moet er nog aan wennen in de verleden tijd te denken.
    Ik vraag me af of ze op mijn begrafenis zal zijn, en wat ze zal dragen. Ik hoop haar mondaine zonnebril.
    Was het vandaag geen kermis geweest, en werd het beeld van Moeder Maria vandaag niet door de straten gedragen, dan had ik van hieruit de bossen gehoord, het ruisen van de bomen, vogelgezang, een grasmaaier in de verte, het tikken van een tennisbal tegen een muur. Het is lang zoeken naar een geluid dat even schoon is als dat van de tennisbal waarmee een eenzaam kind een tiebreak van de stalmuur wint. Ik zal dat geluid ontzettend missen.

De lijkschouwer heeft duidelijk geen zin in mij en dat begrijp ik. Ik in zijn plaats zou er ook niet mee kunnen lachen dat ze mij van de kaarttafel hebben weggeroepen (hij had net een full house in handen) om een doodsoorzaak vast te stellen. Niet dat ik het hem lastig maak, al mijn vingers zijn van mijn handen gesneden. Als hij een beetje zijn vak beheerst heeft hij in een handomdraai genoteerd dat ik ben overleden aan de combinatie van heel veel bloedverlies en een hartinfarctje dat ik in betere omstandigheden te boven was gekomen. Hij zou er zich vlug vanaf kunnen maken en mijn steekkaart invullen zonder mij een blik te gunnen, als hij wil neemt hij over tien minuten zijn kaartspel weer op, maar dat doet hij niet. Hij schuift zijn stoel dichter bij mijn lichaam en sjokt verder aan zijn sigaar. Pas als ze helemaal is opgerookt zal hij zijn plastic handschoenen aantrekken.

Het is zover, de vlieg heeft mij gezien.

Op de zoldering van het gebouw heeft zich een klad duiven genesteld, ik hoor ze koeren. Het is de paartijd, de duivers zetten een hoge borst op. De jonkers die nu geboren worden zijn meestal sterk, hebben een stevig gestel en mooie slagpennen. Je kan ze in september met gemak inzetten op de vlucht van Angoulême, een ideale kans om hun eerste prijs te vliegen, en de perfecte test voor de duivenmelker om te zien wat zijn nieuwe lichting waard is, welke afstand ze in de vleugels heeft. Van duiven heb ik altijd al gevonden dat ze behoorden tot de domeinen van de dood en zie, ik krijg gelijk.

De sigaar is opgerookt. Het lijkt wel alsof ik boter ben zoals het lemmet van de lijkschouwer mijn lichaam nu openlegt. Ik ben nog jong voor de ene generatie, en ik ben al oud voor een andere generatie. Maar ik ben nog niet helemaal kapotgezopen, niet compleet zwartgerookt vanbinnen, sommige organen zijn nog vitaal, en alles wat een ander nog dienen kan wordt uit mijn romp gehaald. Mijn maag wordt leeggeknepen, in een schriftje wordt de inhoud ervan genoteerd: een restje Schwarzwalder ham, een schijfje dunne knakworst, lamslong, aardpeer, spruiten en andere sporen van een heerlijke hutsepot. Da’s nog van gisteravond, ik ben altijd een trage verteerder geweest.
    Nu weet ik waarom begrafenisondernemers amper een krimp geven met zo’n lijkkist in hun nek: er ligt nauwelijks wat in.
    Er wordt nog een kaartje aan de dikke teen van mijn rechtervoet geknoopt, ‘Maurice Merchier’, het zal niet lang meer duren of ik word in de ijskast geschoven. Ik zal het nooit meer koud hebben.

*

Ik wist overigens niet dat Martin kistenmaker was geworden, maar ik had dan ook alle contact met hem verloren. Hij ziet er goed uit en dat verbaast me niets, kistenmakers en begrafenisondernemers hoeven nooit voor hun toekomst te vrezen. Zeker hier in Gemontfoux staan hun zaken er voor de komende twintig, dertig jaar goed voor; de jeugd trekt weg naar waar het leven opwindender is, Namen, of Brussel. Een enkeling trekt naar Knokke, en ook Parijs wordt aangedurfd. Maar wie blijft is vast van plan om hier te sterven, bij voorkeur in z’n eigen bed, met het getik van z’n eigen wekker naast hem, omringd door mensen die zelf ook al zo oud zijn dat de gedachte aan een eventuele erfenis hen onberoerd laat. Zoveel ouderen zijn er momenteel, genoeg voor werkzekerheid tot lang na Martins pensioen.
    Martin is een oude klasgenoot van me, als ik me niet vergis ben ik de eerste van de klas van meester Antoine voor wie hij nu een kist moet maken. Dat is het keerpunt in het geluk van de kistenmaker, de dag waarop hij vaker voor leeftijdsgenoten een kist moet slaan, iedere branche heeft zijn voor- en nadelen. Zou hij vanavond aan de telefoon hangen, zo van: ‘Zeg, weet je wie ik vandaag een doodskist heb staan timmeren? Maurice!’
    Ik denk het niet. Het zou me sterk verbazen dat die leerlingen van toen op mijn begrafenis zullen zijn, tenzij dan als aanleiding om nog eens een klasreünie te organiseren en zich na de dienst gezamenlijk te bezatten in het café rechtover de kerk en heerlijke herinneringen op te halen aan hoe ik haast verdronken was in het zwembad. Tegen de avond zullen ze vergeten zijn wat hen heeft samengebracht, als ze zich nog herinneren wie Maurice Merchier was zal het al een prestatie zijn. Maurice Wie? Was hij getrouwd? Kan iemand zeggen wat voor werk hij deed? Wist iemand waar hij had gewoond? Die vragen zullen niet eens meer als relevant worden beschouwd, en gelijk hebben ze.

Martin maakt een praatje met de lijkschouwer over de onbelangrijke dingen des levens die mensen nader tot elkaar brengen. Het weer, de muggen, de schandalige prijzen voor een bloemkool, de deelname van een klein kind aan het Eurovisiesongfestival… Het soort gesprekken waarin men zeer bedreven moet zijn wil men met succes een sigarettenwinkeltje runnen. Dan valt het oog van Martin op het nieuwe postermeisje dat aan de muur hangt, het papier glanst nog. Het meisje van april, uit een boekje gescheurd en ondertussen hangende aan vele muren waaronder die dus van het lijkenhuis. Een meisje dat op haar afgeschoren plekje na wezenlijk niet veel verschilt van het meisje van februari of maart of augustember, maar dat wordt ook niet van haar verwacht. De lijkschouwer en Martin keuren haar en bedenken wat ze met dergelijke marchandise tussen hun beddenlakens zouden aanvangen. Veel, meer dan ze gezien hun leeftijd nog zouden kunnen denk ik, maar ik moet toegeven dat ik mij prima in hun fantasieën kan vinden en dat ik graag aan dat gesprek zou hebben deelgenomen. Nooit gedaan, ik heb nooit met vrienden over neuken gepraat, wat mijn vader al vermoedde zodat hij beweerde dat ik geen vrienden had en er dringend vinden moest. Ik herinner mij dat Martin in tegenstelling tot mij in de klas altijd een grote mond opzette als het over meiden ging, niemand die er ooit aan twijfelde dat hij abnormaal kon zijn. Het is wanneer hij en de lijkschouwer het meisje van april en het meisje van maart tezamen smerige dingen laten doen in hun brein en daar vettig om lachen dat ik leegloop langs onderen. Langgerekte scheten, lusteloos gelaten, de pffff van een ballon die al een poos niet meer gespannen stond.
    Ik wist dat dit te gebeuren stond, of tenminste: ik had daar bij leven en welzijn over horen vertellen. De techniek van de sluitspieren laat het na het overlijden afweten, alles wat uit het lichaam nog moest worden afgedreven krijgt vrije doorgang. En dat is niet weinig, ik geloof niet dat ik ooit al zoveel heb gescheten.
    ‘Aha, hij is al zo ver,’ zegt de lijkschouwer die blijkbaar op dit moment zat te wachten, een beetje zoals een moeder op het boertje van haar kind. Maar iets ondernemen doet hij niet. De emmer onder de tafel vangt immers alles op, zolang de hoeveelheid stront tenminste binnen de perken blijft. Martin klaagt over de stank die ik gezien de omstandigheden vrij normaal acht maar die volgens de lijkschouwer inderdaad toch afwijkt van het gemiddelde. Het zullen de spruiten zijn, maar dat kan ik natuurlijk niet zeggen. Ik voel de drang mij voor mijn geuren te excuseren. Nog even en ook uit mijn neusgaten zal allerlei viezigheid komen gesijpeld, ik zal blij zijn wanneer er watten in worden gepropt, dat bespaart mij alleszins de gêne.

‘Wordt hij gecremeerd?’ wil Martin weten.
    Aan die mogelijkheid had ik zelf nog niet gedacht, en het boezemt me angst in dat ik daar zelf niets meer over te beslissen heb. Martin moet over deze informatie beschikken omdat hij de houtsoort aanpast naargelang de aard van mijn uitvaart. Het zou te gek zijn de beste houtsoort meteen in de verbrandingsoven te gooien. Ook of er een kruisbeeld op het deksel moet kan de lijkschouwer hem niet vertellen, het is wachten op mijn vader die mij later vandaag nog moet komen identificeren (niet dat iemand er aan twijfelt dat ik ik ben, het is gewoon een formaliteit).

‘Zijn zijn vingers al gevonden?’
    De jagers, verneem ik nu, werden ingeschakeld door de politie en zijn momenteel met hun honden op pad. Die beesten zijn opgeleid om een stuk vlees op te sporen, weerstaan aan de verlokking het op te slokken. Het is een idee waar ik moeilijk aan kan wennen, dat er op dit moment één of andere schaapsherder met mijn vingers in zijn muil over straat loopt, kwispelend met zijn staart, trots, recht op zijn baas af. Uit het commentaar van Martin kan ik ook niet opmaken of mijn vingers, als ze tenminste gevonden worden, in de kist zullen worden gegooid om samen met mij te worden begraven. Ik hoop van wel, uiteindelijk heb ik met die vingers geleefd, maakten ze evenveel deel uit van mijn wezen als mijn lever of mijn neus. Indien niet méér. Als mijn vingers op een latere datum worden gevonden en in een sigarenkistje onder de grond zullen verdwijnen, dan zal ik dat ervaren als een gemis. Moeilijk uit te leggen waarom.

Lijkschouwer en kistenmaker kunnen het goed vinden met elkaar. Er staat hier een klein ijskastje waaruit de lijkschouwer twee blikjes bier haalt. Ze brengen een dronk uit op de kermis, en op Moeder Maria. U zou kunnen stellen dat het hier, ondanks de aanwezigheid van mijn macaber lijk, best gezellig is, en ik stoor er mij zelfs aan dat er zo weinig aandacht aan mij wordt besteed. Dat is toch het minste wat je voor jezelf als verse dode zou mogen verwachten: dat er een beetje over jou wordt geroddeld. Ik zou harder moeten gaan stinken, nog meer leeglopen langs onderen om hun aandacht te trekken, en ik ben er tamelijk gerust in dat hun gedrag enigszins anders zou zijn geweest indien op deze tafel een meisje lag. Voor hen besta ik niet, en ze hebben spijtig genoeg gelijk. Ik kan daar maar beter aan wennen.
    Ik moet wachten tot hun dorst gelest is, dan pas veert Martin recht en komt hij met een meetlint op me af. De maten voor de kist worden genomen.
    Een meter en achtenzestig centimeter. Ik schrik daar een beetje van want de laatste keer dat ik tijdens een medische controle werd gemeten was dat nog een meter en zesenzeventig centimeter. Dat was die keer toen ze zeiden dat ik een bril moest dragen.

*

Op de gang hoor ik de stem van mijn vader en ze lijkt mij niet te zijn aangetast door een of andere emotie. Terwijl de lijkschouwer hem aan de praat houdt haast de kistenmaker zich om het meisje van april en de blikjes bier te verstoppen. Hij wordt gecondoleerd, en gewaarschuwd. Want ik ben niet al te appetijtelijk meer met dat blauwe, opgezwollen gezicht van me en die vingers die god weet waar ergens in een graskant zijn beginnen te rotten nu. Maar mijn vader is een harde en ik weet dat hij zich door niets laat afschrikken. Hij was de enige in ons gezin die zijn ogen niet afwendde toen er op de televisie een schedelboring werd getoond. Achteraf vertelde hij ons de hele documentaire haarfijn na. Het lichaam, de hele werking ervan, het interesseerde hem eigenlijk wel. Misschien had hij wel chirurg willen worden als hij daar de verstandelijke capaciteiten voor had gehad, wie zal het zeggen?
    ‘We laten u even alleen met uw zoon. Als u zich onpasselijk zou beginnen voelen, of u heeft ons nodig voor om het even wat, dan hoeft u maar te roepen, wij zitten hiernaast. Neemt u gerust de tijd die u nodig heeft om afscheid te nemen, de papieren doen we daarna wel.’

Ik ben blij dat hij alleen is gekomen en niet bijvoorbeeld zijn minnares mee naar hier heeft genomen. Ik heb het nooit voor dat mens gehad, en ik heb het niet kunnen verdragen dat hij ze al in huis nam een week nadat mijn moeder in het klooster werd opgesloten. Mijn vader wist dat van me, ik heb dat voldoende laten blijken. Een hoer was het, die het in geen enkel opzicht verdiende de plaats van mijn moeder in te nemen. Maar hijzelf ziet dat niet, wil het niet zien, omdat hij hem het hoofd laat zot maken door dat wijf en omdat hij er tevreden mee moet zijn dat hij op zijn leeftijd nog zijn kloten kan afkoelen op een stuk mals vlees. Zijn vrienden benijden hem en daar kickt hij op. Dezelfde vrienden die overal in het dorp rondbazuinen dat hij het al jaren met dat mens aanlegt en dat mijn moeder gek werd van al zijn overspel, precies die vrienden zouden met genoegen zijn plaats willen innemen. Feit is dat mijn vader er niet minder groenten door verkocht omdat hij de fatsoensnormen overschreed, integendeel. Sinds zijn maîtresse achter de toonbank verscheen met haar decolleté open en bananen en komkommers inpakte met de vraag of het voor een cadeautje was liepen de zaken alsmaar beter. Er kon ineens een nieuw paar sokken af, gedaan met de oude voor de zoveelste maal te stoppen.
    Het doet goed alleen te zijn met mijn vader, ik kan me eigenlijk niet herinneren dat wij ooit met ons tweeën alleen waren, dat hij ooit tijd voor me nam. Dit had al eerder moeten gebeuren, en als ik nu nog leefde dan zou ik hem zeker een aantal dingen in het gezicht hebben geslingerd. Ik zou hem, bijvoorbeeld, kunnen vertellen hoe moeilijk ik het er mee had dat zijn maîtresse alle taken van mijn moeder overnam. Zoals het eten en de was. Niemand kan zich inbeelden hoe moeilijk ik het daar mee had dat mens mijn onderbroekjes in de wastrommel te zien stoppen, niemand die niet hetzelfde heeft meegemaakt. Toen ik veertien was en zij in de tuin lag te zonnen riep ze me bij haar. Mijn vader was op pad, naar de veiling nam ik aan. Ik was de enige man in huis die haar borsten zag. Haar tepelhoven waren donkerrood, bruin bijna, waar zoiets in de boekjes van mijn vader en mijn medeleerlingen altijd varkensroze was. Ze wou het even met mij, vertrouwelijk, als een goede vriendin, over mijn lakens hebben en ik voelde mijn gezicht zich vullen met het rode van haar tepels. Ze vond het niet normaal voor een jongen van mijn leeftijd dat zijn lakens altijd proper waren, en liever had ze gezien dat er niet alleen op de achterzijde van mijn onderbroekjes strepen zaten. Als ik niet dringend de dingen deed die voor een jongen van veertien gepast waren zou ze moeten denken dat mij iets mankeerde en moest ze met mij toch wel even naar de dokter gaan. Deed het mij dan niets haar borsten te zien? Ze voelde. Aan mij. Daar waar je kon weten of het mij iets deed. Ik was toch geen homo? Homoseksuele mensen zijn tot kuisheid geroepen. Door de deugd van zelfbeheersing die hen tot innerlijke vrijheid opvoedt, eventueel met steun van een belangeloze, vriendschappelijke begeleiding, door het gebed en de genade van de sacramenten, kunnen en moeten zij geleidelijk en standvastig, voortgang boeken op de weg van de christelijke volmaaktheid. Ik werd bang, de angst die men alleen voor God kan voelen, en bewees daar in de tuin dat ik geen homo was, dat haar borsten mij wel degelijk iets deden, terwijl zij haar bijzonderheden kneedde, naar me keek, en mijn voortgang op weg van de christelijke volmaaktheid prees. Ze was tevreden, maar zei me te zullen straffen telkens wanneer ik propere lakens in de wasmand deponeerde.
    Mijn vader heeft dat nooit geweten, net zoals hij vele andere voorvallen van mij met zijn maîtresse nooit geweten heeft, maar het is waarschijnlijker dat hij mij een rammeling zou hebben gegeven als ik hem alles had verteld dan dat hij die teef aan de deur zou hebben gezet. Ik heb gezwegen als het graf waarin ik spoedig zal worden neergelaten. De goedertieren aarde. Tenminste, als ze mij niet in de oven zullen stoppen en mijn as meegeven met de wind, de alles verterende zeeën.
    Twijfelachtig is of mijn vader dat graf van mij ieder jaar in de aanloop naar Allerheiligen zal poetsen en van bloemen voorzien. De naam Maurice Merchier, en de twee data waartussen die naam nog een beetje betekenis had, zullen verdwijnen onder een korst mos, en vogeldrek.

Een goede vader weent hooguit twee keer in het bijzijn van zijn eigen kind, meerbepaald wanneer dat kind geboren wordt en als het sterft. Toen ik geboren werd stond mijn vader te vloeken om het povere resultaat dat mijn moeder hem geschonken had, en ook nu zit hij onbewogen naar mij te kijken. Ik kan niet verwachten dat hij mijn handen even vastpakt, zo zonder vingers ligt dat moeilijk, maar hij zou me wel op het voorhoofd kunnen kussen, of profiteren van dit laatste moment dat wij samen kunnen zijn en mij van alles vertellen. Ook hij moet toch hebben vernomen dat het gehoor het laatste aan een mensenlichaam is dat sterft en geloven dat zijn woorden nog tot me kunnen doordringen. Als hij maar zei me graag te hebben gezien, al was het maar voor de vorm. Mijn relatie met hem is altijd belabberd geweest, maar ik zou vrediger in de Heer ontslapen als hij een heel klein beetje zijn emoties toonde, als hij emoties hád. Natuurlijk, hij is tevreden dat ik weg ben. Aangezien geen enkele vrouw mij het huis uit kreeg drukte het vooruitzicht dat ik thuis zou blijven wonen op zijn gemoed. Om met zijn maîtresse te kunnen spelen moest eerst mijn moeder worden opgeruimd, en nu ook ik niet meer op hun gepotel hoef te kijken kan hij met dat mens doen wat hij wel, wanneer hij het wil, waar hij het wil. Mijn dood is een grote opluchting voor hem, ik ben nooit de zoon geworden die hij zich had gewenst.

Hij roept de kistenmaker.
    ‘Ik wil dat hij een schone katholieke begrafenis krijgt, zaterdag, om elf uur. Maak hem uw duurste kist en maak ze zo dat de mensen zien dat het een dure kist is! Dat niemand in het dorp hier kan zeggen dat ik mijn zoon niet gaarne heb gezien!’

*

Eindelijk, daar zijn ze, de klokken. De doodsklokken. Ik dacht al, waar blijven ze? Zeven trage slagen weergalmen boven het dorp. Voor mij. Helemaal speciaal voor mij, ik hoef er niet eens voor te trouwen. De duiven stuiven op en vliegen verschrikt uit de kerktoren, maar de ransuil die er woont is dapperder en blijft zitten. De daken van onze huizen zijn opgetrokken uit leisteen en eterniet, die kaatsen het geluid terug en bazuinen elke kerkelijke tijding in het rond. Tot in de omliggende dorpen is de aankondiging van huwelijk en overlijden te horen, het geluid van onze klokken trekt over de bossen, legt even het gekabbel van de rivieren de Voleuse en de Doille het zwijgen op. Mooie klokken hebben wij, dat is de troost van wie hier sterft. In de steden sterft men stiller. Misschien dat mijn moeder nu het gelui in haar kleine cel hoort. Als ze maar oor blijft hebben voor de gons van het brons, de lange galm en de volle klank ervan.
    Vroeger had doodgaan meer gevolgen, dan moest de koster of een ongelukkige misdienaar de tweehonderd trappen naar de toren op om daar met zijn volle gewicht de klepel in beweging te zwieren. Tegenwoordig gaat dat automatisch, hoeft de koster maar op een knopje te duwen en: boink! De charme is er af, maar toch. Even zal de angst in Gemontfoux heersen dat er een beminde het leven liet, iemand van nabij, een zielsverwant, een bloedbroeder, een vierde man van de vaste kaarttafel. Men zal denken aan de mensen die ze kennen en die recentelijk nog klaagden over een lelijke hoest, of aan een grootmoedertje dat de glans uit haar ogen verloren was. Best mogelijk dat er in het rond wordt gebeld. Maar spoedig zullen ze mijn doodsbrief zien hangen aan het prikbord in het portaal van de kerk en in de etalage van de begrafenisondernemer en zal men opgelucht ademhalen en de Heer bedanken voor het verleende uitstel.
    Het is alles bij elkaar nog een drukke dag geworden. Na het bezoek van mijn vader is de politie nog even langs geweest, een journalist en een fotograaf van een moeilijke krant. De juwelier is daarnet komen verifiëren of hij niet snel een gouden tand kon recupereren, en de tandarts kwam al mijn tandvullingen lospeuteren. Dat laatste moet sinds kort van overheidswege om het milieu te beschermen, er zit al genoeg kwik in de grond. En nu is de pastoor er om mij op te maken voor het eeuwige leven. Daartoe heeft hij een beschimmeld bijbeltje meegebracht dat hij in mijn handen zou willen stoppen, wat niet lukt gezien ik zonder vingers zit. Het bijbeltje wordt dan maar onder mijn kin gelegd, en de paternoster in mijn mond gefrommeld. Verbazingwekkend hoe snel mijn lichaam verstijft, slechts enige uren ben ik mordicus en nu reeds kraakt mijn kaaksbeen, kost het moeite iets in mijn mond te proppen. Ik mag blij zijn dat hij niet op het idee kwam ook die bijbel tussen mijn tanden te klemmen.
    Hij steekt kaarsen aan. Ze stinken.
    Heel klaar en schoonblinkend, licht, subtiel en onlijdelijk zullen de lichamen der godvruchtige of heilige mensen in de verrijzenis voorkomen. Duister en vuil, zwaar, grof en geheel gesteld om te lijden de verdoemden. Dit is het uur. Boven in de hemel haalt de directiesecretaresse van de Heer mijn puntenlijst uit een lade, of opent ze mijn bestand op haar computer, en wikt en weegt de Almachtige, Schepper van hemel en aarde en van al wat zichtbaar en onzichtbaar is over mijn toekomst. Straks stap ik in de lift, en ik zal met angstige ogen de hoteljongen gadeslaan die misschien bereid zal zijn om mijn koffers te dragen en die de kooi naar boven of beneden zal laten gaan. Ik ken de zwarigheid van het Oordeel. Ten eerste, dat eeniegelijk daar zal moeten te voorschijn komen; ten tweede, dat de rechter onbeweeglijk zal wezen; ten derde, het vonnis onwederroepelijk. Nu wordt het spannend. Wacht mij de onbegrijpelijke zware beroving van het aanschijn van de Heer, het knagen van de consciëntie, het derven van al wat enigszins zou mogen troosten, de brand van het smartende en onblusbare vuur in al zijn ellendige eeuwigheid? Of wacht mij het schoon gezelschap der Engelen, de gemeenschap van alle Heiligen en de blijde gedachtenis van de altijddurende zalige eeuwigheid?
    Ik hoor de stem van de pastoor, en er zit geen ironie in: ‘Moge onze Heer Jezus Christus door deze heilige zalving en door zijn liefdevolle barmhartigheid u bijstaan met de genade van zijn heilige Geest. Moge Hij u van zonden bevrijden, u heil brengen en verlichting geven.’
    Die heilige olie, dat is een fles ordinaire olijfolie van het merk ‘La Merveilleuse’, gekocht bij de kruidenier driehonderd meter hier vandaan . ‘Voor bereiding van salades en vinaigrette, bakken en braden van vis, vlees en gevogelte. Uitstekend geschikt voor frituren.’ Ik hoop dat dát mijn rekening niet maakt.
    Met zijn duim wrijft hij een beetje olie op mijn voorhoofd, verschrikkelijk vettig is dat, maar je moet er iets voor over hebben, voor het eeuwige leven.
    De gebeden kalmeren. Mijn gehoor neemt rustig af. Ik glijd gestaag weg, los op in de puinhoop van het verleden.
    Van hieruit gezien is het godverdomme ik weet niet hoe belachelijk dat ik één maand geleden met roken ben gestopt.

 


abonneren

Een abonnement op de papieren versie van De Brakke hond kost slechts 32 euro. Klik hier voor een abonnement.

Nummer nabestellen? klik hier.

boekenlinks

Proxis
boekenbank
DBNL

Over De Brakke Hond

De Brakke Hond is geen tijdschrift voor hondenliefhebbers die zich interesseren voor hondenvoeding, hondenverzorging, puppies en hondenvakanties, het bevat 100% literatuur.


nieuwsbrief

Schrijf u in op onze nieuwsbrief "Letters". Vul hier uw e-mailadres in:


AanmeldenAfmelden


Powered by YourMailinglistProvider.com





design: wwww.mixette.com