Lente 2007

 

94


Vlaams Fonds

Home > Mooie Jonge Honden > Yves Petry

Mooie Jonge Honden: Yves Petry

Yves Petry - Jezus Leeft

 

Vierenvijftig jaar, alleenstaand en kinderloos. Hoofd van de buitenlandredactie van De Stem, de gewaardeerde kwaliteitskrant met progressief imago. Ik kan niet beweren dat ik vrienden onder mijn collega’s tel. Maar ik heb ook geen vijanden. Minzaam, vriendelijk, ogenschijnlijk met geen enkele geldingsdrang behept, sta ik niemand in de weg. De betrekkingen met mijn ondergeschikten verlopen haast wrijvingsloos. Weinig of geen familiaal contact. Andere mensen zouden wellicht weinig bevrediging vinden in zo’n glad, eenzelvig bestaan. Maar dankzij de muziek ben ik in staat om regelmatig mijn behoefte aan intiem gezelschap te vergeten in het genot van de ware eenzaamheid, die je niet eenzaam maakt maar één.
     Ik geef een voorbeeld. Op een prachtige lenteochtend in april ben ik om zes uur tien opgestaan, rond zonsopgang. De vogels in de binnentuin van het wooncomplex waar ik een luxeappartement betrek, zijn al druk in de weer. Hun ochtendgezang klinkt heel anders dan hun avondgezang. In dat laatste hoor ik een cantate van dankbaarheid omdat ze het eind van de dag weer hebben gehaald, met veel bedaarde en opgeluchte altpartijen erin. Het eerste is veel hectischer van toon, alsof een overvolle praktische agenda door honderden nerveuze sopraantjes piepend en tsjirpend wordt doorgenomen, de gejaagde voorbereiding op uren van pierentrekkerij, rivaliteit, paringsdrift en vitale waakzaamheid.
     Ik scheer en douch me, neem een graanontbijt met yoghurt en drink twee zwarte koffies. Daarna ben ik zo goed als klaar voor de strijd. Pas over een halfuur moet ik naar de redactie vertrekken. Er is dus nog tijd over voor iets anders. Welja, een vluggertje, denk ik gnuivend. Daarmee bedoel ik het stukje muziek dat ik meestal voor ik naar mijn werk ga, nog snel even opzet. Een vluggertje. Ik ben humoristischer dan men mij over het algemeen nageeft, maar de mensen kennen mij slecht. De zon heeft zich inmiddels boven de daken gemanifesteerd als de fris glinsterende belofte van een gulle dag. Ik ben een melomaan, meer dan wat ook, en de dag beginnen zonder muziek is voor mij even ontwrichtend als op reis vertrekken en onderweg vaststellen dat je essentiële bagage bent vergeten. Ik zoek een van mijn favoriete stukken en steek de cd in de speler. Het openingskoorstuk van Bachs Mattheuspassie klinkt door de woonkamer. Ik ga op het tapijt liggen en sluit de ogen, klaar voor een van mijn lievelingsfantasieën.
     Al na enkele maten krijgt het heilige tafereel vorm voor mijn geestesoog. De instrumentale inleiding, droef maar teder, als een wiegenlied voor een dood kind, wekt een briesje op in een lentelijk, landelijk namiddaglandschap. Het is een heuvelachtig land waarin bloeiende boomgaarden verspreid liggen tussen de droge voorjaarsakkers, het soort landschap waarin ik de lentes van mijn kindertijd heb doorgebracht. Het briesje kamt hier en daar een wolk sneeuwwitte bloesemblaadjes uit de kerselaren. De natuur viert haar wederopstanding. De hemel is van een klaarblijkelijk stabiel, helder blauw – toch laat de geladen muziek vermoeden dat er méér in de lucht hangt. Ik dwaal wat rond in dit lieflijke uitzicht, tussen de bloemen en de bloesems, maar wanneer het koor aan zijn klacht begint, Kommt, ihr Töchter, helft mir klagen, bevind ik mij ineens op de top van mijn fantasie-Golgotha. Hier ben ik, en ja, ik zal helpen, al wat ik kan.
     De begroeiing op de heuveltop is platgetrapt door menselijke bedrijvigheid. Hier en daar ligt vers omgewoelde aarde en opgedroogde modder besmeurt het gras. Er is maar één kruis neergeplant en geen drie, kwestie van mijn aandacht niet te veel te moeten verdelen. Links staat de Romeinse hoofdman te blinken in zijn koperen borstplaat onder een roodgevederde helm. Achter hem staan twee groezelige figuren, wazig van beeld, onbenullig huurlingenvlees dat de Romeinse standaard rechtop houdt : de gouden adelaar, stralend boven een scharlaken vaan, trots symbool van de heersende orde.
     Rechts zie ik een smartelijk gesticulerend tweetal, beiden in een stoffig, armzalig, bijbels aandoend kleed. Een nogal androgyn uitziende jongeman, Johannes natuurlijk, de liefdesapostel, en daarnaast een vrouw, soms moeder soms minnares van de gekruisigde, dat kan variëren per fantasie. Het is in ieder geval een Maria die het lichaam dat ze bemint, gebroken ziet worden. Johannes en Maria liggen op hun vuile knieën. De jongeman probeert de vrouw te troosten, ondersteunt haar snikken met het zijne, maakt zich dan weer los van haar en kruipt schreiend in de richting van het kruis, durft echter niet dichterbij te komen en buigt van pure ellende zijn gezicht in het stof. De hoofdman ziet dit alles aan met verveelde minachting.
     Wanneer het koraal het onschuldige godslam begint te bezingen, am Stamm des Kreuzes geschlachtet, richt mijn aandacht zich voor de eerste keer op het middelpunt van al dit misbaar. Langs het van bloed druipende stamhout kruipt mijn blik omhoog naar de doorboorde voeten, volgt de krachtige mannendijen en geniet van hun perfect gestroomlijnde vacht, maakt dan een sprongetje over het geslacht heen om aan te komen bij de gespannen buikspieren en de zwoegende borstkas. Het geslacht sla ik meestal over omdat nadenken over de precieze vorm en toestand daarvan de fantasie niet stimuleert maar saboteert. Een slap lid vind ik storend miezerig in deze verheven omstandigheden, maar een gezwollen lid zou dan weer de aandacht te veel naar zich toe trekken en doen wegdrijven van de muziek. Ik weet gewoon niet hoe ik het mij moet voorstellen. Dus laat ik het lid maar voor wat het is, het gaat hier tenslotte om zoveel meer dan om seks alleen. Mijn geestesoog glijdt over de brede, bezwete hals van de gekruisigde en bestudeert vervolgens diens gezicht. Hij slikt moeizaam en hijgt en lijkt helemaal op te gaan in de sensatie van het moment; zijn grimassen beantwoorden het ritme van de muziek. Als zijn hoofd niet bloedde en door een wolk dolle vliegen werd bestormd, zou je kunnen denken dat hij bezig is klaar te komen. Die vliegen ken ik nog van mijn kindertijd, toen er op het erf van mijn ouders regelmatig een varken werd geslacht...
     Lieve jongen, wie heeft je zo toegetakeld? En waarom?
     Seht! Wohin? Wohin? Auf unsre Schuld! zingt het koor plots heftig bewogen. Op een staccato van de strijkers druppelt vet, donkerrood bloed van het dwarshout op een kluit helle paardenbloemen onder het kruis. Ik volg met mijn blik een van de gestrekte armen van het slachtoffer, van de sexy open okselholte tot aan de door een dissonant verklankte wonde aan de pols, waar ijzer bot en vlees het hout in drijft. Onze schuld! Jazeker, reken maar! Onze schuld!
     Goed, de setting is opgebouwd, het muziekstuk is al halfweg. Nu wordt het dringend tijd voor de casting want als de scène slechts door vage of anonieme gezichten wordt bevolkt, zou de fantasie veel aan kracht verliezen. Voor een deel ligt de rolbezetting al vast. De rol van Christus wordt steevast ingenomen door Xavier, de zevenentwintigjarige adonis die nog maar pas op de redactie is aangeworven. Wat een indruk heeft hij op die korte tijd al weten te maken op mijn collega’s, niet zozeer door zijn journalistieke prestaties als wel door zijn fysieke uitstraling. Ik ben zeker de enige niet die er gevoelig voor is. Hij trekt verlekkerde blikken aan zoals een kadaver wormen. Wanneer hij de redactiezaal betreedt, slaat menig computer op hol van de gestoorde onzin of de met elkaar botstende instructies die zijn gebruiker of gebruikster als behekst erop in begint te rammen. Zijn schoonheid maakt, zoals radioactiviteit, vele mensen ziek en wel in zo’n verwarrende mate dat ze vaak juist in die schoonheid de remedie tegen hun ziekte zoeken. Als de sociale code het toestond, zou een aanzienlijk percentage van de bevolking zich als één wriemelende massa aan zijn voeten werpen, smekend, biddend, kermend: ‘Jongeheer, je mag op mij pissen als je dat wil, maar laat me één kwartiertje aan je vlees zuigen, en ik zal gezond worden.’ Gelukkig staat de sociale code dit niet toe en is ze krachtig genoeg om taferelen van collectieve gevoelsontremming te voorkomen.
     ‘Een flinke vent’, ‘een prima talent’, ‘een moeilijk te missen kracht’, oordelen mijn mannelijke collega’s over Xavier loffelijk maar zakelijk, en de vrouwelijke en homoseksuele collega’s voegen daar graag nog iets sappigs aan toe wanneer de omstandigheden het toelaten.
     ‘Xavier, dat is eerste klasse. En ik bedoel: éér-ste klasse! In elk relevant opzicht!’ antwoord ik daarop beheerst. En dan heb ik nog maar weinig gezegd in verhouding tot wat ik voel.
     Ja, de wereld is gek, en dat is voor een belangrijk deel ook Xaviers werk, al kan hij het natuurlijk zelf niet helpen. Hij hoeft nu eenmaal alleen maar naar een fles champagne te kijken of de kurk knalt er al uit. Maar goed, dat is een ander verhaal. Laten we ons beperken tot het verhaal van deze muziek, waarin zijn schoonheid aan het kruis hangt te zwoegen.
     De rol van de Romeinse hoofdman reserveer ik voor mezelf. Mijn gezicht ziet er in deze fantasie aanmerkelijk beter uit dan in werkelijkheid. Het heeft krachtige, viriele trekken, een groot, uitgebouwd gezicht dat niet eens hoeft te commanderen om te imponeren, dat zowel in de liefde als in de strijd het beoogde effect nooit mist. Gretigheid naar leven en strengheid ten aanzien van het begeerde zijn er in een onweerstaanbare combinatie in gebeeldhouwd. Mijn dwingende, staalblauwe ogen zien slechts wat ze moeten zien: victorie. Ze laten je weten dat je me niet zal kunnen tegenhouden. Beeld je het gezicht in van een held uit oude totalitaire propagandabeelden, of anders, wat meer bij de tijd, het gezicht van dat stoere mannelijke succesnummer dat tegenwoordig in elk kleurenblad paginagrote reclame maakt voor Tigerman, het koele, strakke herenparfum dat aan de drager ervan een dierlijk magnetisme zou verlenen (Tigerman. The smell of stripes). En ik heb een kin. Jawel! In mijn fantasie heb ik duidelijk een kin, zij het grotendeels aan het zicht onttrokken door de riem van mijn helm.
     De twee huurlingen zijn slechts figuranten. Zij mogen smoezelige, vage mombakkesen blijven die je overal van de straat kan plukken. Pik er maar de meest verloederd en ondergetalenteerd ogende exemplaren uit, dat zijn ze.
     Voor Maria de moeder kies ik meestal mijn ex-vrouw. Met haar heb ik nog een rekening te vereffenen. Voor haar ogen zich een tafereel te laten afspelen dat haar hart verscheurt en haar schreeuwlelijke muil stopt, verschaft me een bijzonder genoegen. Kinderen heb ik haar nooit gegeven, maar nu kan ze van mij een gevoelvol Stabat Mater krijgen waarbij ze met verkrampte wijdopen mond in het stof mag zitten, kwijlend, geluidloos van pijn, druppend van tranen.
     Vandaag evenwel is Maria de minnares aan de beurt. Deze rol wordt op overtuigende wijze gebracht door Muriël de redactiesecretaresse. In werkelijkheid wordt het gemoedsleven van dit vijfentwintigjarige, onbeduidende meisje voornamelijk bepaald door een voorzichtig peilen naar en naarstig speculeren over wat de andere mensen van haar denken en voor haar voelen. Ze heeft de neiging daarbij uit te gaan van de minst optimistische veronderstellingen. Veel reden tot juichen heeft ze tot voor kort dan ook niet gehad. Haar veel te grote eivormige hoofd met het veel te dunne bruine sluikhaar boven op die veel te smalle schouders van dat tengere kinderlijfje is geen vanzelfsprekend voorwerp van amoureuze uitverkiezing. Het heeft haar bij sommigen de bijnaam Het Ei opgeleverd. En de gelispelde, nauwelijks verstaanbare en voortdurend door een timide gegnuif onderbroken mededelingen op die fluistertoon van haar vormen ook al geen basis voor veel sociaal succes. Zelfs de geduldigste luisteraar krijgt het er op de duur van op de heupen, hoe vriendelijk zijn bedoelingen ook zijn. Een Ei waar nooit iets pakkends of geestigs uit komt, waar weinig uitgesproken persoonlijkheid in lijkt te rijpen, een onbevrucht Ei dat op velen geen karaktervollere indruk maakt dan een doodgewoon consumptie-ei.
     Sinds een paar weken heeft zich een groot wonder in haar bestaan voltrokken. Ze is namelijk een zogenaamd geheime verhouding begonnen met Xavier, al blijft het zeer de vraag of dat zelfs maar een verhouding mag worden genoemd. Een geheim is het in elk geval niet want iedereen weet ervan. Het is duidelijk dat ze de buit nog lang niet binnen heeft en het zou ons nogal verbazen mocht haar dat ooit lukken. Op haar eigen bescheiden manier geeft ze blijk van wild schommelende stemmingen. Het ene moment straalt ze, voor zover dat in haar vermogen ligt, een paar uren later maakt ze een nog miezeriger indruk dan gewoonlijk. Maar ook dat is een ander verhaal. In dit verhaal speelt ze een duidelijk uitgetekende rol. Met verve ligt ze op haar knieën het verlies van het begeerde vlees te bejammeren. Af en toe overdrijft ze wel een beetje in haar radeloosheid – bijvoorbeeld wanneer ze over haar kleed heen haar borstjes zit te beroeren, alsof ze zich inbeeldt dat het de vastgespijkerde handen zijn die ze daar voelt bewegen – maar goed, de kut heeft redenen die ik niet beheers.
     Het is niet makkelijk om iemand te vinden voor de rol van Johannes. Het moet een mooie, baardeloze jongen zijn van nog geen twintig, maar persoonlijk ken ik geen jongens met dat profiel. Ik zie er wel vaak op straat lopen, maar de glimp die ik in het voorbijgaan van hen opvang, geeft me te weinig beklijvende stof voor mijn fantasie, ook al omdat ik niet al te opvallend durf te kijken. En daarenboven heb ik maar zelden de indruk dat een van die jongens, blakend van consumptielust, met een door mode en commercie ingegeven air van zelfbewustzijn, zich zou kunnen inleven in het dramatische gegeven van deze muziek. Het zijn onbenullige kinderen van deze tijd, die tot hun tijd veroordeeld zijn omdat ze er geen andere kennen en die zich hun zelfvoldane wereldsheid en mondigheid niet zouden laten ontnemen om een man die ze aanbidden tot aan zijn kruis te volgen. Het idee van aanbidding alleen al is deze namaakindividuen helemaal vreemd, onverenigbaar met hun stijlopvattingen en hun oppervlakkige slimmigheid.
     Nee, ik dweep niet met de hedendaagse jeugd. Ik beschouw jongeren over het algemeen als een stel door de markt op handen gedragen slappelingen wier emotionele leven zo mak en middelmatig is, zo weinig uitgesproken richting of doel kent, dat het me niet verbaast dat ze er vaak moedeloos van worden en soelaas gaan zoeken in een bevrijdende kick. Ik geef toe dat deze indruk niet op concrete terreinkennis is gebaseerd. Het past niet bij mijn imago om me langer dan nodig met jongens in te laten, niet langer dus dan een betaalde nachtelijke geslachtsmassage in het oranje halfduister van een parking langs de snelweg duurt. Maar ik ben er zeker van dat het een juiste indruk is. Soms meen ik wel eens in de blik van een jongen iets op te merken dat niet in het straatbeeld past – een verborgen treurnis, de spiedende honger naar ultieme vervulling – maar dat is dan meestal weer geen mooie jongen. Daarenboven is geen van al die blikken ooit op mij gericht. Met mijn onbeduidend postuur van kinloze, lelijke eend weet ik zo’n blik niet lang genoeg te vangen om op mijn geheugen te laten inbranden. Nee, makkelijk is het niet, en het gezicht van Johannes verandert dan ook voortdurend van neus, van mond, van ogen en raakt nooit helemaal ingevuld.
     Maar goed, de muziek gaat verder. De Romeinse hoofdman wacht ogenschijnlijk ongeduldig af tot de dood zal intreden. Hij kijkt op zijn horloge, het is al bijna drie uur en de zon brandt daarboven op de heuvel. Maar in feite heeft zijn ongeduld betrekking op dat luidruchtige tweetal, Johannes en Maria. Wat is hun tragedie toch armzalig, vergeleken met het rijpe, mannelijke en ver reikende gevoel van hem die deze executie leidt! Zij zijn hun geliefde dapper tot aan zijn kruis gevolgd. Dat is mooi, dat is zelfs al heel wat, maar verder raken ze niet. Nu vrezen ze dat het kruis het einde is. Ze weten dat het het einde is, of toch het begin van het einde. Ze hadden zoveel mooie gevoelens, maar nu ze het mooie voorwerp van al die mooie gevoelens gaan kwijtspelen, worden ze gek van verdriet dat het afgelopen is met hun mooie gevoelens. Vandaar al dat misbaar. Ze kunnen niet begrijpen dat de mooiste gevoelens eigenlijk nog moeten komen.
     De hoofdman heeft niet veel op met hun mooie gevoelens. Hij kent dat soort liefde. In hun onnozelheid denken ze met hun liefde recht te doen aan de schoonheid van de jongeman aan het kruis. De hoofdman weet waaraan die liefde ontspruit. Ook hij heeft regelmatig de behoefte om zijn bloed te laten kloppen in het lichaam van een ander, om het bloed van een ander in zijn eigen lichaam te voelen kloppen. Ook hij wil breken uit de grenzen van zijn fysieke eenzaamheid en langs elke zinnelijke opening onbegrensd zwelgen in het leven. Nu hij ouder is, voelt hij zelfs heel scherp aan dat de grenzen van die eenzaamheid de voorafspiegeling zijn van de lijnen van de kist, de randen van de groeve, de geslotenheid van het graf. Zijn begeerte heeft veel te maken met angst die zich in de lust wil vergeten. Maar de kortstondige genoegens en vergetelheid die de bevrediging van de lust hem biedt, wekken in hem geen liefde op. Hij maakt er geen dweperige, verwarde emotionele toestanden van. Hij betaalt voor de bevrediging van zijn lust liever met geld dan met liefde. Zo handelt hij het zaakje proper af, zo bewaart hij de orde, zo houdt hij de standaard hoog. Vroeger bediende hij zich meestal van de vrouwelijke voor. Maar vrouwen neuken, dat kan uiteindelijk iedereen. Om zich van het voetvolk te onderscheiden heeft hij zich intussen gespecialiseerd in de spannende jongenskont. Je bent een hoofdman of je bent het niet.
     De schoonheid van de jongeman aan het kruis doet in de hoofdman de hevigste lusten ontbranden. Den Bräutigam! Maar het is goed dat het kruis de jongeman buiten het bereik van zijn lusten houdt. Dat is zelfs uitstekend. Want dankzij deze constellatie kunnen de lusten van de hoofdman zich ontwikkelen tot dat wat liefde volgens hem behoort te zijn: een licht in de nacht van de ziel dat nergens aankomt en door niemand wordt gezien. De liefde zal door de lust niet worden uitgeput. In de wereld der tijdelijke genoegens geldt de liefde die geen werkelijkheid kan worden als een treurige zaak. Maar hier wordt de liefde die geen werkelijkheid wordt, muziek. Het is muziek voor de minnaar die erkent dat het doel niet te bereiken is, die weet dat hij voor altijd gescheiden zal blijven van wie hij werkelijk liefheeft. Zijn liefde vindt geen huis, dat maakt haar juist zo groots. In deze muziek viert de liefde haar overwinning op het leven. Dat begrijpen die lammetjes in het stof daar natuurlijk niet. Zij denken dat deze muziek er is om uiting te geven aan hun kleine verdriet. Hun geblaat hangt hem verschrikkelijk de keel uit.
     De Romeinse hoofdman stapt op de jonge volgeling af, buigt zich over hem heen en pakt zijn kin vast tussen duim en wijsvinger. Over het gezicht van de jongen ligt het oranje halfduister van een nachtelijke parking langs de snelweg. ‘Wat is er met jou, snotterend hoopje onbenul? Ben je bang dat je nu nooit meer zal kunnen pikje zuigen? Ga maar naar de stad, daar is lul genoeg te krijgen. Hij is heus de enige niet die je kontje kan kraken. Moet ik het je anders eens tonen, hè? Moet ík je balletjes doen dansen? Zal ík eens stront komen ruimen in je holletje? Of heb je liever een mondspoeling misschien?’
     Hij gaat obsceen met zijn tong over zijn lippen en duwt het gezicht van de jongeling ruw tegen zijn kruis, dat hij een paar keren uitdagend naar voren stoot. Op de achtergrond hikken de huurlingen van het lachen en slaan op hun dijen van dolle pret. Johannes veegt zijn mond af, deinst verschrikt achteruit en snelt sidderend op handen en voeten naar Maria. ‘Jaja, ga daar maar een beetje uithuilen. Jullie zijn van hetzelfde laken een pak. En nu, wegwezen! Ju! Opkrassen! Jullie hebben hier niks meer te zoeken! Jullie denken dat jullie bij hem horen, hè? Jullie denken dat hij van jullie is! Maar hij is van mij! Begrijp je! Helemaal van mij! Stelletje mangekke gleuven!’ Zo blaft de hoofdman hun vol verachting toe. Met dierlijke stomheid geslagen staren ze de bruut als verlamd aan. Het zijn net opgezette diertjes, bevroren in een houding van afschuw en verdriet. De hoofdman vindt hen zo komisch dat hij op het punt staat in schaterlachen uit te barsten. Maar hij houdt zich in. Het werk is nog niet af. Hij dumpt een fluim in hun richting, haalt de schouders op en keert het tweetal de rug toe. Zijn vulgaire en meedogenloze optreden heeft hem in de juiste stemming gebracht voor wat komen moet. Door hun al te menselijke, al te doorzichtige gevoelens te bruuskeren, heeft hij in zichzelf plaats vrijgemaakt voor een minder alledaags gevoel. Het koor brengt zijn veelstemmige boodschap met toenemende heftigheid. De muziek werkt zich naar de finale toe.
     De volmaaktheid heeft geen plaats onder de mensen, zegt de muziek, de volmaaktheid kan geen mens onder de mensen zijn. Om haar te eren moeten we haar boven de mensen stellen. Anders halen we haar toch maar naar beneden, anders verlagen we haar tot ons eigen niveau. Om volmaakt te blijven, moet zij sterven als zij in mensenhanden valt. Laten we de volmaaktheid vermoorden voor we ons aan haar vergrijpen, laten we deze mens tot de god maken die hij verdient te zijn. Dan pas zullen we hem op gepaste wijze kunnen beminnen en verheerlijken.
     Goed gesproken, denkt de hoofdman, maar het zijn woorden die om daden vragen. De hoofdman loopt naar zijn soldaten en pakt een van hen de speer uit handen. Hij gaat voor het kruis staan. Seht! Wen? Den Bräutigam! Kom als een god in het hart van een man! Wie? Als wie ein La-a-a-a-a-a-m! Op het lang aangehouden slotakkoord steekt de hoofdman toe. Een laatste stuiptrekking vaart door het machtige lichaam van de gekruisigde, met een finale knik valt zijn bloedende hoofd voorover. Helemaal klaar. Daarna vaart een laatste stuiptrekking door het machtige lichaam en valt het bloedende hoofd met een finale knik voorover. Nogmaals klaar. En daarna nog eens. Om me tot mijn volle bevrediging te kunnen verlustigen in alle details van het ultieme spasme, moet ik de kortstondigheid ervan compenseren met een tot driemaal toe herhaalde weergave. Drie keer scheurt de speer door zijn vlees. Drie keer is het raak, vlak boven de heerlijke heup. En dan ben ook ik klaar.
     Ik spring op en zet de cd af. De fantasie van die ochtend is van een uitzonderlijke kwaliteit geweest. De muziek is voor honderd procent mentally remastered. Alle betekenis die erin vervat ligt, heeft zich op een of andere manier gemanifesteerd, als beeld, als gedachte, of als lichamelijk genot. Ik geef me over aan het zalige, vermoeide gevoel meer gedaan te hebben dan iemand ooit zou kunnen uitleggen. De liefde heeft getriomfeerd, onbezoedeld door de gangbare praktijk. Het heeft me kippenvel bezorgd. Een tintelende lichtheid neemt bezit van mijn leden, als na een langdurige fysieke inspanning. En op mijn middenrif neemt een intens gevoel van ontlading, alsof ik uren heb liggen wenen en nu definitief ben uitgesnikt, de vorm aan van een krans kriebelende, koude vlammetjes, de kroon waarmee het goddelijke slachtoffer van het menselijk tekort tot koning van mijn geheime, onbegrepen bestaan wordt gemaakt.
     Ik ga voor het raam staan. De ochtend laat zijn bleke start met almaar stijgend enthousiasme achter zich. Ik wis de tranen uit mijn ogen en slaak een zucht. Ik ben verkwikt, verjongd, vernieuwd uit mijn fantasie gekomen. Je zou het een geweldsfantasie kunnen noemen. Maar wat dan nog? De wereld zou een onwaarschijnlijk vredig oord zijn als iedereen er in slaagt aan zijn geweldsfantasieën zo’n bevredigende afloop te geven zonder er de anderen mee te moeten lastigvallen. Wat een muziek! Beter dan voetbal! Beter dan oorlog! Beter zelfs dan seks! Seks brengt me alleen maar orgasme na orgasme dichter bij de rand van de fatale onlust. Het kost geld, het is uitputtend, het is zelfs beschamend. En wat levert het op? Het geeft me geen kracht of hoop, integendeel, het werkt de ontbinding in de hand. Elke seksuele climax blijkt achteraf alleen maar het deprimerende vooruitzicht te versterken dat mijn begeerte een vergeefse, doelloze zaak is, voorbestemd om uit te monden in een onverschillig niets. Seks is toenemende entropie, terwijl de muziek daarentegen mijn emotionele kosmos weer de levenskrachtige strakheid geeft van twintig, dertig, misschien wel al veertig jaar geleden. Maar waarom er een getal op plakken? Het is gewoon het mysterie van de eeuwige jeugd dat zich in mij voltrekt, een ervaring die niet hoeft te worden gedateerd en het tikken van de klok weerspreekt. Ík hoef me geen zorgen te maken, ík heb van de toekomst eigenlijk niets te vrezen, míj zal de tijd niet te pakken krijgen en leegzuigen, ík zal blijven beschikken over al mijn emotionele vermogens – al moet dat dan in het afgezonderde en ongeziene, in een andere wereld die met de meer algemeen erkende in een betrekking staat van wederzijdse exclusiviteit – zolang de muziek er maar is en ik haar betekenis kan horen.
     Wanneer het mysterie in mijn hart een beetje is gekalmeerd, kijk ik op mijn horloge, stel geschrokken vast dat het intussen de hoogste tijd is om te vertrekken, doe snel nog wat Tigerman op en haast me mijn woonst uit, met de bus naar de metro, met de metro naar de redactie, om daar uren van pierentrekkerij, rivaliteit, paringsdrift en vitale waakzaamheid met opgewekt gemak het hoofd te bieden.
     Ik besef dat ik heel wat te verbergen heb voor de mensen, en zeker voor de lui hier op de redactie. Als ze wisten wat ik allemaal te verbergen had, zouden ze me een monsterlijke hypocriet vinden. Het zijn van die geëmancipeerde lieden die zich vrijgevochten wanen in hun denken en hun doen. Zij kijken om zich heen met een zogenaamde open geest. Niks moet, alles kan, is hun devies. Ze begrijpen niet dat iemand er geheimen op na zou moeten houden, tenzij hij pedofiel of necrofiel is. Voor het overige vinden ze dat alles ter sprake kan worden gebracht. Als gevolg van zoveel ruimdenkendheid en openheid moeten ze in hun eigen psychische huishouding wel de meest benepen orde handhaven. Hun geestelijk welbevinden verdraagt immers geen verlangens die ze zouden moeten verheimelijken. Ze willen niet geplaagd worden door ongeoorloofde gedachten. Als je alles ter sprake wil kunnen brengen, mag je natuurlijk niet zitten broeden op onbespreekbare obscuriteiten. Je kan niet vrijelijk uit de biecht kakelen met een duivelsei onder je kont. Ze houden hun fantasie dan ook deftig ingetoomd. Alleen de banaliteit kent geen duisternis. Al bij al zijn ze niet zo interessant, die open geesten.
     Dat Allah leeft, beheerst nu al geruime tijd het wereldnieuws. Ook mijn collega’s zijn onder de indruk van het vurige geweld en de bloedbaden waarmee hij zijn imago van fanatieke krijgsgod opbouwt. Ruim de helft van de buitenlandpagina’s wordt eraan gewijd. Maar dat ook Jezus leeft, dat ik hem vanochtend nog tot leven heb gewekt door hem in mijn hart op het juiste moment en op de juiste tonen ter dood te brengen, dat moet je hen niet proberen uit te leggen. Dat is geen wereldnieuws. Dat zouden ze beschouwen als een achterlijk, uit frustraties en waanvoorstellingen opgebouwd gewrocht.
     Gelukkig heb ik niet de behoefte om hun wat dan ook uit te leggen. Ik zoek bij hen niet naar begrip. Het contrast met hun burgerlijke kwezelarij die hun verbiedt er onuitsprekelijke fantasieën op na te houden, doet me maximaal genieten van mijn hypocrisie. Het is misschien natuurlijk allemaal maar schijn. Wie weet lopen ze hier rond met kerstballen in hun kut, lolstaven in hun gat, en gierende schunnigheden in hun hoofd. Stel je voor! Je hoort soms wel eens zeggen dat we allemaal te worstelen hebben met een innerlijk monster. Maar het zou me eerlijk gezegd verbazen. Ik hoop in elk geval van niet. Mocht ik er langs een of andere weg achterkomen dat er hier een grotere hypocriet dan ik rondloopt, ik zou, ik weet niet wat, ik zou jaloers worden. Ik heb liever dat ze net zo braaf zijn als ze zich voordoen. Laat mij hier maar het monster zijn.


abonneren

Een abonnement op de papieren versie van De Brakke hond kost slechts 32 euro. Klik hier voor een abonnement.

Nummer nabestellen? klik hier.

boekenlinks

Proxis
boekenbank
DBNL

Over De Brakke Hond

De Brakke Hond is geen tijdschrift voor hondenliefhebbers die zich interesseren voor hondenvoeding, hondenverzorging, puppies en hondenvakanties, het bevat 100% literatuur.


nieuwsbrief

Schrijf u in op onze nieuwsbrief "Letters". Vul hier uw e-mailadres in:


AanmeldenAfmelden


Powered by YourMailinglistProvider.com





design: wwww.mixette.com