| |
|
Vierenvijftig jaar, alleenstaand en kinderloos. Hoofd van de buitenlandredactie
van De Stem, de gewaardeerde kwaliteitskrant met progressief
imago. Ik kan niet beweren dat ik vrienden onder mijn collega’s
tel. Maar ik heb ook geen vijanden. Minzaam, vriendelijk, ogenschijnlijk
met geen enkele geldingsdrang behept, sta ik niemand in de weg. De betrekkingen
met mijn ondergeschikten verlopen haast wrijvingsloos. Weinig of geen
familiaal contact. Andere mensen zouden wellicht weinig bevrediging
vinden in zo’n glad, eenzelvig bestaan. Maar dankzij de muziek
ben ik in staat om regelmatig mijn behoefte aan intiem gezelschap te
vergeten in het genot van de ware eenzaamheid, die je niet eenzaam maakt
maar één.
Ik geef een voorbeeld. Op een prachtige lenteochtend
in april ben ik om zes uur tien opgestaan, rond zonsopgang. De vogels
in de binnentuin van het wooncomplex waar ik een luxeappartement betrek,
zijn al druk in de weer. Hun ochtendgezang klinkt heel anders dan hun
avondgezang. In dat laatste hoor ik een cantate van dankbaarheid omdat
ze het eind van de dag weer hebben gehaald, met veel bedaarde en opgeluchte
altpartijen erin. Het eerste is veel hectischer van toon, alsof een
overvolle praktische agenda door honderden nerveuze sopraantjes piepend
en tsjirpend wordt doorgenomen, de gejaagde voorbereiding op uren van
pierentrekkerij, rivaliteit, paringsdrift en vitale waakzaamheid.
Ik scheer en douch me, neem een graanontbijt
met yoghurt en drink twee zwarte koffies. Daarna ben ik zo goed als
klaar voor de strijd. Pas over een halfuur moet ik naar de redactie
vertrekken. Er is dus nog tijd over voor iets anders. Welja, een vluggertje,
denk ik gnuivend. Daarmee bedoel ik het stukje muziek dat ik meestal
voor ik naar mijn werk ga, nog snel even opzet. Een vluggertje. Ik ben
humoristischer dan men mij over het algemeen nageeft, maar de mensen
kennen mij slecht. De zon heeft zich inmiddels boven de daken gemanifesteerd
als de fris glinsterende belofte van een gulle dag. Ik ben een melomaan,
meer dan wat ook, en de dag beginnen zonder muziek is voor mij even
ontwrichtend als op reis vertrekken en onderweg vaststellen dat je essentiële
bagage bent vergeten. Ik zoek een van mijn favoriete stukken en steek
de cd in de speler. Het openingskoorstuk van Bachs Mattheuspassie klinkt
door de woonkamer. Ik ga op het tapijt liggen en sluit de ogen, klaar
voor een van mijn lievelingsfantasieën.
Al na enkele maten krijgt het heilige tafereel
vorm voor mijn geestesoog. De instrumentale inleiding, droef maar teder,
als een wiegenlied voor een dood kind, wekt een briesje op in een lentelijk,
landelijk namiddaglandschap. Het is een heuvelachtig land waarin bloeiende
boomgaarden verspreid liggen tussen de droge voorjaarsakkers, het soort
landschap waarin ik de lentes van mijn kindertijd heb doorgebracht.
Het briesje kamt hier en daar een wolk sneeuwwitte bloesemblaadjes uit
de kerselaren. De natuur viert haar wederopstanding. De hemel is van
een klaarblijkelijk stabiel, helder blauw – toch laat de geladen
muziek vermoeden dat er méér in de lucht hangt. Ik dwaal
wat rond in dit lieflijke uitzicht, tussen de bloemen en de bloesems,
maar wanneer het koor aan zijn klacht begint, Kommt, ihr Töchter,
helft mir klagen, bevind ik mij ineens op de top van mijn fantasie-Golgotha.
Hier ben ik, en ja, ik zal helpen, al wat ik kan.
De begroeiing op de heuveltop is platgetrapt
door menselijke bedrijvigheid. Hier en daar ligt vers omgewoelde aarde
en opgedroogde modder besmeurt het gras. Er is maar één
kruis neergeplant en geen drie, kwestie van mijn aandacht niet te veel
te moeten verdelen. Links staat de Romeinse hoofdman te blinken in zijn
koperen borstplaat onder een roodgevederde helm. Achter hem staan twee
groezelige figuren, wazig van beeld, onbenullig huurlingenvlees dat
de Romeinse standaard rechtop houdt : de gouden adelaar, stralend boven
een scharlaken vaan, trots symbool van de heersende orde.
Rechts zie ik een smartelijk gesticulerend
tweetal, beiden in een stoffig, armzalig, bijbels aandoend kleed. Een
nogal androgyn uitziende jongeman, Johannes natuurlijk, de liefdesapostel,
en daarnaast een vrouw, soms moeder soms minnares van de gekruisigde,
dat kan variëren per fantasie. Het is in ieder geval een Maria
die het lichaam dat ze bemint, gebroken ziet worden. Johannes en Maria
liggen op hun vuile knieën. De jongeman probeert de vrouw te troosten,
ondersteunt haar snikken met het zijne, maakt zich dan weer los van
haar en kruipt schreiend in de richting van het kruis, durft echter
niet dichterbij te komen en buigt van pure ellende zijn gezicht in het
stof. De hoofdman ziet dit alles aan met verveelde minachting.
Wanneer het koraal het onschuldige godslam
begint te bezingen, am Stamm des Kreuzes geschlachtet, richt
mijn aandacht zich voor de eerste keer op het middelpunt van al dit
misbaar. Langs het van bloed druipende stamhout kruipt mijn blik omhoog
naar de doorboorde voeten, volgt de krachtige mannendijen en geniet
van hun perfect gestroomlijnde vacht, maakt dan een sprongetje over
het geslacht heen om aan te komen bij de gespannen buikspieren en de
zwoegende borstkas. Het geslacht sla ik meestal over omdat nadenken
over de precieze vorm en toestand daarvan de fantasie niet stimuleert
maar saboteert. Een slap lid vind ik storend miezerig in deze verheven
omstandigheden, maar een gezwollen lid zou dan weer de aandacht te veel
naar zich toe trekken en doen wegdrijven van de muziek. Ik weet gewoon
niet hoe ik het mij moet voorstellen. Dus laat ik het lid maar voor
wat het is, het gaat hier tenslotte om zoveel meer dan om seks alleen.
Mijn geestesoog glijdt over de brede, bezwete hals van de gekruisigde
en bestudeert vervolgens diens gezicht. Hij slikt moeizaam en hijgt
en lijkt helemaal op te gaan in de sensatie van het moment; zijn grimassen
beantwoorden het ritme van de muziek. Als zijn hoofd niet bloedde en
door een wolk dolle vliegen werd bestormd, zou je kunnen denken dat
hij bezig is klaar te komen. Die vliegen ken ik nog van mijn kindertijd,
toen er op het erf van mijn ouders regelmatig een varken werd geslacht...
Lieve jongen, wie heeft je zo toegetakeld?
En waarom?
Seht! Wohin? Wohin? Auf unsre Schuld!
zingt het koor plots heftig bewogen. Op een staccato van de strijkers
druppelt vet, donkerrood bloed van het dwarshout op een kluit helle
paardenbloemen onder het kruis. Ik volg met mijn blik een van de gestrekte
armen van het slachtoffer, van de sexy open okselholte tot aan de door
een dissonant verklankte wonde aan de pols, waar ijzer bot en vlees
het hout in drijft. Onze schuld! Jazeker, reken maar! Onze schuld!
Goed, de setting is opgebouwd, het muziekstuk
is al halfweg. Nu wordt het dringend tijd voor de casting want als de
scène slechts door vage of anonieme gezichten wordt bevolkt,
zou de fantasie veel aan kracht verliezen. Voor een deel ligt de rolbezetting
al vast. De rol van Christus wordt steevast ingenomen door Xavier, de
zevenentwintigjarige adonis die nog maar pas op de redactie is aangeworven.
Wat een indruk heeft hij op die korte tijd al weten te maken op mijn
collega’s, niet zozeer door zijn journalistieke prestaties als
wel door zijn fysieke uitstraling. Ik ben zeker de enige niet die er
gevoelig voor is. Hij trekt verlekkerde blikken aan zoals een kadaver
wormen. Wanneer hij de redactiezaal betreedt, slaat menig computer op
hol van de gestoorde onzin of de met elkaar botstende instructies die
zijn gebruiker of gebruikster als behekst erop in begint te rammen.
Zijn schoonheid maakt, zoals radioactiviteit, vele mensen ziek en wel
in zo’n verwarrende mate dat ze vaak juist in die schoonheid de
remedie tegen hun ziekte zoeken. Als de sociale code het toestond, zou
een aanzienlijk percentage van de bevolking zich als één
wriemelende massa aan zijn voeten werpen, smekend, biddend, kermend:
‘Jongeheer, je mag op mij pissen als je dat wil, maar laat me
één kwartiertje aan je vlees zuigen, en ik zal gezond
worden.’ Gelukkig staat de sociale code dit niet toe en is ze
krachtig genoeg om taferelen van collectieve gevoelsontremming te voorkomen.
‘Een flinke vent’, ‘een prima
talent’, ‘een moeilijk te missen kracht’, oordelen
mijn mannelijke collega’s over Xavier loffelijk maar zakelijk,
en de vrouwelijke en homoseksuele collega’s voegen daar graag
nog iets sappigs aan toe wanneer de omstandigheden het toelaten.
‘Xavier, dat is eerste klasse. En ik
bedoel: éér-ste klasse! In elk relevant opzicht!’
antwoord ik daarop beheerst. En dan heb ik nog maar weinig gezegd in
verhouding tot wat ik voel.
Ja, de wereld is gek, en dat is voor een belangrijk
deel ook Xaviers werk, al kan hij het natuurlijk zelf niet helpen. Hij
hoeft nu eenmaal alleen maar naar een fles champagne te kijken of de
kurk knalt er al uit. Maar goed, dat is een ander verhaal. Laten we
ons beperken tot het verhaal van deze muziek, waarin zijn schoonheid
aan het kruis hangt te zwoegen.
De rol van de Romeinse hoofdman reserveer ik
voor mezelf. Mijn gezicht ziet er in deze fantasie aanmerkelijk beter
uit dan in werkelijkheid. Het heeft krachtige, viriele trekken, een
groot, uitgebouwd gezicht dat niet eens hoeft te commanderen om te imponeren,
dat zowel in de liefde als in de strijd het beoogde effect nooit mist.
Gretigheid naar leven en strengheid ten aanzien van het begeerde zijn
er in een onweerstaanbare combinatie in gebeeldhouwd. Mijn dwingende,
staalblauwe ogen zien slechts wat ze moeten zien: victorie. Ze laten
je weten dat je me niet zal kunnen tegenhouden. Beeld je het gezicht
in van een held uit oude totalitaire propagandabeelden, of anders, wat
meer bij de tijd, het gezicht van dat stoere mannelijke succesnummer
dat tegenwoordig in elk kleurenblad paginagrote reclame maakt voor Tigerman,
het koele, strakke herenparfum dat aan de drager ervan een dierlijk
magnetisme zou verlenen (Tigerman. The smell of stripes). En
ik heb een kin. Jawel! In mijn fantasie heb ik duidelijk een kin, zij
het grotendeels aan het zicht onttrokken door de riem van mijn helm.
De twee huurlingen zijn slechts figuranten.
Zij mogen smoezelige, vage mombakkesen blijven die je overal van de
straat kan plukken. Pik er maar de meest verloederd en ondergetalenteerd
ogende exemplaren uit, dat zijn ze.
Voor Maria de moeder kies ik meestal mijn ex-vrouw.
Met haar heb ik nog een rekening te vereffenen. Voor haar ogen zich
een tafereel te laten afspelen dat haar hart verscheurt en haar schreeuwlelijke
muil stopt, verschaft me een bijzonder genoegen. Kinderen heb ik haar
nooit gegeven, maar nu kan ze van mij een gevoelvol Stabat Mater
krijgen waarbij ze met verkrampte wijdopen mond in het stof mag zitten,
kwijlend, geluidloos van pijn, druppend van tranen.
Vandaag evenwel is Maria de minnares aan de
beurt. Deze rol wordt op overtuigende wijze gebracht door Muriël
de redactiesecretaresse. In werkelijkheid wordt het gemoedsleven van
dit vijfentwintigjarige, onbeduidende meisje voornamelijk bepaald door
een voorzichtig peilen naar en naarstig speculeren over wat de andere
mensen van haar denken en voor haar voelen. Ze heeft de neiging daarbij
uit te gaan van de minst optimistische veronderstellingen. Veel reden
tot juichen heeft ze tot voor kort dan ook niet gehad. Haar veel te
grote eivormige hoofd met het veel te dunne bruine sluikhaar boven op
die veel te smalle schouders van dat tengere kinderlijfje is geen vanzelfsprekend
voorwerp van amoureuze uitverkiezing. Het heeft haar bij sommigen de
bijnaam Het Ei opgeleverd. En de gelispelde, nauwelijks verstaanbare
en voortdurend door een timide gegnuif onderbroken mededelingen op die
fluistertoon van haar vormen ook al geen basis voor veel sociaal succes.
Zelfs de geduldigste luisteraar krijgt het er op de duur van op de heupen,
hoe vriendelijk zijn bedoelingen ook zijn. Een Ei waar nooit iets pakkends
of geestigs uit komt, waar weinig uitgesproken persoonlijkheid in lijkt
te rijpen, een onbevrucht Ei dat op velen geen karaktervollere indruk
maakt dan een doodgewoon consumptie-ei.
Sinds een paar weken heeft zich een groot wonder
in haar bestaan voltrokken. Ze is namelijk een zogenaamd geheime verhouding
begonnen met Xavier, al blijft het zeer de vraag of dat zelfs maar een
verhouding mag worden genoemd. Een geheim is het in elk geval niet want
iedereen weet ervan. Het is duidelijk dat ze de buit nog lang niet binnen
heeft en het zou ons nogal verbazen mocht haar dat ooit lukken. Op haar
eigen bescheiden manier geeft ze blijk van wild schommelende stemmingen.
Het ene moment straalt ze, voor zover dat in haar vermogen ligt, een
paar uren later maakt ze een nog miezeriger indruk dan gewoonlijk. Maar
ook dat is een ander verhaal. In dit verhaal speelt ze een duidelijk
uitgetekende rol. Met verve ligt ze op haar knieën het verlies
van het begeerde vlees te bejammeren. Af en toe overdrijft ze wel een
beetje in haar radeloosheid – bijvoorbeeld wanneer ze over haar
kleed heen haar borstjes zit te beroeren, alsof ze zich inbeeldt dat
het de vastgespijkerde handen zijn die ze daar voelt bewegen –
maar goed, de kut heeft redenen die ik niet beheers.
Het is niet makkelijk om iemand te vinden voor
de rol van Johannes. Het moet een mooie, baardeloze jongen zijn van
nog geen twintig, maar persoonlijk ken ik geen jongens met dat profiel.
Ik zie er wel vaak op straat lopen, maar de glimp die ik in het voorbijgaan
van hen opvang, geeft me te weinig beklijvende stof voor mijn fantasie,
ook al omdat ik niet al te opvallend durf te kijken. En daarenboven
heb ik maar zelden de indruk dat een van die jongens, blakend van consumptielust,
met een door mode en commercie ingegeven air van zelfbewustzijn, zich
zou kunnen inleven in het dramatische gegeven van deze muziek. Het zijn
onbenullige kinderen van deze tijd, die tot hun tijd veroordeeld zijn
omdat ze er geen andere kennen en die zich hun zelfvoldane wereldsheid
en mondigheid niet zouden laten ontnemen om een man die ze aanbidden
tot aan zijn kruis te volgen. Het idee van aanbidding alleen al is deze
namaakindividuen helemaal vreemd, onverenigbaar met hun stijlopvattingen
en hun oppervlakkige slimmigheid.
Nee, ik dweep niet met de hedendaagse jeugd.
Ik beschouw jongeren over het algemeen als een stel door de markt op
handen gedragen slappelingen wier emotionele leven zo mak en middelmatig
is, zo weinig uitgesproken richting of doel kent, dat het me niet verbaast
dat ze er vaak moedeloos van worden en soelaas gaan zoeken in een bevrijdende
kick. Ik geef toe dat deze indruk niet op concrete terreinkennis is
gebaseerd. Het past niet bij mijn imago om me langer dan nodig met jongens
in te laten, niet langer dus dan een betaalde nachtelijke geslachtsmassage
in het oranje halfduister van een parking langs de snelweg duurt. Maar
ik ben er zeker van dat het een juiste indruk is. Soms meen ik wel eens
in de blik van een jongen iets op te merken dat niet in het straatbeeld
past – een verborgen treurnis, de spiedende honger naar ultieme
vervulling – maar dat is dan meestal weer geen mooie jongen. Daarenboven
is geen van al die blikken ooit op mij gericht. Met mijn onbeduidend
postuur van kinloze, lelijke eend weet ik zo’n blik niet lang
genoeg te vangen om op mijn geheugen te laten inbranden. Nee, makkelijk
is het niet, en het gezicht van Johannes verandert dan ook voortdurend
van neus, van mond, van ogen en raakt nooit helemaal ingevuld.
Maar goed, de muziek gaat verder. De Romeinse
hoofdman wacht ogenschijnlijk ongeduldig af tot de dood zal intreden.
Hij kijkt op zijn horloge, het is al bijna drie uur en de zon brandt
daarboven op de heuvel. Maar in feite heeft zijn ongeduld betrekking
op dat luidruchtige tweetal, Johannes en Maria. Wat is hun tragedie
toch armzalig, vergeleken met het rijpe, mannelijke en ver reikende
gevoel van hem die deze executie leidt! Zij zijn hun geliefde dapper
tot aan zijn kruis gevolgd. Dat is mooi, dat is zelfs al heel wat, maar
verder raken ze niet. Nu vrezen ze dat het kruis het einde is. Ze weten
dat het het einde is, of toch het begin van het einde. Ze hadden zoveel
mooie gevoelens, maar nu ze het mooie voorwerp van al die mooie gevoelens
gaan kwijtspelen, worden ze gek van verdriet dat het afgelopen is met
hun mooie gevoelens. Vandaar al dat misbaar. Ze kunnen niet begrijpen
dat de mooiste gevoelens eigenlijk nog moeten komen.
De hoofdman heeft niet veel op met hun mooie
gevoelens. Hij kent dat soort liefde. In hun onnozelheid denken ze met
hun liefde recht te doen aan de schoonheid van de jongeman aan het kruis.
De hoofdman weet waaraan die liefde ontspruit. Ook hij heeft regelmatig
de behoefte om zijn bloed te laten kloppen in het lichaam van een ander,
om het bloed van een ander in zijn eigen lichaam te voelen kloppen.
Ook hij wil breken uit de grenzen van zijn fysieke eenzaamheid en langs
elke zinnelijke opening onbegrensd zwelgen in het leven. Nu hij ouder
is, voelt hij zelfs heel scherp aan dat de grenzen van die eenzaamheid
de voorafspiegeling zijn van de lijnen van de kist, de randen van de
groeve, de geslotenheid van het graf. Zijn begeerte heeft veel te maken
met angst die zich in de lust wil vergeten. Maar de kortstondige genoegens
en vergetelheid die de bevrediging van de lust hem biedt, wekken in
hem geen liefde op. Hij maakt er geen dweperige, verwarde emotionele
toestanden van. Hij betaalt voor de bevrediging van zijn lust liever
met geld dan met liefde. Zo handelt hij het zaakje proper af, zo bewaart
hij de orde, zo houdt hij de standaard hoog. Vroeger bediende hij zich
meestal van de vrouwelijke voor. Maar vrouwen neuken, dat kan uiteindelijk
iedereen. Om zich van het voetvolk te onderscheiden heeft hij zich intussen
gespecialiseerd in de spannende jongenskont. Je bent een hoofdman of
je bent het niet.
De schoonheid van de jongeman aan het kruis
doet in de hoofdman de hevigste lusten ontbranden. Den Bräutigam!
Maar het is goed dat het kruis de jongeman buiten het bereik van
zijn lusten houdt. Dat is zelfs uitstekend. Want dankzij deze constellatie
kunnen de lusten van de hoofdman zich ontwikkelen tot dat wat liefde
volgens hem behoort te zijn: een licht in de nacht van de ziel dat nergens
aankomt en door niemand wordt gezien. De liefde zal door de lust niet
worden uitgeput. In de wereld der tijdelijke genoegens geldt de liefde
die geen werkelijkheid kan worden als een treurige zaak. Maar hier wordt
de liefde die geen werkelijkheid wordt, muziek. Het is muziek voor de
minnaar die erkent dat het doel niet te bereiken is, die weet dat hij
voor altijd gescheiden zal blijven van wie hij werkelijk liefheeft.
Zijn liefde vindt geen huis, dat maakt haar juist zo groots. In deze
muziek viert de liefde haar overwinning op het leven. Dat begrijpen
die lammetjes in het stof daar natuurlijk niet. Zij denken dat deze
muziek er is om uiting te geven aan hun kleine verdriet. Hun geblaat
hangt hem verschrikkelijk de keel uit.
De Romeinse hoofdman stapt op de jonge volgeling
af, buigt zich over hem heen en pakt zijn kin vast tussen duim en wijsvinger.
Over het gezicht van de jongen ligt het oranje halfduister van een nachtelijke
parking langs de snelweg. ‘Wat is er met jou, snotterend hoopje
onbenul? Ben je bang dat je nu nooit meer zal kunnen pikje zuigen? Ga
maar naar de stad, daar is lul genoeg te krijgen. Hij is heus de enige
niet die je kontje kan kraken. Moet ik het je anders eens tonen, hè?
Moet ík je balletjes doen dansen? Zal ík eens stront komen
ruimen in je holletje? Of heb je liever een mondspoeling misschien?’
Hij gaat obsceen met zijn tong over zijn lippen
en duwt het gezicht van de jongeling ruw tegen zijn kruis, dat hij een
paar keren uitdagend naar voren stoot. Op de achtergrond hikken de huurlingen
van het lachen en slaan op hun dijen van dolle pret. Johannes veegt
zijn mond af, deinst verschrikt achteruit en snelt sidderend op handen
en voeten naar Maria. ‘Jaja, ga daar maar een beetje uithuilen.
Jullie zijn van hetzelfde laken een pak. En nu, wegwezen! Ju! Opkrassen!
Jullie hebben hier niks meer te zoeken! Jullie denken dat jullie bij
hem horen, hè? Jullie denken dat hij van jullie is! Maar hij
is van mij! Begrijp je! Helemaal van mij! Stelletje mangekke gleuven!’
Zo blaft de hoofdman hun vol verachting toe. Met dierlijke stomheid
geslagen staren ze de bruut als verlamd aan. Het zijn net opgezette
diertjes, bevroren in een houding van afschuw en verdriet. De hoofdman
vindt hen zo komisch dat hij op het punt staat in schaterlachen uit
te barsten. Maar hij houdt zich in. Het werk is nog niet af. Hij dumpt
een fluim in hun richting, haalt de schouders op en keert het tweetal
de rug toe. Zijn vulgaire en meedogenloze optreden heeft hem in de juiste
stemming gebracht voor wat komen moet. Door hun al te menselijke, al
te doorzichtige gevoelens te bruuskeren, heeft hij in zichzelf plaats
vrijgemaakt voor een minder alledaags gevoel. Het koor brengt zijn veelstemmige
boodschap met toenemende heftigheid. De muziek werkt zich naar de finale
toe.
De volmaaktheid heeft geen plaats onder de
mensen, zegt de muziek, de volmaaktheid kan geen mens onder de mensen
zijn. Om haar te eren moeten we haar boven de mensen stellen. Anders
halen we haar toch maar naar beneden, anders verlagen we haar tot ons
eigen niveau. Om volmaakt te blijven, moet zij sterven als zij in mensenhanden
valt. Laten we de volmaaktheid vermoorden voor we ons aan haar vergrijpen,
laten we deze mens tot de god maken die hij verdient te zijn. Dan pas
zullen we hem op gepaste wijze kunnen beminnen en verheerlijken.
Goed gesproken, denkt de hoofdman, maar het
zijn woorden die om daden vragen. De hoofdman loopt naar zijn soldaten
en pakt een van hen de speer uit handen. Hij gaat voor het kruis staan.
Seht! Wen? Den Bräutigam! Kom als een god in het hart
van een man! Wie? Als wie ein La-a-a-a-a-a-m! Op het lang aangehouden
slotakkoord steekt de hoofdman toe. Een laatste stuiptrekking vaart
door het machtige lichaam van de gekruisigde, met een finale knik valt
zijn bloedende hoofd voorover. Helemaal klaar. Daarna vaart een laatste
stuiptrekking door het machtige lichaam en valt het bloedende hoofd
met een finale knik voorover. Nogmaals klaar. En daarna nog eens. Om
me tot mijn volle bevrediging te kunnen verlustigen in alle details
van het ultieme spasme, moet ik de kortstondigheid ervan compenseren
met een tot driemaal toe herhaalde weergave. Drie keer scheurt de speer
door zijn vlees. Drie keer is het raak, vlak boven de heerlijke heup.
En dan ben ook ik klaar.
Ik spring op en zet de cd af. De fantasie van
die ochtend is van een uitzonderlijke kwaliteit geweest. De muziek is
voor honderd procent mentally remastered. Alle betekenis die
erin vervat ligt, heeft zich op een of andere manier gemanifesteerd,
als beeld, als gedachte, of als lichamelijk genot. Ik geef me over aan
het zalige, vermoeide gevoel meer gedaan te hebben dan iemand ooit zou
kunnen uitleggen. De liefde heeft getriomfeerd, onbezoedeld door de
gangbare praktijk. Het heeft me kippenvel bezorgd. Een tintelende lichtheid
neemt bezit van mijn leden, als na een langdurige fysieke inspanning.
En op mijn middenrif neemt een intens gevoel van ontlading, alsof ik
uren heb liggen wenen en nu definitief ben uitgesnikt, de vorm aan van
een krans kriebelende, koude vlammetjes, de kroon waarmee het goddelijke
slachtoffer van het menselijk tekort tot koning van mijn geheime, onbegrepen
bestaan wordt gemaakt.
Ik ga voor het raam staan. De ochtend laat
zijn bleke start met almaar stijgend enthousiasme achter zich. Ik wis
de tranen uit mijn ogen en slaak een zucht. Ik ben verkwikt, verjongd,
vernieuwd uit mijn fantasie gekomen. Je zou het een geweldsfantasie
kunnen noemen. Maar wat dan nog? De wereld zou een onwaarschijnlijk
vredig oord zijn als iedereen er in slaagt aan zijn geweldsfantasieën
zo’n bevredigende afloop te geven zonder er de anderen mee te
moeten lastigvallen. Wat een muziek! Beter dan voetbal! Beter dan oorlog!
Beter zelfs dan seks! Seks brengt me alleen maar orgasme na orgasme
dichter bij de rand van de fatale onlust. Het kost geld, het is uitputtend,
het is zelfs beschamend. En wat levert het op? Het geeft me geen kracht
of hoop, integendeel, het werkt de ontbinding in de hand. Elke seksuele
climax blijkt achteraf alleen maar het deprimerende vooruitzicht te
versterken dat mijn begeerte een vergeefse, doelloze zaak is, voorbestemd
om uit te monden in een onverschillig niets. Seks is toenemende entropie,
terwijl de muziek daarentegen mijn emotionele kosmos weer de levenskrachtige
strakheid geeft van twintig, dertig, misschien wel al veertig jaar geleden.
Maar waarom er een getal op plakken? Het is gewoon het mysterie van
de eeuwige jeugd dat zich in mij voltrekt, een ervaring die niet hoeft
te worden gedateerd en het tikken van de klok weerspreekt. Ík
hoef me geen zorgen te maken, ík heb van de toekomst eigenlijk
niets te vrezen, míj zal de tijd niet te pakken krijgen en leegzuigen,
ík zal blijven beschikken over al mijn emotionele vermogens –
al moet dat dan in het afgezonderde en ongeziene, in een andere wereld
die met de meer algemeen erkende in een betrekking staat van wederzijdse
exclusiviteit – zolang de muziek er maar is en ik haar betekenis
kan horen.
Wanneer het mysterie in mijn hart een beetje
is gekalmeerd, kijk ik op mijn horloge, stel geschrokken vast dat het
intussen de hoogste tijd is om te vertrekken, doe snel nog wat Tigerman
op en haast me mijn woonst uit, met de bus naar de metro, met de metro
naar de redactie, om daar uren van pierentrekkerij, rivaliteit, paringsdrift
en vitale waakzaamheid met opgewekt gemak het hoofd te bieden.
Ik besef dat ik heel wat te verbergen heb voor
de mensen, en zeker voor de lui hier op de redactie. Als ze wisten wat
ik allemaal te verbergen had, zouden ze me een monsterlijke hypocriet
vinden. Het zijn van die geëmancipeerde lieden die zich vrijgevochten
wanen in hun denken en hun doen. Zij kijken om zich heen met een zogenaamde
open geest. Niks moet, alles kan, is hun devies. Ze begrijpen niet dat
iemand er geheimen op na zou moeten houden, tenzij hij pedofiel of necrofiel
is. Voor het overige vinden ze dat alles ter sprake kan worden gebracht.
Als gevolg van zoveel ruimdenkendheid en openheid moeten ze in hun eigen
psychische huishouding wel de meest benepen orde handhaven. Hun geestelijk
welbevinden verdraagt immers geen verlangens die ze zouden moeten verheimelijken.
Ze willen niet geplaagd worden door ongeoorloofde gedachten. Als je
alles ter sprake wil kunnen brengen, mag je natuurlijk niet zitten broeden
op onbespreekbare obscuriteiten. Je kan niet vrijelijk uit de biecht
kakelen met een duivelsei onder je kont. Ze houden hun fantasie dan
ook deftig ingetoomd. Alleen de banaliteit kent geen duisternis. Al
bij al zijn ze niet zo interessant, die open geesten.
Dat Allah leeft, beheerst nu al geruime tijd
het wereldnieuws. Ook mijn collega’s zijn onder de indruk van
het vurige geweld en de bloedbaden waarmee hij zijn imago van fanatieke
krijgsgod opbouwt. Ruim de helft van de buitenlandpagina’s wordt
eraan gewijd. Maar dat ook Jezus leeft, dat ik hem vanochtend nog tot
leven heb gewekt door hem in mijn hart op het juiste moment en op de
juiste tonen ter dood te brengen, dat moet je hen niet proberen uit
te leggen. Dat is geen wereldnieuws. Dat zouden ze beschouwen als een
achterlijk, uit frustraties en waanvoorstellingen opgebouwd gewrocht.
Gelukkig heb ik niet de behoefte om hun wat
dan ook uit te leggen. Ik zoek bij hen niet naar begrip. Het contrast
met hun burgerlijke kwezelarij die hun verbiedt er onuitsprekelijke
fantasieën op na te houden, doet me maximaal genieten van mijn
hypocrisie. Het is misschien natuurlijk allemaal maar schijn. Wie weet
lopen ze hier rond met kerstballen in hun kut, lolstaven in hun gat,
en gierende schunnigheden in hun hoofd. Stel je voor! Je hoort soms
wel eens zeggen dat we allemaal te worstelen hebben met een innerlijk
monster. Maar het zou me eerlijk gezegd verbazen. Ik hoop in elk geval
van niet. Mocht ik er langs een of andere weg achterkomen dat er hier
een grotere hypocriet dan ik rondloopt, ik zou, ik weet niet wat, ik
zou jaloers worden. Ik heb liever dat ze net zo braaf zijn als ze zich
voordoen. Laat mij hier maar het monster zijn.
Een abonnement op de papieren versie van De Brakke hond kost slechts 32 euro. Klik hier voor een abonnement.
Nummer nabestellen? klik hier.
De Brakke Hond is geen tijdschrift voor hondenliefhebbers die zich interesseren voor hondenvoeding, hondenverzorging, puppies en hondenvakanties, het bevat 100% literatuur.
Schrijf u in op onze nieuwsbrief "Letters". Vul hier uw e-mailadres in: