Lente 2007

 

94


Vlaams Fonds

Home > Mooie Jonge Honden > Jef Aerts

Mooie Jonge Honden: Jef Aerts



Jef Aerts
- Een geheim van hout

Het was niets om ongerust over te zijn. Ze had hem een kort bericht gestuurd en gevraagd of hij diezelfde avond naar het bos wilde komen. Ze kenden daar een rustig plekje, een nestelholte tussen laag kaphout en struikgewas, waar ze ’s zomers wel eens heen fietsten om in open lucht te vrijen. Horst herin­nerde het zich meteen en dacht aan de zwoele geur van vochtige bladeren en het stimulerende prikken van kastanjebolsters tegen een bezwete rug. Wandelaars kwamen er niet en door de glooiing in het landschap was van de steedse drukte enkele kilo­meter verderop niets te merken. Hier had ze hem de eerste keer tussen haar dijen gesloten en hier was ze dat ook keer op keer blijven doen. Dit was hun hoek van het woud, een liefdesleger van takken, mos en frisse windjes. Tijd was hier on­belangrijk en het enige wat telde was de stilte, het ruisen van de ademhaling en het kloppend bloed van twee minzieke lichamen.
     Toch was er iets in haar woorden geweest dat hij niet meteen kon vatten. Een zachte dwang die het hem onmogelijk maakte niet aan haar vraag gehoor te geven. Ze wilde hem een laatste keer zien, had ze geschreven. Nog eenmaal wou ze tonen wie en hoe ze echt was, hem kleden met alles wat tot dan toe al dan niet bewust verzwegen was gebleven. Over wat er daarna zou gebeuren bleef ze in het ongewisse.
     Ze had hem altijd tevreden geleken met wat ze hadden. Waarom sprak ze dan van de laatste keer? Horst kon zich niet voorstellen dat ze ooit bij hem weg zou gaan. Ze hadden het goed samen. Hadden het altijd goed gehad. Nooit ruzie, nooit te veel van elkaar verlangd, noch te weinig. Misschien was het een spelletje, bedacht hij dan. Iets om de spanning op te drijven. Dat was het, daarom had ze hem naar hier, hun bed in het bos, laten komen: ze zouden elkaar liefhebben alsof het de laatste keer was. Neuken alsof hun zielenheil er van afhing.
     Hij liet zich langzaam in de bladeren zakken en voelde hoe de natte bodem vlekken maakte op zijn broek. Er hing een weeïge geur in de lucht, de klamme schimmelwalmen van een bos dat opdroogt na een lange periode van regens en koude. Die dag zat het weer alvast mee, eerder warm voor de meimaand en er was geen wolkje hoog in de lucht. Hij drukte zich zo hard mogelijk tegen de bemoste aarde aan. De wereld is een matras, dacht hij. En hij zou straks met haar de hele pla­neet beslapen. Hij sloot de ogen en luisterde. Er klonk een koe­­koek een eindje verder. Hij had nog nooit een koekoek tijdens het roepen kunnen betrappen. Daar zouden ze straks, na weer uit de wulpse roes te zijn gegleden, samen jacht op maken.
     Ze kwam graag in het woud en hield ervan om naar vogels, reeën en lagere dieren te speuren. Steeds opnieuw spelde hij haar al de namen die hij ooit in zijn geheugen had gecatalogeerd; steeds weer vergat ze even snel alle wetenschap die hij haar niet zonder trots wist op te sommen. Zij hield van het bos om het bos, had ze hem al lachend gezegd; hij hield van het bos omdat hij er zijn boekenwijsheid aan kon toetsen.
     Er kietelde wat op zijn benen. Zwarte kevers zochten zich een weg over zijn knieën naar hun schuilplaats aan de ande­re kant van de kuil. Hij rook de paardenmest aan hun poten, zag de resten stront als doffe bulten op de blauw glanzende schilden.
     Zo meteen zou ze komen. Het kon nu niet lang meer duren. Ze was tien minuten te laat en dat was hij niet van haar gewend. Nu, hij gaf er niet om; hij wist dat ze met wat volgen zou zijn wachten ruimschoots zou terugbetalen. Hij dacht alvast aan het wiegen van haar heupen wanneer ze haastig naar hun schuilplaats liep. Hij concentreerde zich op haar rechte rug, de ranke hals, het omfloerste hijgen en klakken van haar tong tegen de tanden, iedere keer ze oneffenheden op het bos­pad moest ontwijken. Haar billen stonden hem voor ogen, het sproetige vel op haar armen en de sensuele golving net boven de billen. Als ze zich even later over hem zou buigen, zou hij zijn hoofd tegen haar buik duwen en zijn tong diep in haar navelputje boren. Hij hield van haar malse vlees, niet dik, maar toch dik genoeg om er je vingers keer op keer in te laten verdwalen.
     Twee dagen eerder hadden ze nog in elkaar gekruld geslapen langs het water op het grasveld in het park. Of beter: zij was halverwege een gesprek ingedommeld en hij was blijven luisteren naar de geluiden van haar lichaam. Hij had zich vaak afgevraagd of alle vrouwenlichamen zo borrelden als ze neerlagen en werden gestreeld door warme handen. En was het iets van haar alleen om voor ze echt sliep eerst de tanden te laten knarsen en dan met een korte rilling het hoofd af te keren? Hij kon het zich niet herinneren. Sinds hij haar kende leken andere meisjes naast wie hij ooit had gelegen voorgoed uit zijn geheugen te zijn geschrapt. Het had allemaal zo weinig betekend in vergelijking met wat hij voor haar voelde. Ze hadden daar best uren tegen elkaar liggend kunnen blijven doezelen, het had hem niet gestoord. Hij deed niet liever dan zijn oor tegen haar borst te drukken en te luisteren naar het bruisen van haar bloed, het geklop in haar hartkamers, het ritselen van haar longen.
     Met haar had hij altijd geduld gehad. Met haar zou hij ook altijd geduld blijven hebben. Hij probeerde zich iets voor te stellen wat hij haar niet zou kunnen vergeven, mocht ze al in staat zijn iets verkeerds te doen.

Minuten gingen voorbij. Er gebeurde niets. Dan hoorde Horst gejaagde voetstappen zijn richting uitlopen. Het waren geen vrouwenvoeten, dacht hij. En zeker niet de hare; zij zweefde over de aardbol. Of neen, ze schreed voort. Voortschrijden, dat woord was voor haar ontworpen.
     Dit moest een heel wat forser lichaam zijn. Er verscheen bruusk een hoofd tussen de takken. Horst krabbelde overeind, trok zijn hemdje recht, voelde de kleffe stof op zijn rug. Het eerste wat hem opviel was dat in de bruine pieken haren die de schuilplaats waren binnengedrongen enkele spinnendraden kleefden. Een magere hand veegde de lokken uit een jongemansgezicht. Horst zag stijf op elkaar geklemde lippen, rood aangelopen wangen en fronsen in een hoog voorhoofd. De bezoeker moest al even erg geschrokken zijn als hijzelf. Horst voelde zich wat geïrriteerd omdat hij in de mentale voor­be­reiding van een ander samenzijn was gestoord. Het bos was vol van dit soort geheime plekjes, waarom moest hij net hier lastiggevallen worden? Tijd om het te vragen kreeg hij niet. De jongeling mompelde een flauwe verontschuldiging en trok zijn hoofd weer terug uit de opening. Even leek het of hij daad­werkelijk weg zou gaan. Dan hield het gekraak van de voet­stappen op. De rustverstoorder moest nu zo’n twintig me­ter van de schuilplaats verwijderd zijn.
     Het zou goed geweest zijn, mocht zij op dat moment zijn langsgekomen. Bij het zien van een vrouw zou de jongeman de hele situatie begrijpen, hij zou zich verontschuldigen en hen de privacy hebben gegund die je als vreemde als vanzelfsprekend in acht neemt bij het treffen van een liefdespaartje. Nu bleef hij in de buurt rondhangen. Horst hoorde het schuren van handen in broekzakken en dan het klikken van een aansteker. In tegenstelling tot wat hij verwachtte had de indringer niet gewoon even halt gehouden voor een vuurtje, maar bleef hij staan om verder te roken. Een nog grotere onbehaaglijkheid besloop Horst. Onverwacht bezoek maakt op zich niets uit, maar onverwacht bezoek dat langer talmt dan nodig is bij­zonder onaangenaam. Hij vond een lichtspleet tussen de tak­ken en zocht de bezoeker. Die leek zeker een jaar of tien jonger dan hijzelf, zelfs al zag hij van op deze afstand enkel de grove lijntekening van een gezicht.
     De jongeman had een zekere speelsheid die Horst zelf intussen was verleerd. Hij dacht aan hoe hij er een jaar of tien geleden had uitgezien. In die periode had hij haar leren ken­nen. Het leek een eeuwigheid geleden: zijn nog lange haren die over de schouders kabbelden, zijn altijd donkere kleren en de ziekelijke aandrang waarmee hij haar zijn voorliefde voor harde muziek had proberen aan te praten. Even leek hij iets van zichzelf in deze jongen te herkennen. Een kleine, on­noem­bare gelijkenis in hoe hij onwennig aan de neusvleugels pulkte of zichzelf ongemakkelijk over de jukbeenderen wreef. Maar dan zag hij alleen nog de verschillen.
     Horst had zich er intussen bij neergelegd dat hij zijn jeugdigheid aan het verliezen was. Het had lang geduurd voor hij het kleine aftakelen had aanvaard, maar gaandeweg was hij er rustiger onder geworden. Met haar aan zijn zijde wilde hij wel oud worden, dat had hij haar zo vaak in het oor gezoemd. En hij vond haar bovendien mooier worden met de jaren. Lange tijd was ze een lolita gebleven, met blinkend vel en kinderkijkers, smalle heupen en een kirrend lachje dat meisjesdromen verraadde. Nu de eerste grijze haren het haar rond de oren deden oplichten, had ze misschien aan naïeve schoonheid ver­loren, maar konden de meer geharde trekken hem des te meer bekoren. Het kinderlijke was aan het verdwijnen, maar de gratie die ervoor in de plaats kwam, wilde hij daar wat graag voor ruilen.
     Urenlang kon hij naar haar zitten gluren als ze sliep. Dan keek hij naar de fiere welving van haar lenden, de fijne barstjes rond de ogen, de kuiltjes in de wangen die nacht na nacht aan diepte wonnen. Hij had lang gedacht dat ze altijd het schichtige meisje zou blijven dat ze was toen hij haar had leren kennen. Intussen was hij gaan houden van de minuscule veranderingen die haar lichaam hadden aangetast. Hij was er bij geweest toen ze voor de eerste keer een oogarts had bezocht, omdat ze steeds meer moeite kreeg om in de auto de bewegwijzering te lezen. Hij was het die op een ochtend rond de hoeken van haar mond haarfijne kloofjes had aangetroffen. En hij was het die haar had geholpen bij het uitzoeken van een gepast dieet toen ze weer eens uitzinnig werd omdat haar vetlaagjes uit haar slipje puilden.
     De jongeling zag dat hij werd bekeken. Hij trok een laatste maal aan zijn sigaret, doofde haar en schoof haar vervolgens met een schoentip onder een stuk schors. Even leek hij te treu­­zelen, draaide wat onwennig rond en kwam dan in beweging. In plaats van verder weg te lopen, kwam hij opnieuw in de richting van de schuilplaats. Horst haastte zich om nu zelf als eerste in de doorgang te staan. Dit was zijn terrein. De jonge­man hield halt, kuchte, schudde even met het hoofd, wilde iets zeggen, maar zweeg.
     ‘Zoek je iets?’ beet Horst. Zijn stem klonk gebarsten. Hij herinnerde zich dat hij die dag nog met niemand had gesproken.
     ‘Ik had iemand anders verwacht,’ zei de jongen zichtbaar aangedaan.
     ‘Op deze plek?’
     ‘Een afspraak.’
     ‘Nu?’
     ‘Ben je hier al lang?’
     ‘Bijna een half uur.’
     ‘Heb je een meisje gezien?’
     ‘Niemand.’
     ‘Ik ben wat te laat, misschien is ze weer vertrokken.’
     ‘Dat zou kunnen.’
     ‘Maar een half uur, zeg je? Dan was je haar tegengekomen.’
     ‘Ben je zeker dat het hier was?’
     ‘Ja.’
     ‘Waar ik lag?’
     ‘In die kuil.’
     ‘Komen jullie hier dan vaker?’
     ‘Af en toe.’
     ‘Ik heb hier nooit iemand gezien.’
     ‘Jij komt hier ook?’
     ‘Als ik mag?’
     ‘Jawel.’
     ‘Maar niet alleen.’
     ‘Ik snap het.’
     ‘Ze is ook te laat.’
     ‘Tja, het blijft een nadeel van man te zijn: je moet steeds op vrouwen wachten.’
     De jongen lachte geënerveerd al zijn tanden bloot. Hij had een brede mond en zag er verzorgd uit. Hij houdt van het meisje, dacht Horst. Hij had zijn best gedaan om er goed uit te zien op hun afspraakje.
     De twee zeiden nu een hele tijd niets. Op een verloren stukje gras vlakbij de kuil zaten ze op enkele meter afstand van elkaar. Af en toe ontsnapte bij een van hen een indringende zucht, telkens wanneer een geluid in de verte voetstappen kon doen vermoeden maar naderhand niet meer bleek te zijn dan het geritsel van een konijn of een houtduif. De jongeling had gave handen, zag Horst en hij rook een zweem van ver­fijnd parfum. Hij had gelijk gehad: de bezoeker bleek inderdaad een flink stuk jonger dan hijzelf. Horst moest toegeven dat hij hem zeker niet onknap vond. Uit de hevigheid waarmee de ander aan zijn sigaret zoog sprak een tedere kracht die hem eigenlijk wel aanstond. Het was nog een mooie dag geworden en nu de warmte van de late middagzon ook door het bladerdek naar beneden viel, deden ze met een tussenpauze van een kwartiertje allebei hun schoenen uit.
     ‘Is ze knap?’ vroeg Horst dan maar om de stilte uit te drijven. De jongeman antwoordde niet meteen, bleef naar de eeltige bobbels op zijn tenen staren en wierp vervolgens een hand­vol bladeren over zijn voeten.
     ‘Hoe ziet ze eruit, je meisje?’
     ‘Waarom moet je dat weten?’
     ‘Ik ben nieuwsgierig van nature.’
     ‘Niet groot, niet klein, niet dik, niet dun.’
     ‘Dat zegt niet veel.’
     ‘Wat wil je dan horen?’
     ‘Wat maakt haar zo speciaal voor je?’
     ‘Wat is dat voor een vraag?’
     ‘Het is iets wat me bezighoudt: waarom een man bij de ene vrouw wil blijven en niet bij een andere. Ze moet toch ergens iets bijzonders hebben.’
     ‘Voor mij is ze bijzonder, ja.’
     ‘Wel dan?’
     ‘Misschien de manier waarop ze praat.’
     ‘Hoe is dat?’
     ‘Gewoon.’
     ‘Ah nee, dat kan niet.’
     ‘Ze praat in schokjes.’
     ‘In schokjes?’
     ‘Golfjes is misschien beter.’
     ‘Wat mag ik me daarbij voorstellen?’
     ‘Er zit een tremolo op haar stem.’
     ‘Ze bibbert.’
     ‘Nee, ze bibbert niet. Het is een soort fijne trilling.’
     ‘Ze trilt, oké, dat is al iets. Nog dingen?’
     ‘Ze danst ’s ochtends in de badkamer.’
     ‘Wonen jullie dan samen?’
     ‘Nee, nog niet.’
     ‘Maar je wil wel?’
     ‘Zij niet.’
     ‘Ach, zo. Ze blijft soms logeren.’
     ‘Af en toe.’
     De bezoeker had lange wimpers, zag Horst. Die gaven hem een zweem van treurigheid, een zekere broosheid ook. Het leek hem op het eerste gezicht een sympathieke knul. Misschien niet meteen het type waarmee hij zelf zou optrekken, als hij al met andere mannen zou optrekken, maar het was dan ook eigen aan vriendschap om met types geen rekening te houden. Dat had hij ooit bedacht: dat kameraden mensen waren die beantwoordden aan een aantal eigenschappen die je voor jezelf belangrijk of op zijn minst aangenaam vond, ter­wijl echte vrienden vaak net heel verschillend konden zijn. Maar dat gold natuurlijk ook voor kennissen, omdat je die niet zelf kon kiezen; ze kruisten veeleer toevallig je levensweg. Een vriendschap was dan weer niet iets toevalligs, van een vriend had je iets te leren – of zo had hij het toch altijd graag gezien. Daarom waren er ook zo weinig echte vrienden; het lot was zuinig met het uitdelen van geluk. Maar nu, misschien, als hij wat moeite zou doen? Het leek hem alvast geen toeval dat hij deze jongen net op deze plek had ontmoet.
     ‘Woont ze in de stad?’
     ‘Ja.’
     ‘Wat doet ze?’
     ‘Ze werkt voor een modebedrijf, zegt ze.’
     ‘Zegt ze?’
     ‘Dat doet ze.’
     ‘Is ze even oud als jij?’
     ‘Wat ouder, denk ik.’
     ‘Denk je?’
     ‘Ik heb het haar niet gevraagd.’
     ‘Dat is toch iets wat je meteen weet als je aan een relatie begint: hoe oud de ander is.’
     ‘Eigenlijk heeft ze het ooit laat in de nacht gezegd, maar ik ben het vergeten en durf het niet nog eens te vragen.’
     ‘Kijk op haar paspoort.’
     ‘Dat laat ze altijd op haar appartement liggen.’
     ‘Zoek het dan als je daar bent.’
     ‘Ik ben er nog niet geweest.’
     ‘Hoelang zijn jullie samen?’
     ‘Waar zijn al die vragen goed voor? Je kent haar niet.’
     ‘Nee, maar als ze zo meteen hier is, weet ik tenminste wie er voor me staat.’
     ‘En jij dan – ben je getrouwd?’
     ‘Zie ik er zo uit?’
     ‘Hoe oud is zij?’
     ‘Bijna geen meisje meer.’
     ‘Daar weet ik niets mee.’
     ‘Ze wordt langzaam vrouw. Ken je dat gevoel?’
     ‘Ik kan me er iets bij voorstellen.’
     ‘Heeft jouw meisje dat ook?’
     ‘Het is me nog niet opgevallen.’
     ‘Bekijk haar goed de volgende keer. Er is niets zo mooi als een meisje dat langzaam vrouw wordt.’
     ‘Hoe heet ze eigenlijk, je vriendin?’
     ‘Magda.’
     ‘O.’
     ‘Wat: o?’
     ‘Magda is een mooie naam.’
     ‘Voor een mooi meisje.’
     ‘Of een mooie vrouw. De mijne heet Lena.’
     ‘Ook niet mis.’
     ‘Magdalena voluit.’

Horst was ze al eerder tegengekomen, dit soort momenten waar­op alles in elkaar leek te passen. Een glashelder inzicht waar­­door de onoverzichtelijke hoop brokken die het leven was, weer in een geheel kon samenvallen. Wat hij dan precies voelde, durfde hij niet te benoemen. Het was een soort besef dat groter was dan hijzelf. Nu begreep hij waarom ze hem had gevraagd hierheen te komen. En meteen wist hij ook wie deze jongen was. Kleine leugentjes uit de voorbije maanden flitsten door zijn hoofd. Ze was inderdaad vaak weg geweest de laatste tijd en ze vertrok ook met graagte, iets waar ze het voor­heen altijd veel moeilijker mee had gehad. Spoorde ze hem daarom altijd zo aan om zijn sociale vaardigheden aan te spitsen en alle snoepreisjes te aanvaarden die hem voor zijn job werden aangeboden? En al die nieuwe kleren die ze kocht, deed ze dat voor hem of was die frêle lingerie iets wat deze jongen haar had ingegeven?
     Ze zou vandaag duidelijkheid scheppen over iets wat ze verborgen had gehouden, dat had ze geschreven. En het bos was een uitstekende plek om tot zulke inzichten te komen, dat wisten ze allebei. De uitgestrekte bomenrijen konden grillen en zorgen die in de stad onoverkomelijk leken, tot verteerbare proporties herleiden. Hier leek het heel natuurlijk en eigen aan de mens om het geluk steeds weer bij een ander te zoeken. De begeerte die hen zo vaak naar de onder takken verborgen kuil had gedreven, had Magdalena dus ook met deze jongeling gedeeld. Dit geheim van hout was niet langer aan hem alleen besteed.

De bezoeker rookte de ene sigaret na de andere, tot zijn pakje leeg was. Horst nam het hem uit handen en zette de vlam erin. Een groenige walm steeg op bij het verbranden. Ze waren allebei geschrokken van de plotselinge wending. Daarom besloten ze om hier samen te blijven wachten tot ze kwam. Ze wist dat ze hier waren; ze had er zelf voor gezorgd dat ze elkaar hier zouden ontmoeten, dus leek het hen erg onwaarschijnlijk dat ze niet zou opdagen. Voor haar was het een makkelijke oplossing geweest: haar twee mannen laten duelleren, terwijl ze zelf veilig en wel buiten schot bleef. Om dan naderhand even langs te kuieren om de schade op te meten.
     In normale omstandigheden zou Horst het wachten al lang hebben opgegeven. Na een uur zou hij weer huiswaarts zijn gekeerd. Hij zou somber gestemd zijn geweest, maar de oorzaak van het mislukken van de afspraak zou hij wel bij zichzelf hebben gelegd. Dat had hij altijd gedaan. Zij had in zijn ogen nooit een fout gemaakt. Altijd had hij geprobeerd om de oorzaak bij zichzelf te zoeken wanneer er strubbelingen of wre­vel de kop opstaken. Dat ze in hun jarenlange samenzijn nauwelijks ruzie hadden gemaakt, was dan ook voor een groot stuk daaraan te wijten: keer op keer had hij tijdig ingegrepen wanneer het toch dreigde te ontsporen. Keer op keer had hij zich verontschuldigd voor dingen die wellicht in haar eigen scheef­geslagen verlangens wortel hadden geschoten.
     Er viel hem een ruzietje van een week voordien te binnen. Het stelde nauwelijks iets voor, duurde niet langer dan tien mi­­nuten. Maar het bezorgde hem wel buikkrampen. Hij kwam een uur vroeger dan verwacht van zijn werk thuis, meer was er niet aan de hand. Haar verontwaardigde reactie verwonderde hem daarom erg. Ze was met niets bijzonders bezig, hij betrapte haar niet op ongewone handelingen. En toch voelde hij zich gedwongen om zich te verontschuldigen voor het feit dat hij te vroeg was teruggekeerd. Hij beloofde een volgende keer in de stad te blijven wachten als hij nog eens vroeger klaar was met werken. Of haar tenminste te verwittigen voor hij thuiskwam. Ze kon de gekste dingen van hem gedaan krijgen, begreep hij nu.
     Opnieuw keek Horst naar de jongen. Hoelang kenden die twee elkaar al? Zagen ze elkaar vaak? Eén keer per week of wie weet wel elke dag? Gingen ze met elkaar naar bed of zocht ze enkel een goed gesprek? Douchte ze zich tussen twee af­spraak­jes in? Pijpte ze hem en vond hij het leuk om haar te likken? Ze vond zijn eigen sperma altijd te zout, maar uit de lul van zo’n jongen, kwam daaruit niet veel zoeter spul gespoten? En waar deden ze het dan? Spraken ze af in zijn woonst in de stad of reden ze samen hierheen, naar deze prachtige plek in het bos, die hij altijd als een heiligdom van haar en hemzelf had geëerd? Misschien vond hij dat nog wel het ergste: dat ze iets dat zo intens van hen beiden was geweest, gedeeld had met een derde.
     Toch kon hij niet boos zijn op de jongen. Blijkbaar wist hij van niets. Voor zover Horst uit zijn woorden kon opmaken, besefte hij niet eens dat ze al een vriend had. Een modebedrijf, zei hij? Dat ze zo tegen hem durfde te liegen! Lena gaf les in de tweede graad van een middelbare school. Een mens kon veel verzinnen, maar dit wist hij wel zeker. Hij zat naast haar toen ze voor die post solliciteerde en hij had haar vaak genoeg ’s ochtends met de auto tot aan de poort gebracht.

Horst en de jongeling bleven zwijgen tot de duisternis inviel en de contouren van het woud in enkele tellen platsloeg.
     ‘Wat nu?’ vroeg de jongeling.
     ‘Als ik het wist.’
     ‘We kunnen naar huis gaan.’
     ‘Tellen welke spullen ze uit ons huis heeft meegegrist.’
     ‘Misschien is ze ziek.’
     ‘In haar hoofd, ja.’
     ‘Eergisteren zag ze al zo bleek.’
     ‘Heb je haar toen gezien?’
     ‘In het park.’
     ‘Aan de vijver?’
     ‘Het grasveldje.’
     ‘Dat ken ik maar al te goed.’
     ‘Ze komt er graag.’
     ‘Romantiek ten top.’
     ‘Er kan wat met haar gebeurd zijn.’
     ‘Dan had ik het geweten.’
     ‘Blijkbaar wist je niet alles.’
     ‘Wrijf het er nog eens in.’
     ‘En ze heeft al zwakke longen.’
     ‘Niets van.’
     ‘Daarom is ze toch gestopt met roken?’
     ‘Ze rookt als een bezetene.’
     ‘Ik heb het haar nooit zien doen.’
     ‘Dan is ze parttime gestopt.’

Het leek Horst een akelige gedachte dat ze twee mannen tegelijkertijd bedroog. Tegen de ene moeten liegen omdat ze de andere wilde zien en omgekeerd – geen wonder dat het onhoudbaar was geworden. Horst vroeg zich af of hij deze jongeling dan toch nooit eerder had ontmoet, al was het toevallig, een vluchtig contact op een dronken feestje of tussen een hoop geëxciteerde genodigden. Hij kon niets bedenken. Ze had de beide levens met haar mannen rimpelloos van elkaar gescheiden weten te houden. Op de bezoekjes aan dit struweel na dan. De magie van deze plek was blijkbaar groot genoeg om meerdere harten te smeren.
     ‘Heeft ze je nooit over mij verteld?’
     De jongen draaide zijn hoofd en zwaaide het ontkennend heen en weer, terwijl hij ondertussen ook nog eens zuchtte en zijn schouders ophaalde. Hij was overrompeld door de situatie.
     ‘Ze heeft nooit veel over zichzelf gezegd.’
     ‘Je ziet haar graag, hé?’
     ‘Ja,’ zei de jongen. ‘Ja.’
     En Horst wist dat het waar was.

Ze bleven in het bos. Toen het begon te regenen, eerst hier en daar een minuscuul druppeltje, dan steeds heviger in dikke geuten totdat ook de loofbomen geen bescherming meer boden, trokken ze hun schoenen weer aan en kropen naast elkaar in de kuil. Het dichte struikgewas en de jonge kastanje- en elzenloten konden het meeste vocht buiten houden. De kuil was net groot genoeg voor de twee mannen om op hun rug naast elkaar te liggen. Horst durfde zich nauwelijks te verroeren. De helling van de kuil deed hem tegen de jongen aanrollen. Daar, in het beklemmende donker concentreerde hij zich op de ademhaling van zijn rivaal en hij wist dat deze hetzelfde deed, net zoals ze dat allebei zo vaak bij hun beider geliefde hadden gedaan. Doorheen het gekletter van de vette droppen rondom kon hij horen dat de jongen lichtjes reutelde, als een ziek dier, net voor de koorts echt doorbrak.
     Zou de jongen zichzelf ook als haar vriend beschouwen en hem als een affaire? Horst durfde het niet te vragen. Hij kreeg het er koud van. Dit had hij niet verdiend. Of toch niet op deze manier, zo laf en respectloos. Hij had haar nooit kwaad gedaan. En dan? Hij wist dat hij haar ook dit zou vergeven.
     ‘Slaap je?’ vroeg de jongen na een tijdje.
     ‘Hoe zou ik hier kunnen slapen?’
     ‘Zij heeft nu twee bedden vrij,’ zei de jongen en daar moesten ze in alle ellende toch nog even om gniffelen.
     ‘Ze zei me dat het de laatste keer zou zijn, vandaag.’ Horsts schouders jeukten, maar hij probeerde het te vergeten om het klamme vlees naast hem niet aan te moeten raken. ‘Ze heeft niet gelogen.’
     ‘Nee,’ zei de jongen. ‘Deze keer heeft ze niet gelogen.’
     ‘Wat heeft ze jou gezegd?’
     ‘Dat ze naar me verlangde.’
     ‘Meer niet?’
     ‘Dat ze me in het bos bij zich wilde.’
     ‘En niets van de laatste keer?’
     ‘Wat bedoel je?’
     ‘Ze verlangde naar jou en wilde mij een laatste keer wat vertellen. Jij hebt dus gewonnen. Zo staan de zaken.’
     #145;We hebben allemaal verloren.’
     ‘Verdomme toch.’
     Horst had zin om ergens tegenaan te schoppen. Hij kon kiezen tussen de jongen of de takken die hen droog hielden. Hij hield zich in.
     ‘Het spijt me.’
     ‘Ach, wat – het is niet jouw schuld. Maar let op: volgende keer ben jij aan de beurt.’
     ‘Er komt geen volgende keer.’
     ‘Wacht tot je haar ziet. Ze laat je zo weer smelten.’
     Even flitste het Horst voor de ogen: hij en Magdalena in elkaar verstrengeld in deze kuil, terwijl de jongen een eindje verder stond te roken, wachtend tot ze klaar waren en zij zonder blozen aan diens hand weer het bos zou uit paraderen.
     ‘Dit was de laatste keer,’ zei de jongen.
     ‘Dit was geen keer.’
     ‘Ik blijf hier wachten. Als ze nog een greintje om me geeft, moet ze komen.’
     ‘Of om mij.’
     ‘Tja. Als ze komt, zullen we niet weten voor wie ze komt.’
     ‘Ze verlangde naar jou,’ zei Horst toen half troostend, half uit onmacht. ‘Voor mij is het allemaal voorbij.’

In wisselende posities lagen ze de nacht uit, eerst zij aan zij, dan ruggelings met de gezichten van elkaar weggedraaid. De jongeling viel als eerste in slaap en hield Horst met kleine spas­tische trekjes van zijn ledematen voortdurend wakker. Af en toe kreunde hij getergd en trapte daarbij Horst tegen de kuiten. Pas wanneer het eerste zonlicht in dunne vlokken langs het gebladerte streek, dommelde ook Horst even in.
     Hij had een korte droom gehad, besefte hij toen hij weer wakker werd. Hij en Magdalena stonden aan het raam in zijn appartement. In plaats van over de grauwe vacht van de stad, keken ze uit over onmetelijke velden en open land. Hij herinnerde zich hoe boven op de gordijnkast een koppel duiven nestelde. Als hij goed luisterde, hoorde hij hun platte jongen piepen. Dan voelde hij dat er nog iemand in de ruimte aanwezig was, maar hij kon niemand zien. Hij wilde zijn arm rond haar spannen, haar tegen zich aan trekken, maar greep door haar lenden heen. Zijn handen graaiden naar haar hoofd, zijn vingers wilden zich door haar loshangende haren roeren, maar er was geen hoofd en er waren geen haren die weerstand boden. Hij opende zijn mond. Hij slikte. Hij wilde wat zeggen. Hij zei wat, maar zij had geen oren naar de onbestemde klanken die van tussen zijn lippen op de houten vloer kapot vielen. Ze zag hem niet, net zoals hij niets zag van die andere onbekende wiens aanwezigheid de ruimte vulde. Dan veranderden de velden beneden in een boomgaard, de boomgaard werd een bos, het bos werd opnieuw een stad en zij werden het nestje piepers die nu vanuit de dakgoot hun dunne stront vrijelijk spoten op al wat nog wit en onschuldig was.
     Hij draaide zich een halve slag om. Het lichaam van de jongen naast hem was bedekt met duimdikke kevers. Hun mestpoten hadden grillige schilderingen gemaakt op zijn kleren, zijn handen, zijn hals. Dan zag Horst hoe de dieren ook hemzelf hadden bekliederd. Hij richtte zich op en pulkte het zwarte ongedierte van zijn lichaam. Zijn vingers werden kleverig van de viezigheid op hun schilden. De jongen sperde zijn mond open, rekte zich uit en steunde op zijn ellebogen. Toen hij de kevers zag, sprong hij recht, wrikte zich doorheen de takken een weg naar buiten. Als een faun danste hij rond in de nevelslierten die zo vroeg in de ochtend uitwaaierden tussen de bo­men. Om zijn vingers niet te bevuilen, zocht hij dode bladeren, rukte daarmee de beestjes los en wierp ze dan zo ver mo­ge­lijk tegen een stam te pletter. Horst telde twintig kevers op zijn lijf; de jongen hield het op een veertigtal. Met wat bedauwd gras wreven ze de ontblote delen van hun lichaam schoon.
     ‘Het hadden ook bloedzuigers kunnen zijn,’ grapte de jongen.
     ‘Ja,’ zei Horst. ‘Of kussen van Magdalena.’
     Daarop overviel de zwaarte van de avond voordien hen weer. Ze was niet gekomen zoals ze hadden gehoopt. Ze had hen hier in de regen laten verkleumen tussen het gekrioel van ongedierte en heen en weer zwiepende gedachtestromen. De jongen begon zich nu ernstig zorgen om haar te maken; Horst kon haar intussen wel vervloeken. Ze had hen beiden op het hart getrapt en dat zouden ze haar ferm aan haar neus wrijven als ze haar vonden. Zoiets bedisselden ze terwijl ze hun tongen krulden om wat van het regenwater op te vangen dat langs de bladeren naar beneden droop. In de verte, waar het woud en de stad elkaar al eeuwenlang bekampten, scheurde een ambulance de vliezige stilte open.
     ‘Het is haar teveel geworden,’ prevelde de jongen.
     ‘Ze ligt vast in je bed op je te wachten,’ zei Horst. ‘Straks bekruipt ze je, wees gerust.’
     ‘Wat moeten we nu doen?’
     ‘Ik ga naar huis en ruim alles op. Ik haat het om te treuren over dingen die voorbij zijn.’
     ‘Zal ik haar bellen? Ik spies haar in de kop wat ik er van denk.’
     ‘Doe haar mijn groeten.’
     ‘Als je wilt.’
     ‘Of neem bloemen mee van mij. Een afscheid met bloemen komt veel harder aan dan eentje dat in ruzie wordt beklonken. Weet je wat: koop champagne en drink op mijn gezondheid.’
     ‘Meteen ook aardbeien erbij?’
     ‘Niet zo cynisch.’
     ‘Alsof aardbeien cynischer zijn dan bloemen.’
     ‘Ze is allergisch aan aardbeien, dat weet je best.’
     ‘Daar weet ik niets van.’
     ‘Eén zo’n vrucht en ze kotst de tafel vol.’
     ‘Ze vreet aardbeien met bakjes tegelijk.’
     ‘Eén bakje en ze ligt onder de grond.’
     ‘Eén bakje en ze wordt zo geil als boter.’
     ‘Dat is onmogelijk.’
     ‘En toch is het zo.’
     ‘Ze kan er niet tegen. Punt.’
     Horst sperde zijn longen open, zoog het bos naar binnen, ademde diep in en uit, werd duizelig, wankelde tegen een boom aan en bleef daar even tegen aanleunen. Magdalena at geen aardbeien, dat wist hij zeker. Even zeker als hij was van de zilte geur net voor haar tranen opwelden, de snelheid waar­mee haar teennagels groeiden of de kleine hoeveelheid zon die nodig was om haar tere huid rood te blakeren. Daarover kon ze hem niets wijsmaken, dat waren van die lichamelijke feitjes die haar voor hem bijzonder hadden gemaakt. Dat waren kleine dingen die Magdalena de vrouw lieten zijn die hij al die tijd had bemind.
     Had hij haar berichtje verkeerd begrepen? Misschien was het weer eens zijn eigen schuld. Misschien had ze hem nooit op dat moment op deze plek willen zien. Had hij zich van dag vergist? Hij wist niet meer wat zich te herinneren en voelde dat liegen en zich vergissen meer van hetzelfde waren. Hij moest naar huis; stel dat ze daar toch op hem zat te wachten? Hij schaamde zich dat hij zich zo tegenover de jongen had aangesteld. Ook hij moest zich misrekend hebben. Of was hij wel degelijk in de steek gelaten? Zijn meisje had hem gezegd dat ze naar hem verlangde – verschool zich in zo’n berichtje niet noodzakelijkerwijze de eerste aanzet tot een afscheid?
     Horst wist het niet meer. Het kon hem ook niets meer schelen. Hij liet de boom los, zoog zich nog eenmaal vol met de dampen van het bos en zette het dan op een lopen.

 


abonneren

Een abonnement op de papieren versie van De Brakke hond kost slechts 32 euro. Klik hier voor een abonnement.

Nummer nabestellen? klik hier.

boekenlinks

Proxis
boekenbank
DBNL

Over De Brakke Hond

De Brakke Hond is geen tijdschrift voor hondenliefhebbers die zich interesseren voor hondenvoeding, hondenverzorging, puppies en hondenvakanties, het bevat 100% literatuur.


nieuwsbrief

Schrijf u in op onze nieuwsbrief "Letters". Vul hier uw e-mailadres in:


AanmeldenAfmelden


Powered by YourMailinglistProvider.com





design: wwww.mixette.com