| |
|
Jef Aerts - Een geheim van hout
Het was niets om ongerust over te zijn. Ze had hem een kort bericht
gestuurd en gevraagd of hij diezelfde avond naar het bos wilde komen.
Ze kenden daar een rustig plekje, een nestelholte tussen laag kaphout
en struikgewas, waar ze s zomers wel eens heen fietsten om in
open lucht te vrijen. Horst herinnerde het zich meteen en dacht aan
de zwoele geur van vochtige bladeren en het stimulerende prikken van
kastanjebolsters tegen een bezwete rug. Wandelaars kwamen er niet en
door de glooiing in het landschap was van de steedse drukte enkele kilometer
verderop niets te merken. Hier had ze hem de eerste keer tussen haar
dijen gesloten en hier was ze dat ook keer op keer blijven doen. Dit
was hun hoek van het woud, een liefdesleger van takken, mos en frisse
windjes. Tijd was hier onbelangrijk en het enige wat telde was de stilte,
het ruisen van de ademhaling en het kloppend bloed van twee minzieke
lichamen.
Toch was er iets in haar woorden geweest dat
hij niet meteen kon vatten. Een zachte dwang die het hem onmogelijk
maakte niet aan haar vraag gehoor te geven. Ze wilde hem een laatste
keer zien, had ze geschreven. Nog eenmaal wou ze tonen wie en hoe ze
echt was, hem kleden met alles wat tot dan toe al dan niet bewust verzwegen
was gebleven. Over wat er daarna zou gebeuren bleef ze in het ongewisse.
Ze had hem altijd tevreden geleken met wat
ze hadden. Waarom sprak ze dan van de laatste keer? Horst kon zich niet
voorstellen dat ze ooit bij hem weg zou gaan. Ze hadden het goed samen.
Hadden het altijd goed gehad. Nooit ruzie, nooit te veel van elkaar
verlangd, noch te weinig. Misschien was het een spelletje, bedacht hij
dan. Iets om de spanning op te drijven. Dat was het, daarom had ze hem
naar hier, hun bed in het bos, laten komen: ze zouden elkaar liefhebben
alsof het de laatste keer was. Neuken alsof hun zielenheil er van afhing.
Hij liet zich langzaam in de bladeren zakken
en voelde hoe de natte bodem vlekken maakte op zijn broek. Er hing een
weeïge geur in de lucht, de klamme schimmelwalmen van een bos dat opdroogt
na een lange periode van regens en koude. Die dag zat het weer alvast
mee, eerder warm voor de meimaand en er was geen wolkje hoog in de lucht.
Hij drukte zich zo hard mogelijk tegen de bemoste aarde aan. De wereld
is een matras, dacht hij. En hij zou straks met haar de hele planeet
beslapen. Hij sloot de ogen en luisterde. Er klonk een koekoek een
eindje verder. Hij had nog nooit een koekoek tijdens het roepen kunnen
betrappen. Daar zouden ze straks, na weer uit de wulpse roes te zijn
gegleden, samen jacht op maken.
Ze kwam graag in het woud en hield ervan om
naar vogels, reeën en lagere dieren te speuren. Steeds opnieuw spelde
hij haar al de namen die hij ooit in zijn geheugen had gecatalogeerd;
steeds weer vergat ze even snel alle wetenschap die hij haar niet zonder
trots wist op te sommen. Zij hield van het bos om het bos, had ze hem
al lachend gezegd; hij hield van het bos omdat hij er zijn boekenwijsheid
aan kon toetsen.
Er kietelde wat op zijn benen. Zwarte kevers
zochten zich een weg over zijn knieën naar hun schuilplaats aan de andere
kant van de kuil. Hij rook de paardenmest aan hun poten, zag de resten
stront als doffe bulten op de blauw glanzende schilden.
Zo meteen zou ze komen. Het kon nu niet lang
meer duren. Ze was tien minuten te laat en dat was hij niet van haar
gewend. Nu, hij gaf er niet om; hij wist dat ze met wat volgen zou zijn
wachten ruimschoots zou terugbetalen. Hij dacht alvast aan het wiegen
van haar heupen wanneer ze haastig naar hun schuilplaats liep. Hij concentreerde
zich op haar rechte rug, de ranke hals, het omfloerste hijgen en klakken
van haar tong tegen de tanden, iedere keer ze oneffenheden op het bospad
moest ontwijken. Haar billen stonden hem voor ogen, het sproetige vel
op haar armen en de sensuele golving net boven de billen. Als ze zich
even later over hem zou buigen, zou hij zijn hoofd tegen haar buik duwen
en zijn tong diep in haar navelputje boren. Hij hield van haar malse
vlees, niet dik, maar toch dik genoeg om er je vingers keer op keer
in te laten verdwalen.
Twee dagen eerder hadden ze nog in elkaar gekruld
geslapen langs het water op het grasveld in het park. Of beter: zij
was halverwege een gesprek ingedommeld en hij was blijven luisteren
naar de geluiden van haar lichaam. Hij had zich vaak afgevraagd of alle
vrouwenlichamen zo borrelden als ze neerlagen en werden gestreeld door
warme handen. En was het iets van haar alleen om voor ze echt sliep
eerst de tanden te laten knarsen en dan met een korte rilling het hoofd
af te keren? Hij kon het zich niet herinneren. Sinds hij haar kende
leken andere meisjes naast wie hij ooit had gelegen voorgoed uit zijn
geheugen te zijn geschrapt. Het had allemaal zo weinig betekend in vergelijking
met wat hij voor haar voelde. Ze hadden daar best uren tegen elkaar
liggend kunnen blijven doezelen, het had hem niet gestoord. Hij deed
niet liever dan zijn oor tegen haar borst te drukken en te luisteren
naar het bruisen van haar bloed, het geklop in haar hartkamers, het
ritselen van haar longen.
Met haar had hij altijd geduld gehad. Met haar
zou hij ook altijd geduld blijven hebben. Hij probeerde zich iets voor
te stellen wat hij haar niet zou kunnen vergeven, mocht ze al in staat
zijn iets verkeerds te doen.
Minuten gingen voorbij. Er gebeurde niets. Dan hoorde Horst gejaagde
voetstappen zijn richting uitlopen. Het waren geen vrouwenvoeten, dacht
hij. En zeker niet de hare; zij zweefde over de aardbol. Of neen, ze
schreed voort. Voortschrijden, dat woord was voor haar ontworpen.
Dit moest een heel wat forser lichaam zijn.
Er verscheen bruusk een hoofd tussen de takken. Horst krabbelde overeind,
trok zijn hemdje recht, voelde de kleffe stof op zijn rug. Het eerste
wat hem opviel was dat in de bruine pieken haren die de schuilplaats
waren binnengedrongen enkele spinnendraden kleefden. Een magere hand
veegde de lokken uit een jongemansgezicht. Horst zag stijf op elkaar
geklemde lippen, rood aangelopen wangen en fronsen in een hoog voorhoofd.
De bezoeker moest al even erg geschrokken zijn als hijzelf. Horst voelde
zich wat geïrriteerd omdat hij in de mentale voorbereiding van een
ander samenzijn was gestoord. Het bos was vol van dit soort geheime
plekjes, waarom moest hij net hier lastiggevallen worden? Tijd om het
te vragen kreeg hij niet. De jongeling mompelde een flauwe verontschuldiging
en trok zijn hoofd weer terug uit de opening. Even leek het of hij daadwerkelijk
weg zou gaan. Dan hield het gekraak van de voetstappen op. De rustverstoorder
moest nu zon twintig meter van de schuilplaats verwijderd zijn.
Het zou goed geweest zijn, mocht zij op dat
moment zijn langsgekomen. Bij het zien van een vrouw zou de jongeman
de hele situatie begrijpen, hij zou zich verontschuldigen en hen de
privacy hebben gegund die je als vreemde als vanzelfsprekend in acht
neemt bij het treffen van een liefdespaartje. Nu bleef hij in de buurt
rondhangen. Horst hoorde het schuren van handen in broekzakken en dan
het klikken van een aansteker. In tegenstelling tot wat hij verwachtte
had de indringer niet gewoon even halt gehouden voor een vuurtje, maar
bleef hij staan om verder te roken. Een nog grotere onbehaaglijkheid
besloop Horst. Onverwacht bezoek maakt op zich niets uit, maar onverwacht
bezoek dat langer talmt dan nodig is bijzonder onaangenaam. Hij vond
een lichtspleet tussen de takken en zocht de bezoeker. Die leek zeker
een jaar of tien jonger dan hijzelf, zelfs al zag hij van op deze afstand
enkel de grove lijntekening van een gezicht.
De jongeman had een zekere speelsheid die Horst
zelf intussen was verleerd. Hij dacht aan hoe hij er een jaar of tien
geleden had uitgezien. In die periode had hij haar leren kennen. Het
leek een eeuwigheid geleden: zijn nog lange haren die over de schouders
kabbelden, zijn altijd donkere kleren en de ziekelijke aandrang waarmee
hij haar zijn voorliefde voor harde muziek had proberen aan te praten.
Even leek hij iets van zichzelf in deze jongen te herkennen. Een kleine,
onnoembare gelijkenis in hoe hij onwennig aan de neusvleugels pulkte
of zichzelf ongemakkelijk over de jukbeenderen wreef. Maar dan zag hij
alleen nog de verschillen.
Horst had zich er intussen bij neergelegd dat
hij zijn jeugdigheid aan het verliezen was. Het had lang geduurd voor
hij het kleine aftakelen had aanvaard, maar gaandeweg was hij er rustiger
onder geworden. Met haar aan zijn zijde wilde hij wel oud worden, dat
had hij haar zo vaak in het oor gezoemd. En hij vond haar bovendien
mooier worden met de jaren. Lange tijd was ze een lolita gebleven, met
blinkend vel en kinderkijkers, smalle heupen en een kirrend lachje dat
meisjesdromen verraadde. Nu de eerste grijze haren het haar rond de
oren deden oplichten, had ze misschien aan naïeve schoonheid verloren,
maar konden de meer geharde trekken hem des te meer bekoren. Het kinderlijke
was aan het verdwijnen, maar de gratie die ervoor in de plaats kwam,
wilde hij daar wat graag voor ruilen.
Urenlang kon hij naar haar zitten gluren als
ze sliep. Dan keek hij naar de fiere welving van haar lenden, de fijne
barstjes rond de ogen, de kuiltjes in de wangen die nacht na nacht aan
diepte wonnen. Hij had lang gedacht dat ze altijd het schichtige meisje
zou blijven dat ze was toen hij haar had leren kennen. Intussen was
hij gaan houden van de minuscule veranderingen die haar lichaam hadden
aangetast. Hij was er bij geweest toen ze voor de eerste keer een oogarts
had bezocht, omdat ze steeds meer moeite kreeg om in de auto de bewegwijzering
te lezen. Hij was het die op een ochtend rond de hoeken van haar mond
haarfijne kloofjes had aangetroffen. En hij was het die haar had geholpen
bij het uitzoeken van een gepast dieet toen ze weer eens uitzinnig werd
omdat haar vetlaagjes uit haar slipje puilden.
De jongeling zag dat hij werd bekeken. Hij
trok een laatste maal aan zijn sigaret, doofde haar en schoof haar vervolgens
met een schoentip onder een stuk schors. Even leek hij te treuzelen,
draaide wat onwennig rond en kwam dan in beweging. In plaats van verder
weg te lopen, kwam hij opnieuw in de richting van de schuilplaats. Horst
haastte zich om nu zelf als eerste in de doorgang te staan. Dit was
zijn terrein. De jongeman hield halt, kuchte, schudde even met het
hoofd, wilde iets zeggen, maar zweeg.
Zoek je iets? beet Horst. Zijn
stem klonk gebarsten. Hij herinnerde zich dat hij die dag nog met niemand
had gesproken.
Ik had iemand anders verwacht,
zei de jongen zichtbaar aangedaan.
Op deze plek?
Een afspraak.
Nu?
Ben je hier al lang?
Bijna een half uur.
Heb je een meisje gezien?
Niemand.
Ik ben wat te laat, misschien is ze weer
vertrokken.
Dat zou kunnen.
Maar een half uur, zeg je? Dan was je
haar tegengekomen.
Ben je zeker dat het hier was?
Ja.
Waar ik lag?
In die kuil.
Komen jullie hier dan vaker?
Af en toe.
Ik heb hier nooit iemand gezien.
Jij komt hier ook?
Als ik mag?
Jawel.
Maar niet alleen.
Ik snap het.
Ze is ook te laat.
Tja, het blijft een nadeel van man te
zijn: je moet steeds op vrouwen wachten.
De jongen lachte geënerveerd al zijn tanden
bloot. Hij had een brede mond en zag er verzorgd uit. Hij houdt van
het meisje, dacht Horst. Hij had zijn best gedaan om er goed uit te
zien op hun afspraakje.
De twee zeiden nu een hele tijd niets. Op een
verloren stukje gras vlakbij de kuil zaten ze op enkele meter afstand
van elkaar. Af en toe ontsnapte bij een van hen een indringende zucht,
telkens wanneer een geluid in de verte voetstappen kon doen vermoeden
maar naderhand niet meer bleek te zijn dan het geritsel van een konijn
of een houtduif. De jongeling had gave handen, zag Horst en hij rook
een zweem van verfijnd parfum. Hij had gelijk gehad: de bezoeker bleek
inderdaad een flink stuk jonger dan hijzelf. Horst moest toegeven dat
hij hem zeker niet onknap vond. Uit de hevigheid waarmee de ander aan
zijn sigaret zoog sprak een tedere kracht die hem eigenlijk wel aanstond.
Het was nog een mooie dag geworden en nu de warmte van de late middagzon
ook door het bladerdek naar beneden viel, deden ze met een tussenpauze
van een kwartiertje allebei hun schoenen uit.
Is ze knap? vroeg Horst dan maar
om de stilte uit te drijven. De jongeman antwoordde niet meteen, bleef
naar de eeltige bobbels op zijn tenen staren en wierp vervolgens een
handvol bladeren over zijn voeten.
Hoe ziet ze eruit, je meisje?
Waarom moet je dat weten?
Ik ben nieuwsgierig van nature.
Niet groot, niet klein, niet dik, niet
dun.
Dat zegt niet veel.
Wat wil je dan horen?
Wat maakt haar zo speciaal voor je?
Wat is dat voor een vraag?
Het is iets wat me bezighoudt: waarom
een man bij de ene vrouw wil blijven en niet bij een andere. Ze moet
toch ergens iets bijzonders hebben.
Voor mij is ze bijzonder, ja.
Wel dan?
Misschien de manier waarop ze praat.
Hoe is dat?
Gewoon.
Ah nee, dat kan niet.
Ze praat in schokjes.
In schokjes?
Golfjes is misschien beter.
Wat mag ik me daarbij voorstellen?
Er zit een tremolo op haar stem.
Ze bibbert.
Nee, ze bibbert niet. Het is een soort
fijne trilling.
Ze trilt, oké, dat is al iets. Nog dingen?
Ze danst s ochtends in de badkamer.
Wonen jullie dan samen?
Nee, nog niet.
Maar je wil wel?
Zij niet.
Ach, zo. Ze blijft soms logeren.
Af en toe.
De bezoeker had lange wimpers, zag Horst. Die
gaven hem een zweem van treurigheid, een zekere broosheid ook. Het leek
hem op het eerste gezicht een sympathieke knul. Misschien niet meteen
het type waarmee hij zelf zou optrekken, als hij al met andere mannen
zou optrekken, maar het was dan ook eigen aan vriendschap om met types
geen rekening te houden. Dat had hij ooit bedacht: dat kameraden mensen
waren die beantwoordden aan een aantal eigenschappen die je voor jezelf
belangrijk of op zijn minst aangenaam vond, terwijl echte vrienden
vaak net heel verschillend konden zijn. Maar dat gold natuurlijk ook
voor kennissen, omdat je die niet zelf kon kiezen; ze kruisten veeleer
toevallig je levensweg. Een vriendschap was dan weer niet iets toevalligs,
van een vriend had je iets te leren of zo had hij het toch altijd
graag gezien. Daarom waren er ook zo weinig echte vrienden; het lot
was zuinig met het uitdelen van geluk. Maar nu, misschien, als hij wat
moeite zou doen? Het leek hem alvast geen toeval dat hij deze jongen
net op deze plek had ontmoet.
Woont ze in de stad?
Ja.
Wat doet ze?
Ze werkt voor een modebedrijf, zegt ze.
Zegt ze?
Dat doet ze.
Is ze even oud als jij?
Wat ouder, denk ik.
Denk je?
Ik heb het haar niet gevraagd.
Dat is toch iets wat je meteen weet als
je aan een relatie begint: hoe oud de ander is.
Eigenlijk heeft ze het ooit laat in de
nacht gezegd, maar ik ben het vergeten en durf het niet nog eens te
vragen.
Kijk op haar paspoort.
Dat laat ze altijd op haar appartement
liggen.
Zoek het dan als je daar bent.
Ik ben er nog niet geweest.
Hoelang zijn jullie samen?
Waar zijn al die vragen goed voor? Je
kent haar niet.
Nee, maar als ze zo meteen hier is, weet
ik tenminste wie er voor me staat.
En jij dan ben je getrouwd?
Zie ik er zo uit?
Hoe oud is zij?
Bijna geen meisje meer.
Daar weet ik niets mee.
Ze wordt langzaam vrouw. Ken je dat gevoel?
Ik kan me er iets bij voorstellen.
Heeft jouw meisje dat ook?
Het is me nog niet opgevallen.
Bekijk haar goed de volgende keer. Er
is niets zo mooi als een meisje dat langzaam vrouw wordt.
Hoe heet ze eigenlijk, je vriendin?
Magda.
O.
Wat: o?
Magda is een mooie naam.
Voor een mooi meisje.
Of een mooie vrouw. De mijne heet Lena.
Ook niet mis.
Magdalena voluit.
Horst was ze al eerder tegengekomen, dit soort momenten waarop alles
in elkaar leek te passen. Een glashelder inzicht waardoor de onoverzichtelijke
hoop brokken die het leven was, weer in een geheel kon samenvallen.
Wat hij dan precies voelde, durfde hij niet te benoemen. Het was een
soort besef dat groter was dan hijzelf. Nu begreep hij waarom ze hem
had gevraagd hierheen te komen. En meteen wist hij ook wie deze jongen
was. Kleine leugentjes uit de voorbije maanden flitsten door zijn hoofd.
Ze was inderdaad vaak weg geweest de laatste tijd en ze vertrok ook
met graagte, iets waar ze het voorheen altijd veel moeilijker mee had
gehad. Spoorde ze hem daarom altijd zo aan om zijn sociale vaardigheden
aan te spitsen en alle snoepreisjes te aanvaarden die hem voor zijn
job werden aangeboden? En al die nieuwe kleren die ze kocht, deed ze
dat voor hem of was die frêle lingerie iets wat deze jongen haar had
ingegeven?
Ze zou vandaag duidelijkheid scheppen over
iets wat ze verborgen had gehouden, dat had ze geschreven. En het bos
was een uitstekende plek om tot zulke inzichten te komen, dat wisten
ze allebei. De uitgestrekte bomenrijen konden grillen en zorgen die
in de stad onoverkomelijk leken, tot verteerbare proporties herleiden.
Hier leek het heel natuurlijk en eigen aan de mens om het geluk steeds
weer bij een ander te zoeken. De begeerte die hen zo vaak naar de onder
takken verborgen kuil had gedreven, had Magdalena dus ook met deze jongeling
gedeeld. Dit geheim van hout was niet langer aan hem alleen besteed.
De bezoeker rookte de ene sigaret na de andere, tot zijn pakje leeg
was. Horst nam het hem uit handen en zette de vlam erin. Een groenige
walm steeg op bij het verbranden. Ze waren allebei geschrokken van de
plotselinge wending. Daarom besloten ze om hier samen te blijven wachten
tot ze kwam. Ze wist dat ze hier waren; ze had er zelf voor gezorgd
dat ze elkaar hier zouden ontmoeten, dus leek het hen erg onwaarschijnlijk
dat ze niet zou opdagen. Voor haar was het een makkelijke oplossing
geweest: haar twee mannen laten duelleren, terwijl ze zelf veilig en
wel buiten schot bleef. Om dan naderhand even langs te kuieren om de
schade op te meten.
In normale omstandigheden zou Horst het wachten
al lang hebben opgegeven. Na een uur zou hij weer huiswaarts zijn gekeerd.
Hij zou somber gestemd zijn geweest, maar de oorzaak van het mislukken
van de afspraak zou hij wel bij zichzelf hebben gelegd. Dat had hij
altijd gedaan. Zij had in zijn ogen nooit een fout gemaakt. Altijd had
hij geprobeerd om de oorzaak bij zichzelf te zoeken wanneer er strubbelingen
of wrevel de kop opstaken. Dat ze in hun jarenlange samenzijn nauwelijks
ruzie hadden gemaakt, was dan ook voor een groot stuk daaraan te wijten:
keer op keer had hij tijdig ingegrepen wanneer het toch dreigde te ontsporen.
Keer op keer had hij zich verontschuldigd voor dingen die wellicht in
haar eigen scheefgeslagen verlangens wortel hadden geschoten.
Er viel hem een ruzietje van een week voordien
te binnen. Het stelde nauwelijks iets voor, duurde niet langer dan tien
minuten. Maar het bezorgde hem wel buikkrampen. Hij kwam een uur vroeger
dan verwacht van zijn werk thuis, meer was er niet aan de hand. Haar
verontwaardigde reactie verwonderde hem daarom erg. Ze was met niets
bijzonders bezig, hij betrapte haar niet op ongewone handelingen. En
toch voelde hij zich gedwongen om zich te verontschuldigen voor het
feit dat hij te vroeg was teruggekeerd. Hij beloofde een volgende keer
in de stad te blijven wachten als hij nog eens vroeger klaar was met
werken. Of haar tenminste te verwittigen voor hij thuiskwam. Ze kon
de gekste dingen van hem gedaan krijgen, begreep hij nu.
Opnieuw keek Horst naar de jongen. Hoelang
kenden die twee elkaar al? Zagen ze elkaar vaak? Eén keer per week of
wie weet wel elke dag? Gingen ze met elkaar naar bed of zocht ze enkel
een goed gesprek? Douchte ze zich tussen twee afspraakjes in? Pijpte
ze hem en vond hij het leuk om haar te likken? Ze vond zijn eigen sperma
altijd te zout, maar uit de lul van zon jongen, kwam daaruit niet
veel zoeter spul gespoten? En waar deden ze het dan? Spraken ze af in
zijn woonst in de stad of reden ze samen hierheen, naar deze prachtige
plek in het bos, die hij altijd als een heiligdom van haar en hemzelf
had geëerd? Misschien vond hij dat nog wel het ergste: dat ze iets dat
zo intens van hen beiden was geweest, gedeeld had met een derde.
Toch kon hij niet boos zijn op de jongen. Blijkbaar
wist hij van niets. Voor zover Horst uit zijn woorden kon opmaken, besefte
hij niet eens dat ze al een vriend had. Een modebedrijf, zei hij? Dat
ze zo tegen hem durfde te liegen! Lena gaf les in de tweede graad van
een middelbare school. Een mens kon veel verzinnen, maar dit wist hij
wel zeker. Hij zat naast haar toen ze voor die post solliciteerde en
hij had haar vaak genoeg s ochtends met de auto tot aan de poort
gebracht.
Horst en de jongeling bleven zwijgen tot de duisternis inviel en de
contouren van het woud in enkele tellen platsloeg.
Wat nu? vroeg de jongeling.
Als ik het wist.
We kunnen naar huis gaan.
Tellen welke spullen ze uit ons huis
heeft meegegrist.
Misschien is ze ziek.
In haar hoofd, ja.
Eergisteren zag ze al zo bleek.
Heb je haar toen gezien?
In het park.
Aan de vijver?
Het grasveldje.
Dat ken ik maar al te goed.
Ze komt er graag.
Romantiek ten top.
Er kan wat met haar gebeurd zijn.
Dan had ik het geweten.
Blijkbaar wist je niet alles.
Wrijf het er nog eens in.
En ze heeft al zwakke longen.
Niets van.
Daarom is ze toch gestopt met roken?
Ze rookt als een bezetene.
Ik heb het haar nooit zien doen.
Dan is ze parttime gestopt.
Het leek Horst een akelige gedachte dat ze twee mannen tegelijkertijd
bedroog. Tegen de ene moeten liegen omdat ze de andere wilde zien en
omgekeerd geen wonder dat het onhoudbaar was geworden. Horst
vroeg zich af of hij deze jongeling dan toch nooit eerder had ontmoet,
al was het toevallig, een vluchtig contact op een dronken feestje of
tussen een hoop geëxciteerde genodigden. Hij kon niets bedenken. Ze
had de beide levens met haar mannen rimpelloos van elkaar gescheiden
weten te houden. Op de bezoekjes aan dit struweel na dan. De magie van
deze plek was blijkbaar groot genoeg om meerdere harten te smeren.
Heeft ze je nooit over mij verteld?
De jongen draaide zijn hoofd en zwaaide het
ontkennend heen en weer, terwijl hij ondertussen ook nog eens zuchtte
en zijn schouders ophaalde. Hij was overrompeld door de situatie.
Ze heeft nooit veel over zichzelf gezegd.
Je ziet haar graag, hé?
Ja, zei de jongen. Ja.
En Horst wist dat het waar was.
Ze bleven in het bos. Toen het begon te regenen, eerst hier en daar
een minuscuul druppeltje, dan steeds heviger in dikke geuten totdat
ook de loofbomen geen bescherming meer boden, trokken ze hun schoenen
weer aan en kropen naast elkaar in de kuil. Het dichte struikgewas en
de jonge kastanje- en elzenloten konden het meeste vocht buiten houden.
De kuil was net groot genoeg voor de twee mannen om op hun rug naast
elkaar te liggen. Horst durfde zich nauwelijks te verroeren. De helling
van de kuil deed hem tegen de jongen aanrollen. Daar, in het beklemmende
donker concentreerde hij zich op de ademhaling van zijn rivaal en hij
wist dat deze hetzelfde deed, net zoals ze dat allebei zo vaak bij hun
beider geliefde hadden gedaan. Doorheen het gekletter van de vette droppen
rondom kon hij horen dat de jongen lichtjes reutelde, als een ziek dier,
net voor de koorts echt doorbrak.
Zou de jongen zichzelf ook als haar vriend
beschouwen en hem als een affaire? Horst durfde het niet te vragen.
Hij kreeg het er koud van. Dit had hij niet verdiend. Of toch niet op
deze manier, zo laf en respectloos. Hij had haar nooit kwaad gedaan.
En dan? Hij wist dat hij haar ook dit zou vergeven.
Slaap je? vroeg de jongen na een
tijdje.
Hoe zou ik hier kunnen slapen?
Zij heeft nu twee bedden vrij,
zei de jongen en daar moesten ze in alle ellende toch nog even om gniffelen.
Ze zei me dat het de laatste keer zou
zijn, vandaag. Horsts schouders jeukten, maar hij probeerde het
te vergeten om het klamme vlees naast hem niet aan te moeten raken.
Ze heeft niet gelogen.
Nee, zei de jongen. Deze
keer heeft ze niet gelogen.
Wat heeft ze jou gezegd?
Dat ze naar me verlangde.
Meer niet?
Dat ze me in het bos bij zich wilde.
En niets van de laatste keer?
Wat bedoel je?
Ze verlangde naar jou en wilde mij een
laatste keer wat vertellen. Jij hebt dus gewonnen. Zo staan de zaken.
#145;We hebben allemaal verloren.
Verdomme toch.
Horst had zin om ergens tegenaan te schoppen.
Hij kon kiezen tussen de jongen of de takken die hen droog hielden.
Hij hield zich in.
Het spijt me.
Ach, wat het is niet jouw schuld.
Maar let op: volgende keer ben jij aan de beurt.
Er komt geen volgende keer.
Wacht tot je haar ziet. Ze laat je zo
weer smelten.
Even flitste het Horst voor de ogen: hij en
Magdalena in elkaar verstrengeld in deze kuil, terwijl de jongen een
eindje verder stond te roken, wachtend tot ze klaar waren en zij zonder
blozen aan diens hand weer het bos zou uit paraderen.
Dit was de laatste keer, zei de
jongen.
Dit was geen keer.
Ik blijf hier wachten. Als ze nog een
greintje om me geeft, moet ze komen.
Of om mij.
Tja. Als ze komt, zullen we niet weten
voor wie ze komt.
Ze verlangde naar jou, zei Horst
toen half troostend, half uit onmacht. Voor mij is het allemaal
voorbij.
In wisselende posities lagen ze de nacht uit, eerst zij aan zij, dan
ruggelings met de gezichten van elkaar weggedraaid. De jongeling viel
als eerste in slaap en hield Horst met kleine spastische trekjes van
zijn ledematen voortdurend wakker. Af en toe kreunde hij getergd en
trapte daarbij Horst tegen de kuiten. Pas wanneer het eerste zonlicht
in dunne vlokken langs het gebladerte streek, dommelde ook Horst even
in.
Hij had een korte droom gehad, besefte hij
toen hij weer wakker werd. Hij en Magdalena stonden aan het raam in
zijn appartement. In plaats van over de grauwe vacht van de stad, keken
ze uit over onmetelijke velden en open land. Hij herinnerde zich hoe
boven op de gordijnkast een koppel duiven nestelde. Als hij goed luisterde,
hoorde hij hun platte jongen piepen. Dan voelde hij dat er nog iemand
in de ruimte aanwezig was, maar hij kon niemand zien. Hij wilde zijn
arm rond haar spannen, haar tegen zich aan trekken, maar greep door
haar lenden heen. Zijn handen graaiden naar haar hoofd, zijn vingers
wilden zich door haar loshangende haren roeren, maar er was geen hoofd
en er waren geen haren die weerstand boden. Hij opende zijn mond. Hij
slikte. Hij wilde wat zeggen. Hij zei wat, maar zij had geen oren naar
de onbestemde klanken die van tussen zijn lippen op de houten vloer
kapot vielen. Ze zag hem niet, net zoals hij niets zag van die andere
onbekende wiens aanwezigheid de ruimte vulde. Dan veranderden de velden
beneden in een boomgaard, de boomgaard werd een bos, het bos werd opnieuw
een stad en zij werden het nestje piepers die nu vanuit de dakgoot hun
dunne stront vrijelijk spoten op al wat nog wit en onschuldig was.
Hij draaide zich een halve slag om. Het lichaam
van de jongen naast hem was bedekt met duimdikke kevers. Hun mestpoten
hadden grillige schilderingen gemaakt op zijn kleren, zijn handen, zijn
hals. Dan zag Horst hoe de dieren ook hemzelf hadden bekliederd. Hij
richtte zich op en pulkte het zwarte ongedierte van zijn lichaam. Zijn
vingers werden kleverig van de viezigheid op hun schilden. De jongen
sperde zijn mond open, rekte zich uit en steunde op zijn ellebogen.
Toen hij de kevers zag, sprong hij recht, wrikte zich doorheen de takken
een weg naar buiten. Als een faun danste hij rond in de nevelslierten
die zo vroeg in de ochtend uitwaaierden tussen de bomen. Om zijn vingers
niet te bevuilen, zocht hij dode bladeren, rukte daarmee de beestjes
los en wierp ze dan zo ver mogelijk tegen een stam te pletter. Horst
telde twintig kevers op zijn lijf; de jongen hield het op een veertigtal.
Met wat bedauwd gras wreven ze de ontblote delen van hun lichaam schoon.
Het hadden ook bloedzuigers kunnen zijn,
grapte de jongen.
Ja, zei Horst. Of kussen
van Magdalena.
Daarop overviel de zwaarte van de avond voordien
hen weer. Ze was niet gekomen zoals ze hadden gehoopt. Ze had hen hier
in de regen laten verkleumen tussen het gekrioel van ongedierte en heen
en weer zwiepende gedachtestromen. De jongen begon zich nu ernstig zorgen
om haar te maken; Horst kon haar intussen wel vervloeken. Ze had hen
beiden op het hart getrapt en dat zouden ze haar ferm aan haar neus
wrijven als ze haar vonden. Zoiets bedisselden ze terwijl ze hun tongen
krulden om wat van het regenwater op te vangen dat langs de bladeren
naar beneden droop. In de verte, waar het woud en de stad elkaar al
eeuwenlang bekampten, scheurde een ambulance de vliezige stilte open.
Het is haar teveel geworden, prevelde
de jongen.
Ze ligt vast in je bed op je te wachten,
zei Horst. Straks bekruipt ze je, wees gerust.
Wat moeten we nu doen?
Ik ga naar huis en ruim alles op. Ik
haat het om te treuren over dingen die voorbij zijn.
Zal ik haar bellen? Ik spies haar in
de kop wat ik er van denk.
Doe haar mijn groeten.
Als je wilt.
Of neem bloemen mee van mij. Een afscheid
met bloemen komt veel harder aan dan eentje dat in ruzie wordt beklonken.
Weet je wat: koop champagne en drink op mijn gezondheid.
Meteen ook aardbeien erbij?
Niet zo cynisch.
Alsof aardbeien cynischer zijn dan bloemen.
Ze is allergisch aan aardbeien, dat weet
je best.
Daar weet ik niets van.
Eén zon vrucht en ze kotst de tafel
vol.
Ze vreet aardbeien met bakjes tegelijk.
Eén bakje en ze ligt onder de grond.
Eén bakje en ze wordt zo geil als boter.
Dat is onmogelijk.
En toch is het zo.
Ze kan er niet tegen. Punt.
Horst sperde zijn longen open, zoog het bos
naar binnen, ademde diep in en uit, werd duizelig, wankelde tegen een
boom aan en bleef daar even tegen aanleunen. Magdalena at geen aardbeien,
dat wist hij zeker. Even zeker als hij was van de zilte geur net voor
haar tranen opwelden, de snelheid waarmee haar teennagels groeiden
of de kleine hoeveelheid zon die nodig was om haar tere huid rood te
blakeren. Daarover kon ze hem niets wijsmaken, dat waren van die lichamelijke
feitjes die haar voor hem bijzonder hadden gemaakt. Dat waren kleine
dingen die Magdalena de vrouw lieten zijn die hij al die tijd had bemind.
Had hij haar berichtje verkeerd begrepen? Misschien
was het weer eens zijn eigen schuld. Misschien had ze hem nooit op dat
moment op deze plek willen zien. Had hij zich van dag vergist? Hij wist
niet meer wat zich te herinneren en voelde dat liegen en zich vergissen
meer van hetzelfde waren. Hij moest naar huis; stel dat ze daar toch
op hem zat te wachten? Hij schaamde zich dat hij zich zo tegenover de
jongen had aangesteld. Ook hij moest zich misrekend hebben. Of was hij
wel degelijk in de steek gelaten? Zijn meisje had hem gezegd dat ze
naar hem verlangde verschool zich in zon berichtje niet
noodzakelijkerwijze de eerste aanzet tot een afscheid?
Horst wist het niet meer. Het kon hem ook niets
meer schelen. Hij liet de boom los, zoog zich nog eenmaal vol met de
dampen van het bos en zette het dan op een lopen.
Een abonnement op de papieren versie van De Brakke hond kost slechts 32 euro. Klik hier voor een abonnement.
Nummer nabestellen? klik hier.
De Brakke Hond is geen tijdschrift voor hondenliefhebbers die zich interesseren voor hondenvoeding, hondenverzorging, puppies en hondenvakanties, het bevat 100% literatuur.
Schrijf u in op onze nieuwsbrief "Letters". Vul hier uw e-mailadres in: