Vlaams Fonds

Home > 97 > Christophe Vekeman

Christophe Vekeman


Vluchtig als rook in de wind - deel 2



‘Een ongeluk zit in een klein hoekje,’ haalt hij zijn schouders op. En waaruit, voegt hij eraan toe in gedachten, bestaat de wereld anders dan uit kleine hoekjes?
Alicia doet er het zwijgen toe. Ze laat hem haar rug zien en brengt zijn jas in het licht dat geel en gul uit de koepelvormige, metalen lamp boven de eettafel valt. Ze houdt haar hoofd gebogen en kijkt van onder haar wenkbrauwen naar de vingers van haar rechterhand die door het gewillig gapende gat naar buiten komen gewriemeld en er de rafelige randen van betasten. Hoopvol tegen beter weten in slaat Lester haar gade, maar dan schudt zij opeens het hoofd, zuchtend van teleurstelling. Ze laat haar armen zakken, wellicht, meent hij, om de jas over de rugleuning van een stoel te draperen. In plaats daarvan echter duwt zij hem de jas met kracht, haast agressief tegen de borst. ‘Die is voor de vuilnisbak,’ luidt haar oordeel.
‘Geen reparatie mogelijk?’ vraagt hij.
Ze kijkt hem verwonderd aan, bijna bewonderend zelfs, alsof zo veel stompzinnig optimisme haar ontzag afdwingt. Alsof hij met een tube lijm in de ene en een zak vol gruis in de andere hand geopperd heeft een fraaie, kostbare vaas te reconstrueren.
‘Het kan niet worden genaaid of zo?’ verdedigt hij zich, de jas tegen zich aandrukkend als in een intieme, roerloze dans. ‘Ik bedoel daarom niet dat jij, maar… een professionele naaister of zo…’ Hij schraapt zijn keel, die nog altijd niet vrij blijkt; het is of hij niet met één, maar met vele verschillende, piepkleine stemmetjes tegelijk heeft gesproken.
‘Een professionele naaister? Nee, schat, ook een professionele naaister kan helaas geen wonderen verrichten,’ deelt Alicia hem op geduldige toon, duidelijk dol van ongeduld mede. ‘Het zou weggegooid geld zijn. Je zou het altijd blijven zien. Het zal altijd een… een litteken blijven.’
Lester trekt een gezicht, zijn voorhoofd gefronst, zijn kleurloze lippen in de droeve vorm van een regenboog, alsof hij de spijt die hem wel degelijk nog altijd in de ban houdt enkel veinst teneinde zijn vrouw te paaien, of eventueel zelfs om haar belachelijk te maken.
‘Niets aan te doen,’ mompelt hij.
‘Ja, dat zeg ik net.’
Hij kijkt zo onopvallend mogelijk in het rond, naar de vensterbanken, de vleeskleurige schouw van natuursteen. Blijkbaar zijn zijn bloemen, de rozen die hij tijdens zijn middagpauze gekocht heeft, ondanks het gevorderde uur – het is ver na halfzes – nog steeds niet geleverd. Is dat mogelijk? Alles is mogelijk.
Hij meent iets te begrijpen. Alicia’s gedrag, haar mordante, troosteloze reactie op wat er met zijn jas is gebeurd, vraagt om een verklaring, die door de afwezigheid van de door hem bestelde rozen Lester plots wordt aangereikt: Alicia blijkt in de waan te verkeren dat hij zich niet van de datum bewust is of, veel erger nog, de datum niet herkend heeft als die waarop zij vier jaar geleden getrouwd zijn. Vanochtend immers, toen hij opstond, sliep zij nog, als elke ochtend, zodat niets haar tot dusverre heeft bewezen dat hij een en ander niet lompweg uit het oog heeft verloren. Natuurlijk is zij bitter slechtgeluimd! Hij had een briefje moeten achterlaten alvorens naar zijn werk te vertrekken: de hele dag heeft zij op een signaal gewacht, een teken dat haar angstige en alsmaar sterker wordende vermoeden niet terecht was… En nog altijd wacht zij! Natúúrlijk dus is zij ongelukkig… Hoe zou hij zelf zijn?
Maar hoe hij zelf zijn zou, weet Lester eigenlijk niet. Zo kan hij zich allang niet meer voorstellen dat hij dag na dag uit bed zou komen wanneer het hem goeddunkt, om vervolgens de tijd te verdrijven met volkomen nutteloze of in elk geval zelfgekozen bezigheden. Alicia, in tegenstelling tot hem nochtans in het bezit van een universitair diploma, is er de voorbije vier jaar schijnbaar zonder moeite in geslaagd zich verre van de arbeidsmarkt te houden, maar geeft niettemin regelmatig ’s avonds te kennen ‘flink aan het werk’ te zijn geweest. Al geniet zij dan een uitkering, ‘werkloos’ wenst zij niet te worden genoemd. Zij zit in haar voorbereidingstijd. Zij oefent. De afgelopen vier jaar en, wie weet, als het moet ook de volgende vier dienen volgens haar beschouwd te worden als een periode van investering, als de stilte voor de storm die ooit, in de nabije of verdere toekomst, de vruchten van haar ijver, haar doorzettingsvermogen en haar geloof in zichzelf van de hoogste boom zal rukken, waarna genoemde vruchten zomaar voor het oprapen zullen liggen. Het geld dat zij nu niet verdient, zal haar later komen toegestroomd; haar huidige onbekendheid zal verkeren in exorbitante roem.
Alicia is een kunstenares. Zij tekent. Zij maakt tekeningen, daartoe doorgaans gebruikmakend van potlood, houtskool en waskrijt, al wil zij ook wel eens een keertje met gekrulde lucifers in de weer zijn. Beschouwt zij een kunstwerk als voltooid, dan legt zij het blad papier op een opengevouwen krant en besproeit het overvloedig met haarlak, waarna het drogen moet. Vervolgens wordt de tekening met afstandelijke blik door Alicia gekeurd en hardop becommentarieerd in het bijzijn van Lester, die van kunst niets af weet, helemaal niets, een volslagen leek is en bovendien de eerste zijn zou om zichzelf een leek te noemen, maar er niettemin heilig van overtuigd is dat Alicia helaas elk talent ontbeert. Luisterend naar haar bespreking van haar eigen werk, haar steevast zelfvoldane en onuitstaanbare monoloog, beperkt hij zich ertoe te hummen en te knikken, bang, hypocriet, zijn kin in zijn handen. Nooit begrijpt hij zo weinig van haar als op die ogenblikken, nooit is zij zo’n mysterie en toch zo volstrekt oninteressant. Soms twijfelt hij eraan of zij wel echt haar best doet, of zij het allemaal wel meent. Misschien speelt zij al jarenlang een spel met hem. Dan komt de gedachte aan verborgen camera in hem op. De kijker thuis schatert het uit om hem, de sneue pantoffelheld die daar ter wille van de lieve vrede staat te doen alsof hij de kwaliteit van de wangedrochten in kwestie op zijn minst vatbaar acht voor discussie. Ja, zo ongelooflijk slecht is de rotzooi die zij vervaardigt, zelfs als je, goedmoedig, met haar gebrek aan scholing en aanleg rekening houdt.
Maar ze speelt geen spel met hem. Het komt voor dat zij, zeldzaam royaal gestemd en nooit dan na lang twijfelen, een van haar tekeningen cadeau geeft aan iemand, ter gelegenheid van een verjaardag bijvoorbeeld. Altijd opnieuw tracht Lester om de onbeholpenheid waarmee de gefêteerde verrukking voorwendt (‘Nee toch? Heb jíj dat gemaakt?’) amusant te vinden, maar nooit ofte nimmer slaagt hij daarin. Zijn gêne is te groot. Hij schaamt zich in haar plaats; hij schaamt zich omdat zij zijn vrouw is.
Hoe hij zelf zou zijn? Niet zoals zij dus. Liever niet zoals zij, als het van hem afhangt. Trouwens, ook Alicia heeft er alles welbeschouwd op nog geen enkele wijze blijk van gegeven te weten dat er heden iets te vieren valt… Zij zal het toch zelf niet zijn vergeten? Stel je voor, denkt hij.
Plotseling de deurbel.
‘Vlam,’ zegt Alicia.
Hij kijkt haar vragend aan.
‘Dat zal je naaister zijn,’ zegt zij. ‘Je professionele naaister.’
Hij glimlacht schaapachtig. Zij glimlacht niet terug, al kan het toch niet anders of haar veronderstelling was grappig bedoeld.
‘Doe jij open?’ gebiedt ze.
Hij vlijt zijn jas, waardeloos lor, onschuldig slachtoffer in de strijd die het leven nu eenmaal is, omzichtig neer op de tafel. Vraag: mocht Alicia het zelf vergeten zijn, zou hij haar dat kwalijk nemen? Hij meent van niet. Nee, denkt hij, nee, zeker niet, en hij merkt dat de gedachte hem vervult met spijt, die evenwel in niets lijkt op zijn spijt van daarnet. De spijt die hij nu voelt is vager, onbestemder, iets als spijt op voorhand. Bestaat dat, spijt op voorhand? Alles bestaat. Spijt op voorhand is een vorm van angst.
Gesteld dat Alicia, tegen haar aard in, hun huwelijksdag over het hoofd heeft gezien, dan zal zij zich daar zo meteen erg schuldig over voelen, en terecht, maar zijn vanzelfsprekende bereidheid om haar te vergeven zou op niets anders berusten dan op onverschilligheid: hij is bang dat het hem, spijtig genoeg dus, niets zou kunnen schelen. De waarheid is – maar hij moet beseffen, blìjven beseffen, dat elk moment zijn eigen waarheid heeft. De waarheid is veranderlijk. Wie nu de waarheid kent, staat straks alweer met lege, blindelings tastende handen; de waarheid van nu geldt straks als een leugen. Hij mag dus niet te hard van stapel lopen. Nooit. De waarheid is de speelbal van de meest efemere emoties, vluchtig als rook in de wind.
Aan gene zijde van de buitendeur heeft een jongen van een jaar of twintig gewacht. Hij biedt een kouwelijke aanblik, al is hij zonder twijfel net uit de bestelwagen gestapt die naast het voetpad, zowat een meter achter zijn rug, te pruttelen staat. Hij draagt een lederen, bloezende jekker. Het laat zich raden dat de gehele binnenkant ervan bestaat uit dezelfde witte wol die bovenaan tevoorschijn geschuimd komt om de brede, slap op de schouders liggende kraag te bedekken. De jongen haalt zijn neus op en steekt hem een boeketje rozen toe. Het is een ontgoochelend schamel boeketje. De rozen zien er kleiner maar vooral ook vele dagen ouder uit dan vanmiddag, als bevangen door misselijkheid – misschien zijn zij wagenziek.
‘Deze zijn voor u,’ zegt de jongen. Hij klinkt opgelucht, blij dat hij eindelijk van de krengen verlost is.
‘Erg bedankt,’ zegt Lester.
‘Er hangt een kaartje aan,’ wijst de jongen, terwijl een huivering langs zijn ruggengraat opklimt en zijn schouders omhoog stuwt.
‘O ja,’ kijkt Lester, en hij leest: Dank voor de vier mooiste jaren van mijn hele leven. Je man. ‘Nogmaals bedankt,’ zegt hij. Hij maakt aanstalten de deur te sluiten, maar de jongen neemt opnieuw het woord.
‘Wat is er mooier dan bloemen krijgen?’ reutelt hij plichtsgetrouw op. Hij brengt een vuist naar zijn mond, maar slaagt erin zijn hoest te onderdrukken. ‘Misschien wel bloemen geven! Wend u daarom tot Van Oversteegen!’
Dit zijn zijn laatste krachten, denkt Lester.
‘Onderaan het kaartje,’ gebaart de jongen kort met zijn hoofd, ‘staan onze gegevens. Je weet ons wel te vinden.’
‘Zeker,’ lacht Lester joviaal. ‘Tot ziens dus, en hou je goed.’
Hij heeft medelijden met de jongen. Hij heeft medelijden met de rozen. Hij heeft medelijden met zichzelf omdat de veel te duur betaalde rozen er zo slecht uitzien, aftands, de associatie wekken met een tweedehands cadeau. Vraag: heeft hij medelijden met Alicia? De waarheid is – de waarheid is dat hij met haar getrouwd is toen hij niet langer verliefd op haar was en toch niet de neiging gewaarwerd hun relatie te verbreken. De combinatie van deze twee feiten scheen hem vier jaar geleden het bewijs toe van zijn echte, zijn eeuwige liefde, en dat was natuurlijk, weet hij nu, redelijk onnozel van hem. Van Alicia houdt hij niet meer. Hij houdt niet van haar. De waarheid is dat dat de waarheid is, al pleegt zij zich dan achter vele verschillende gezichten te verschuilen, en al zet zij zelfs graag het masker van de leugen op. Maar het is en blijft altijd de waarheid, waarin hij zijn leven leidt als in een onzichtbare, giftige mist. Of toch niet, misschien?
Lester staat onbeweeglijk met zijn rug tegen de deur. Of hij medelijden met zijn vrouw voelt? Zijn blik valt op de kapstok en hij stelt zich voor dat hij geen bloemen in zijn handen houdt, maar zijn jas, zijn fraaie, ongehavende jas, die hij netjes weghangt. Zo meteen zal hij de deur naar de woonkamer openen en – o God, o nee!
Hij vindt Alicia terug in de tuin. Zij ligt op haar buik op de grond, de ledematen wijd gespreid, gras in haar bevende vuisten. Haar gezicht is niet te zien, ze houdt het hoofd niet opzij. Ongetwijfeld (en vreemd genoeg) huilt zij, maar het radeloze, donker loeiende geluid dat zij voortbrengt lijkt uit de aarde zelf te komen, alsof verborgen, ondergronds levende wezens hun bestaan aan Lester en bij uitbreiding de mensheid kenbaar willen maken. Hij hurkt bij Alicia neer en legt zijn hand tussen haar schouderbladen, die vergeefs, wild en wanhopig op en neer schokken, als kan haar lichaam niet aanvaarden dat zijn vleugels zijn geamputeerd en het alsnog probeert om op te stijgen, weg te vliegen, weg. Lester kan de koude waarvan zij al volledig blijkt te zijn doordrongen en die zich via haar rug aan zijn hand, zijn arm mededeelt, in hoog tempo ook van hem bezit neemt, lijfelijk voelen, hij ziet alles haarscherp voor zich, daar ligt Alicia, daar zit hij gehurkt naast haar – maar toch overtuigt zijn verbeelding hem niet. Het visioen is krachteloos, en evenals zijn angst blijft het inmiddels vertrouwde of in elk geval verhoopte gevoel van mannelijke onverschrokkenheid uit.
De hele tijd is zijn blik op de kapstok gericht gebleven, een houten, donkerbruin skelet, leeg en kaal als een boom in het holst van de winter. Hij neemt een van de korte, stompe takken beet en beweegt de kapstok schuddend heen en weer. In zijn andere hand houdt hij nog steeds de rozen, niet zijn jas, helaas. Binnenkort, waarschijnlijk morgen al, zal aan de kapstok een andere, gloednieuwe jas bungelen. Hij haat het kledingstuk nu al. Nooit zal hij zich er thuis in voelen, dat neemt hij zich bij dezen voor. Zelfs de kapstok, zijn eigen, hoogstpersoonlijke kapstok – de jassen van Alicia en ook zijn eigen zomerjasje hangen in de kleerkast aan de andere kant van de hal –, boezemt hem plots weerzin in. Het kan de kapstok allemaal niet schelen. De kapstok is een trouweloos en uiterst hooghartig onding. ‘Het was maar een jas,’ lijkt hij te zeggen. ‘Laat me met rust. Laat me los.’ Hij verdient het tot brandhout te worden gehakt.

Wat verdient Alicia? Medelijden? Misschien wel.
Zij zit aan de tafel en bladert een tijdschrift door. Ze kijkt op als Lester naar haar toekomt met een hand ostentatief achter zijn rug en om zijn lippen de superieur golvende trek van iemand die niet wil of kan verhelen dat hij wat in petto heeft. Maar hij speelt komedie, een rol. Hij weet zich onzelfverzekerd, is hooguit niet laf.
‘Wie was het?’ vraagt ze.
Niet antwoordt Lester: ‘De professionele naaister’, al dienen de woorden zich aan in zijn mond. Heel even proeft hij ze; ze zijn zuur als braaksel, zijn hele smaakvermogen komt ertegen in opstand.
‘De burgemeester,’ zegt hij.
Om te bewijzen dat zij hem niet gelooft, lacht Alicia kort, en niet zonder minachting, lijkt het. Het is ook maar een flauwe grap. Toch gaat Lester verder: ‘Hij zei dat hij sowieso hier in de buurt moest zijn en daarom belde hij even aan. Hij wilde ons feliciteren. Hij vroeg me zeker niet te vergeten je zijn hartelijkste groeten over te brengen. O ja, hij had ook nog een kleinigheid voor je bij. Dit bescheiden boeketje.’
Hoe mooi zou het geweest zijn nu een ruiker van formaat te kunnen tonen, die de omschrijving ‘bescheiden boeketje’ onmiskenbaar zou tegenspreken! Helaas, het valt Lester opnieuw op hoe droog en dof de bloemen zijn die door de wankele stengels worden gedragen, en hoe klein in aantal ook; de woorden ‘bescheiden boeketje’ dekken wel degelijk volledig de lading, en geen burgemeester, niet van het kleinste dorp ter wereld, zou het ooit in zijn hoofd halen om een dergelijk zootje rozen aan wie dan ook ten geschenke te geven.
Alicia staat op en trekt een welwillend, toegeeflijk gezicht; ze lijkt voor iets te zwichten. ‘O, ze zijn prachtig,’ zegt ze. Maar kennelijk beseft ze dat haar leugen iedere geloofwaardigheid mist: ‘Dat is echt erg lief van je,’ verbetert zij zichzelf. Ze legt een hand in zijn nek, trekt zich zo naar hem toe en kust hem lang en ononderbroken op de wang, niet ver van zijn oor af. De gehele duur van haar kus maakt zij vanuit haar keel het verzaligde geluid dat mensen produceren om, bij voorkeur met de ogen dicht, duidelijk te laten horen hoe overweldigend goed het gerecht hun bevalt waarvan zij zonet een eerste hap hebben genomen. Het papier rond de rozen tussen hun lichamen knispert. De kus wordt voltooid met een smak. Samen met zijn dankbaarheid groeit Lesters zelfvertrouwen.
‘Je dacht dat ik het vergeten was, hè?’ lacht hij triomfantelijk.
Voor het eerst sinds hij weer is binnengekomen, lijkt Alicia plots volledig zichzelf. ‘Hoe bedoel je?’ vraagt ze, en ze fronst haar wenkbrauwen in ernst.
De mogelijkheid dat zij – nog steeds – geen idee heeft waar zij de rozen aan dankt, komt in Lester op en weigert vervolgens zijn geest te verlaten.
‘Je dacht dat ik vergeten was,’ legt hij al dan niet ten overvloede uit, ‘dat wij vandaag vier jaar getrouwd zijn.’ Hij kijkt haar schalks aan. Nee, hij neemt haar niets kwalijk, zeker niet. ‘Hè?’ dringt hij aan.
‘Hè?’ doet Alicia. ‘Helemaal niet,’ zegt ze. Nog altijd lijkt haar verbazing oprecht, temeer daar van verontwaardiging in haar stem geen spoor te bekennen is. Zij spreekt op volkomen kalme, slechts geïnteresseerde toon. ‘Hoe kom je daar toch bij?’
Over het antwoord op deze vraag hoeft Lester niet lang na te denken, maar hoezeer dit antwoord dan ook voor de hand ligt, het schijnt hem een hele klus toe het op zo’n manier te formuleren dat zijn vrouw er zich niet door beledigd of gekwetst voelen zou, met binnen de kortste keren ruzie tot gevolg.
‘Gewoon,’ zegt hij, ‘ik dacht dat gewoon.’
‘Het zou wel erg zijn,’ meent Alicia, ‘mocht je het zijn vergeten. We zijn tenslotte vier jaar getrouwd, en geen veertig. En al wáren het er veertig…’
‘Ik had gewoon de indruk,’ zegt Lester, en daar hij beseft dat hij zich met deze woorden op glad ijs begeeft, laat hij er snel en vrolijk op volgen: ‘Kom, maak je klaar, schat!’
‘Klaar? Waarom?’
‘Aha! Omdat wij, mijn waarde echtgenote, om zeven uur ergens worden verwacht! Je raadt nooit waar!’
Zelf is hij op de Thaise keuken niet zo dol, maar Alicia wel, en toen zij twee weken geleden op een avond zat te lezen in een krantenbijlage waarin melding gemaakt werd van een pas geopend, Oriental Queen genaamd restaurant (‘Het schijnt echt heel goed te zijn,’ zei ze. ‘Het wordt hier echt heel lovend besproken’), stond zijn besluit onmiddellijk vast. Later die avond noteerde hij stiekem de gegevens, telefoonnummer en adres, en eergisteren heeft hij gebeld. Niemand zal hem een gebrek aan goede bedoelingen kunnen verwijten.
Toch kijkt Alicia hem aan alsof hij haar zo-even een oneerbaar voorstel heeft gedaan. Zij houdt nog steeds de rozen in haar handen en brengt ze nu hoog voor haar borst. ‘Néé,’ smeekt ze gedurende seconden.
‘Nee, je raadt het nooit,’ zegt Lester met geestdrift, alsof hij een volslagen idioot is. Hij is geen idioot. Hij is een neuroticus, en neurose, zoals hij ooit bedacht heeft en sindsdien zichzelf vaak troostend voorhoudt, is een bewijs van intelligentie.
‘Schat, waar worden wij om zeven uur verwacht?’ wil Alicia weten. Ze klinkt terzelfdertijd angstig en dreigend.
‘Dat zul je wel zien,’ zegt hij.
‘Schatje,’ zucht Alicia.
‘Het is een verrassing. Je zult het wel zien. Ga je klaarmaken nu, want het is even rijden. Wat is er toch?’
‘Wil je naar een restaurant gaan?’
‘Ja, we gaan naar een restaurant, ja.’
‘O, sorry, Lester,’ zegt ze.
‘Wat? Waarom?’
‘Zou je het erg vinden om vanavond hier te eten? Ik heb eten voorzien.’
Zou hij het erg vinden? Hij zou het erg vinden. Hij begrijpt er niets van.
‘Ik heb gereserveerd,’ zegt hij.
‘O, kan je het niet annuleren? Ik wilde echt heel lekker voor je koken.’
Ze wilde echt heel lekker koken voor hem. Ondanks alles is zij als kunstenares nog vele malen begaafder dan als kokkin, maar zij was van plan een lekker feestmaal te bereiden. Nochtans weet zij zelf goed genoeg dat het tussen het fornuis en haar zacht gezegd nooit heeft geboterd en ongetwijfeld nooit zal boteren ook. Daar schaamt ze zich trouwens niet voor. Eerder lijkt een en ander deel uit te maken van haar identiteit: op haar culinaire hulpeloosheid pleegt ze zich graag te laten voorstaan, als vindt zij vrouwen die goed kunnen koken hogelijk minderwaardige wezens, met wie zij voor geen geld zou willen ruilen. Keukenprinsessen: burgertrutten, leeghoofden, slavinnen. Ze wilde echt heel lekker voor hem koken.
‘Op een dag als deze? Bespaar je de moeite toch! We gaan gewoon gezellig naar een restaurant.’
‘Ik heb een heleboel eten in huis. Het is hier toch ook gezellig?’
Lester kijkt omlaag naar de tafel, die allesbehalve gezellig gedekt is: afgezien van Alicia’s tijdschrift en zijn arme, kapotte jas, is zij meer bepaald volkomen leeg. Als zij niet naar het restaurant gaan, dan heeft hij zich, valt het hem in, voor niets tot haast en spoed laten verleiden en is de beschadiging van zijn jas nog zinlozer en schrijnender dan sowieso reeds het geval was. Zinlozer? Kent zinloosheid gradaties? Nee, de dingen gebeuren gewoon. De tijd is een onbesuisde lawine die zich over ieders levensweg uitstort, blind en stom en zonder voorbehoud. De ene steen botst tegen de andere aan, het ene zowel als het andere voorval brengt het volgende met zich mee. Oorzaken zijn er dus te kust en te keur, maar een goede reden voor dit alles laat zich bepaald moeilijk bedenken. Alles heeft precies evenveel zin, met name geen enkele. Zijn jas is gewoon naar de kloten, en dat is dan dat.
Je zou in het leven moeten staan, denkt hij, zoals de kapstok in de hal: compleet en totáál onverschillig, ook en vooral tegenover de eigen onverschilligheid. Dreig ermee mij tot brandhout te hakken en zelfs de kleine moeite om mijn schouders op te halen is mij te veel. Je zou in het leven moeten kunnen staan op een manier die bij elkeen aan haat grenzende afgunst oproept. Als God, heersend over de wereld zonder het de moeite waard te vinden je gezag te laten gelden, in te grijpen in de loop van de gebeurtenissen, volkomen onbetrokken, zonder interesse, ongenaakbaar als bestond je niet. Onverschilligheid is macht.
Hij besluit zijn laatste troef uit te spelen.
‘Ik wilde je meenemen,’ zegt hij, ‘naar de Oriental Queen. De Oriental Queen, je weet nog wel.’
Niets wijst erop dat de naam haar iets zegt. Ze draait zich om en loopt de keuken in, waar zij een vaas uit de kast neemt en de rozen begint uit te pakken. In de bloemenwinkel was, herinnert Lester zich, aan de kassa een papier bevestigd waarop de raad stond om een drupje tonic aan het water toe te voegen.
Hij loopt haar achterna. ‘De Oriental Queen,’ houdt hij vol. Daar wou je toch zo graag eens heen? Dat heb je zelf gezegd.’
‘Lester…’ Alicia heeft haar armen gestrekt, haar handen liggen aan weerszijden van de rozen plat op het aanrecht. Al haar energie lijkt naar het onderdrukken van wel duizend emoties te gaan. Hij doet er goed aan te zwijgen, zoveel mag duidelijk zijn. Eén verkeerd woord en alles, ronduit alles is mogelijk. Alicia kan voor zijn ogen vuur vatten en in een mum van tijd tot stof en as vergaan. Eén verkeerd woord van hem (en welke woorden zijn juist?) en het punt onder Alicia’s voeten ontpopt zich tot het epicentrum van een aardbeving. Zijn blik valt op de vaas. Deze vaas, een splinterbom van glas, is een vervaarlijk en nietsontziend wapen. Zelfs een roos blijkt plots geschikt om er iemand de keel mee af te snijden: één verkeerd woord, één snelle beweging.
‘Lester, ik zou met je willen praten. Rustig. Vanavond. Thuis.’


© Christophe Vekeman

inhoudsopgave nr. 97


abonneren

Een abonnement op de papieren versie van De Brakke hond kost slechts 32 euro. Klik hier voor een abonnement.

Nummer nabestellen? klik hier.

boekenlinks

Proxis
boekenbank
DBNL

Over De Brakke Hond

De Brakke Hond is geen tijdschrift voor hondenliefhebbers die zich interesseren voor hondenvoeding, hondenverzorging, puppies en hondenvakanties, het bevat 100% literatuur.


nieuwsbrief

Schrijf u in op onze nieuwsbrief "Letters". Vul hier uw e-mailadres in:


AanmeldenAfmelden


Powered by YourMailinglistProvider.com