| |
Vluchtig als rook in de wind - deel 2
‘Een ongeluk zit in een klein hoekje,’ haalt hij zijn schouders
op. En waaruit, voegt hij eraan toe in gedachten, bestaat de wereld
anders dan uit kleine hoekjes?
Alicia doet er het zwijgen toe. Ze laat hem haar rug zien en brengt
zijn jas in het licht dat geel en gul uit de koepelvormige, metalen
lamp boven de eettafel valt. Ze houdt haar hoofd gebogen en kijkt van
onder haar wenkbrauwen naar de vingers van haar rechterhand die door
het gewillig gapende gat naar buiten komen gewriemeld en er de rafelige
randen van betasten. Hoopvol tegen beter weten in slaat Lester haar
gade, maar dan schudt zij opeens het hoofd, zuchtend van teleurstelling.
Ze laat haar armen zakken, wellicht, meent hij, om de jas over de rugleuning
van een stoel te draperen. In plaats daarvan echter duwt zij hem de
jas met kracht, haast agressief tegen de borst. ‘Die is voor de
vuilnisbak,’ luidt haar oordeel.
‘Geen reparatie mogelijk?’ vraagt hij.
Ze kijkt hem verwonderd aan, bijna bewonderend zelfs, alsof zo veel
stompzinnig optimisme haar ontzag afdwingt. Alsof hij met een tube lijm
in de ene en een zak vol gruis in de andere hand geopperd heeft een
fraaie, kostbare vaas te reconstrueren.
‘Het kan niet worden genaaid of zo?’ verdedigt hij zich,
de jas tegen zich aandrukkend als in een intieme, roerloze dans. ‘Ik
bedoel daarom niet dat jij, maar… een professionele naaister of
zo…’ Hij schraapt zijn keel, die nog altijd niet vrij blijkt;
het is of hij niet met één, maar met vele verschillende,
piepkleine stemmetjes tegelijk heeft gesproken.
‘Een professionele naaister? Nee, schat, ook een professionele
naaister kan helaas geen wonderen verrichten,’ deelt Alicia hem
op geduldige toon, duidelijk dol van ongeduld mede. ‘Het zou weggegooid
geld zijn. Je zou het altijd blijven zien. Het zal altijd een…
een litteken blijven.’
Lester trekt een gezicht, zijn voorhoofd gefronst, zijn kleurloze lippen
in de droeve vorm van een regenboog, alsof hij de spijt die hem wel
degelijk nog altijd in de ban houdt enkel veinst teneinde zijn vrouw
te paaien, of eventueel zelfs om haar belachelijk te maken.
‘Niets aan te doen,’ mompelt hij.
‘Ja, dat zeg ik net.’
Hij kijkt zo onopvallend mogelijk in het rond, naar de vensterbanken,
de vleeskleurige schouw van natuursteen. Blijkbaar zijn zijn bloemen,
de rozen die hij tijdens zijn middagpauze gekocht heeft, ondanks het
gevorderde uur – het is ver na halfzes – nog steeds niet
geleverd. Is dat mogelijk? Alles is mogelijk.
Hij meent iets te begrijpen. Alicia’s gedrag, haar mordante, troosteloze
reactie op wat er met zijn jas is gebeurd, vraagt om een verklaring,
die door de afwezigheid van de door hem bestelde rozen Lester plots
wordt aangereikt: Alicia blijkt in de waan te verkeren dat hij zich
niet van de datum bewust is of, veel erger nog, de datum niet herkend
heeft als die waarop zij vier jaar geleden getrouwd zijn. Vanochtend
immers, toen hij opstond, sliep zij nog, als elke ochtend, zodat niets
haar tot dusverre heeft bewezen dat hij een en ander niet lompweg uit
het oog heeft verloren. Natuurlijk is zij bitter slechtgeluimd! Hij
had een briefje moeten achterlaten alvorens naar zijn werk te vertrekken:
de hele dag heeft zij op een signaal gewacht, een teken dat haar angstige
en alsmaar sterker wordende vermoeden niet terecht was… En nog
altijd wacht zij! Natúúrlijk dus is zij ongelukkig…
Hoe zou hij zelf zijn?
Maar hoe hij zelf zijn zou, weet Lester eigenlijk niet. Zo kan hij zich
allang niet meer voorstellen dat hij dag na dag uit bed zou komen wanneer
het hem goeddunkt, om vervolgens de tijd te verdrijven met volkomen
nutteloze of in elk geval zelfgekozen bezigheden. Alicia, in tegenstelling
tot hem nochtans in het bezit van een universitair diploma, is er de
voorbije vier jaar schijnbaar zonder moeite in geslaagd zich verre van
de arbeidsmarkt te houden, maar geeft niettemin regelmatig ’s
avonds te kennen ‘flink aan het werk’ te zijn geweest. Al
geniet zij dan een uitkering, ‘werkloos’ wenst zij niet
te worden genoemd. Zij zit in haar voorbereidingstijd. Zij oefent. De
afgelopen vier jaar en, wie weet, als het moet ook de volgende vier
dienen volgens haar beschouwd te worden als een periode van investering,
als de stilte voor de storm die ooit, in de nabije of verdere toekomst,
de vruchten van haar ijver, haar doorzettingsvermogen en haar geloof
in zichzelf van de hoogste boom zal rukken, waarna genoemde vruchten
zomaar voor het oprapen zullen liggen. Het geld dat zij nu niet verdient,
zal haar later komen toegestroomd; haar huidige onbekendheid zal verkeren
in exorbitante roem.
Alicia is een kunstenares. Zij tekent. Zij maakt tekeningen, daartoe
doorgaans gebruikmakend van potlood, houtskool en waskrijt, al wil zij
ook wel eens een keertje met gekrulde lucifers in de weer zijn. Beschouwt
zij een kunstwerk als voltooid, dan legt zij het blad papier op een
opengevouwen krant en besproeit het overvloedig met haarlak, waarna
het drogen moet. Vervolgens wordt de tekening met afstandelijke blik
door Alicia gekeurd en hardop becommentarieerd in het bijzijn van Lester,
die van kunst niets af weet, helemaal niets, een volslagen leek is en
bovendien de eerste zijn zou om zichzelf een leek te noemen, maar er
niettemin heilig van overtuigd is dat Alicia helaas elk talent ontbeert.
Luisterend naar haar bespreking van haar eigen werk, haar steevast zelfvoldane
en onuitstaanbare monoloog, beperkt hij zich ertoe te hummen en te knikken,
bang, hypocriet, zijn kin in zijn handen. Nooit begrijpt hij zo weinig
van haar als op die ogenblikken, nooit is zij zo’n mysterie en
toch zo volstrekt oninteressant. Soms twijfelt hij eraan of zij wel
echt haar best doet, of zij het allemaal wel meent. Misschien speelt
zij al jarenlang een spel met hem. Dan komt de gedachte aan verborgen
camera in hem op. De kijker thuis schatert het uit om hem, de sneue
pantoffelheld die daar ter wille van de lieve vrede staat te doen alsof
hij de kwaliteit van de wangedrochten in kwestie op zijn minst vatbaar
acht voor discussie. Ja, zo ongelooflijk slecht is de rotzooi die zij
vervaardigt, zelfs als je, goedmoedig, met haar gebrek aan scholing
en aanleg rekening houdt.
Maar ze speelt geen spel met hem. Het komt voor dat zij, zeldzaam royaal
gestemd en nooit dan na lang twijfelen, een van haar tekeningen cadeau
geeft aan iemand, ter gelegenheid van een verjaardag bijvoorbeeld. Altijd
opnieuw tracht Lester om de onbeholpenheid waarmee de gefêteerde
verrukking voorwendt (‘Nee toch? Heb jíj dat gemaakt?’)
amusant te vinden, maar nooit ofte nimmer slaagt hij daarin. Zijn gêne
is te groot. Hij schaamt zich in haar plaats; hij schaamt zich omdat
zij zijn vrouw is.
Hoe hij zelf zou zijn? Niet zoals zij dus. Liever niet zoals zij, als
het van hem afhangt. Trouwens, ook Alicia heeft er alles welbeschouwd
op nog geen enkele wijze blijk van gegeven te weten dat er heden iets
te vieren valt… Zij zal het toch zelf niet zijn vergeten? Stel
je voor, denkt hij.
Plotseling de deurbel.
‘Vlam,’ zegt Alicia.
Hij kijkt haar vragend aan.
‘Dat zal je naaister zijn,’ zegt zij. ‘Je professionele
naaister.’
Hij glimlacht schaapachtig. Zij glimlacht niet terug, al kan het toch
niet anders of haar veronderstelling was grappig bedoeld.
‘Doe jij open?’ gebiedt ze.
Hij vlijt zijn jas, waardeloos lor, onschuldig slachtoffer in de strijd
die het leven nu eenmaal is, omzichtig neer op de tafel. Vraag: mocht
Alicia het zelf vergeten zijn, zou hij haar dat kwalijk nemen? Hij meent
van niet. Nee, denkt hij, nee, zeker niet, en hij merkt dat de gedachte
hem vervult met spijt, die evenwel in niets lijkt op zijn spijt van
daarnet. De spijt die hij nu voelt is vager, onbestemder, iets als spijt
op voorhand. Bestaat dat, spijt op voorhand? Alles bestaat. Spijt op
voorhand is een vorm van angst.
Gesteld dat Alicia, tegen haar aard in, hun huwelijksdag over het hoofd
heeft gezien, dan zal zij zich daar zo meteen erg schuldig over voelen,
en terecht, maar zijn vanzelfsprekende bereidheid om haar te vergeven
zou op niets anders berusten dan op onverschilligheid: hij is bang dat
het hem, spijtig genoeg dus, niets zou kunnen schelen. De waarheid is
– maar hij moet beseffen, blìjven beseffen, dat elk moment
zijn eigen waarheid heeft. De waarheid is veranderlijk. Wie nu de waarheid
kent, staat straks alweer met lege, blindelings tastende handen; de
waarheid van nu geldt straks als een leugen. Hij mag dus niet te hard
van stapel lopen. Nooit. De waarheid is de speelbal van de meest efemere
emoties, vluchtig als rook in de wind.
Aan gene zijde van de buitendeur heeft een jongen van een jaar of twintig
gewacht. Hij biedt een kouwelijke aanblik, al is hij zonder twijfel
net uit de bestelwagen gestapt die naast het voetpad, zowat een meter
achter zijn rug, te pruttelen staat. Hij draagt een lederen, bloezende
jekker. Het laat zich raden dat de gehele binnenkant ervan bestaat uit
dezelfde witte wol die bovenaan tevoorschijn geschuimd komt om de brede,
slap op de schouders liggende kraag te bedekken. De jongen haalt zijn
neus op en steekt hem een boeketje rozen toe. Het is een ontgoochelend
schamel boeketje. De rozen zien er kleiner maar vooral ook vele dagen
ouder uit dan vanmiddag, als bevangen door misselijkheid – misschien
zijn zij wagenziek.
‘Deze zijn voor u,’ zegt de jongen. Hij klinkt opgelucht,
blij dat hij eindelijk van de krengen verlost is.
‘Erg bedankt,’ zegt Lester.
‘Er hangt een kaartje aan,’ wijst de jongen, terwijl een
huivering langs zijn ruggengraat opklimt en zijn schouders omhoog stuwt.
‘O ja,’ kijkt Lester, en hij leest: Dank voor de vier mooiste
jaren van mijn hele leven. Je man. ‘Nogmaals bedankt,’ zegt
hij. Hij maakt aanstalten de deur te sluiten, maar de jongen neemt opnieuw
het woord.
‘Wat is er mooier dan bloemen krijgen?’ reutelt hij plichtsgetrouw
op. Hij brengt een vuist naar zijn mond, maar slaagt erin zijn hoest
te onderdrukken. ‘Misschien wel bloemen geven! Wend u daarom tot
Van Oversteegen!’
Dit zijn zijn laatste krachten, denkt Lester.
‘Onderaan het kaartje,’ gebaart de jongen kort met zijn
hoofd, ‘staan onze gegevens. Je weet ons wel te vinden.’
‘Zeker,’ lacht Lester joviaal. ‘Tot ziens dus, en
hou je goed.’
Hij heeft medelijden met de jongen. Hij heeft medelijden met de rozen.
Hij heeft medelijden met zichzelf omdat de veel te duur betaalde rozen
er zo slecht uitzien, aftands, de associatie wekken met een tweedehands
cadeau. Vraag: heeft hij medelijden met Alicia? De waarheid is –
de waarheid is dat hij met haar getrouwd is toen hij niet langer verliefd
op haar was en toch niet de neiging gewaarwerd hun relatie te verbreken.
De combinatie van deze twee feiten scheen hem vier jaar geleden het
bewijs toe van zijn echte, zijn eeuwige liefde, en dat was natuurlijk,
weet hij nu, redelijk onnozel van hem. Van Alicia houdt hij niet meer.
Hij houdt niet van haar. De waarheid is dat dat de waarheid is, al pleegt
zij zich dan achter vele verschillende gezichten te verschuilen, en
al zet zij zelfs graag het masker van de leugen op. Maar het is en blijft
altijd de waarheid, waarin hij zijn leven leidt als in een onzichtbare,
giftige mist. Of toch niet, misschien?
Lester staat onbeweeglijk met zijn rug tegen de deur. Of hij medelijden
met zijn vrouw voelt? Zijn blik valt op de kapstok en hij stelt zich
voor dat hij geen bloemen in zijn handen houdt, maar zijn jas, zijn
fraaie, ongehavende jas, die hij netjes weghangt. Zo meteen zal hij
de deur naar de woonkamer openen en – o God, o nee!
Hij vindt Alicia terug in de tuin. Zij ligt op haar buik op de grond,
de ledematen wijd gespreid, gras in haar bevende vuisten. Haar gezicht
is niet te zien, ze houdt het hoofd niet opzij. Ongetwijfeld (en vreemd
genoeg) huilt zij, maar het radeloze, donker loeiende geluid dat zij
voortbrengt lijkt uit de aarde zelf te komen, alsof verborgen, ondergronds
levende wezens hun bestaan aan Lester en bij uitbreiding de mensheid
kenbaar willen maken. Hij hurkt bij Alicia neer en legt zijn hand tussen
haar schouderbladen, die vergeefs, wild en wanhopig op en neer schokken,
als kan haar lichaam niet aanvaarden dat zijn vleugels zijn geamputeerd
en het alsnog probeert om op te stijgen, weg te vliegen, weg. Lester
kan de koude waarvan zij al volledig blijkt te zijn doordrongen en die
zich via haar rug aan zijn hand, zijn arm mededeelt, in hoog tempo ook
van hem bezit neemt, lijfelijk voelen, hij ziet alles haarscherp voor
zich, daar ligt Alicia, daar zit hij gehurkt naast haar – maar
toch overtuigt zijn verbeelding hem niet. Het visioen is krachteloos,
en evenals zijn angst blijft het inmiddels vertrouwde of in elk geval
verhoopte gevoel van mannelijke onverschrokkenheid uit.
De hele tijd is zijn blik op de kapstok gericht gebleven, een houten,
donkerbruin skelet, leeg en kaal als een boom in het holst van de winter.
Hij neemt een van de korte, stompe takken beet en beweegt de kapstok
schuddend heen en weer. In zijn andere hand houdt hij nog steeds de
rozen, niet zijn jas, helaas. Binnenkort, waarschijnlijk morgen al,
zal aan de kapstok een andere, gloednieuwe jas bungelen. Hij haat het
kledingstuk nu al. Nooit zal hij zich er thuis in voelen, dat neemt
hij zich bij dezen voor. Zelfs de kapstok, zijn eigen, hoogstpersoonlijke
kapstok – de jassen van Alicia en ook zijn eigen zomerjasje hangen
in de kleerkast aan de andere kant van de hal –, boezemt hem plots
weerzin in. Het kan de kapstok allemaal niet schelen. De kapstok is
een trouweloos en uiterst hooghartig onding. ‘Het was maar een
jas,’ lijkt hij te zeggen. ‘Laat me met rust. Laat me los.’
Hij verdient het tot brandhout te worden gehakt.
Wat verdient Alicia? Medelijden? Misschien wel.
Zij zit aan de tafel en bladert een tijdschrift door. Ze kijkt op als
Lester naar haar toekomt met een hand ostentatief achter zijn rug en
om zijn lippen de superieur golvende trek van iemand die niet wil of
kan verhelen dat hij wat in petto heeft. Maar hij speelt komedie, een
rol. Hij weet zich onzelfverzekerd, is hooguit niet laf.
‘Wie was het?’ vraagt ze.
Niet antwoordt Lester: ‘De professionele naaister’, al dienen
de woorden zich aan in zijn mond. Heel even proeft hij ze; ze zijn zuur
als braaksel, zijn hele smaakvermogen komt ertegen in opstand.
‘De burgemeester,’ zegt hij.
Om te bewijzen dat zij hem niet gelooft, lacht Alicia kort, en niet
zonder minachting, lijkt het. Het is ook maar een flauwe grap. Toch
gaat Lester verder: ‘Hij zei dat hij sowieso hier in de buurt
moest zijn en daarom belde hij even aan. Hij wilde ons feliciteren.
Hij vroeg me zeker niet te vergeten je zijn hartelijkste groeten over
te brengen. O ja, hij had ook nog een kleinigheid voor je bij. Dit bescheiden
boeketje.’
Hoe mooi zou het geweest zijn nu een ruiker van formaat te kunnen tonen,
die de omschrijving ‘bescheiden boeketje’ onmiskenbaar zou
tegenspreken! Helaas, het valt Lester opnieuw op hoe droog en dof de
bloemen zijn die door de wankele stengels worden gedragen, en hoe klein
in aantal ook; de woorden ‘bescheiden boeketje’ dekken wel
degelijk volledig de lading, en geen burgemeester, niet van het kleinste
dorp ter wereld, zou het ooit in zijn hoofd halen om een dergelijk zootje
rozen aan wie dan ook ten geschenke te geven.
Alicia staat op en trekt een welwillend, toegeeflijk gezicht; ze lijkt
voor iets te zwichten. ‘O, ze zijn prachtig,’ zegt ze. Maar
kennelijk beseft ze dat haar leugen iedere geloofwaardigheid mist: ‘Dat
is echt erg lief van je,’ verbetert zij zichzelf. Ze legt een
hand in zijn nek, trekt zich zo naar hem toe en kust hem lang en ononderbroken
op de wang, niet ver van zijn oor af. De gehele duur van haar kus maakt
zij vanuit haar keel het verzaligde geluid dat mensen produceren om,
bij voorkeur met de ogen dicht, duidelijk te laten horen hoe overweldigend
goed het gerecht hun bevalt waarvan zij zonet een eerste hap hebben
genomen. Het papier rond de rozen tussen hun lichamen knispert. De kus
wordt voltooid met een smak. Samen met zijn dankbaarheid groeit Lesters
zelfvertrouwen.
‘Je dacht dat ik het vergeten was, hè?’ lacht hij
triomfantelijk.
Voor het eerst sinds hij weer is binnengekomen, lijkt Alicia plots volledig
zichzelf. ‘Hoe bedoel je?’ vraagt ze, en ze fronst haar
wenkbrauwen in ernst.
De mogelijkheid dat zij – nog steeds – geen idee heeft waar
zij de rozen aan dankt, komt in Lester op en weigert vervolgens zijn
geest te verlaten.
‘Je dacht dat ik vergeten was,’ legt hij al dan niet ten
overvloede uit, ‘dat wij vandaag vier jaar getrouwd zijn.’
Hij kijkt haar schalks aan. Nee, hij neemt haar niets kwalijk, zeker
niet. ‘Hè?’ dringt hij aan.
‘Hè?’ doet Alicia. ‘Helemaal niet,’ zegt
ze. Nog altijd lijkt haar verbazing oprecht, temeer daar van verontwaardiging
in haar stem geen spoor te bekennen is. Zij spreekt op volkomen kalme,
slechts geïnteresseerde toon. ‘Hoe kom je daar toch bij?’
Over het antwoord op deze vraag hoeft Lester niet lang na te denken,
maar hoezeer dit antwoord dan ook voor de hand ligt, het schijnt hem
een hele klus toe het op zo’n manier te formuleren dat zijn vrouw
er zich niet door beledigd of gekwetst voelen zou, met binnen de kortste
keren ruzie tot gevolg.
‘Gewoon,’ zegt hij, ‘ik dacht dat gewoon.’
‘Het zou wel erg zijn,’ meent Alicia, ‘mocht je het
zijn vergeten. We zijn tenslotte vier jaar getrouwd, en geen veertig.
En al wáren het er veertig…’
‘Ik had gewoon de indruk,’ zegt Lester, en daar hij beseft
dat hij zich met deze woorden op glad ijs begeeft, laat hij er snel
en vrolijk op volgen: ‘Kom, maak je klaar, schat!’
‘Klaar? Waarom?’
‘Aha! Omdat wij, mijn waarde echtgenote, om zeven uur ergens worden
verwacht! Je raadt nooit waar!’
Zelf is hij op de Thaise keuken niet zo dol, maar Alicia wel, en toen
zij twee weken geleden op een avond zat te lezen in een krantenbijlage
waarin melding gemaakt werd van een pas geopend, Oriental Queen genaamd
restaurant (‘Het schijnt echt heel goed te zijn,’ zei ze.
‘Het wordt hier echt heel lovend besproken’), stond zijn
besluit onmiddellijk vast. Later die avond noteerde hij stiekem de gegevens,
telefoonnummer en adres, en eergisteren heeft hij gebeld. Niemand zal
hem een gebrek aan goede bedoelingen kunnen verwijten.
Toch kijkt Alicia hem aan alsof hij haar zo-even een oneerbaar voorstel
heeft gedaan. Zij houdt nog steeds de rozen in haar handen en brengt
ze nu hoog voor haar borst. ‘Néé,’ smeekt
ze gedurende seconden.
‘Nee, je raadt het nooit,’ zegt Lester met geestdrift, alsof
hij een volslagen idioot is. Hij is geen idioot. Hij is een neuroticus,
en neurose, zoals hij ooit bedacht heeft en sindsdien zichzelf vaak
troostend voorhoudt, is een bewijs van intelligentie.
‘Schat, waar worden wij om zeven uur verwacht?’ wil Alicia
weten. Ze klinkt terzelfdertijd angstig en dreigend.
‘Dat zul je wel zien,’ zegt hij.
‘Schatje,’ zucht Alicia.
‘Het is een verrassing. Je zult het wel zien. Ga je klaarmaken
nu, want het is even rijden. Wat is er toch?’
‘Wil je naar een restaurant gaan?’
‘Ja, we gaan naar een restaurant, ja.’
‘O, sorry, Lester,’ zegt ze.
‘Wat? Waarom?’
‘Zou je het erg vinden om vanavond hier te eten? Ik heb eten voorzien.’
Zou hij het erg vinden? Hij zou het erg vinden. Hij begrijpt er niets
van.
‘Ik heb gereserveerd,’ zegt hij.
‘O, kan je het niet annuleren? Ik wilde echt heel lekker voor
je koken.’
Ze wilde echt heel lekker koken voor hem. Ondanks alles is zij als kunstenares
nog vele malen begaafder dan als kokkin, maar zij was van plan een lekker
feestmaal te bereiden. Nochtans weet zij zelf goed genoeg dat het tussen
het fornuis en haar zacht gezegd nooit heeft geboterd en ongetwijfeld
nooit zal boteren ook. Daar schaamt ze zich trouwens niet voor. Eerder
lijkt een en ander deel uit te maken van haar identiteit: op haar culinaire
hulpeloosheid pleegt ze zich graag te laten voorstaan, als vindt zij
vrouwen die goed kunnen koken hogelijk minderwaardige wezens, met wie
zij voor geen geld zou willen ruilen. Keukenprinsessen: burgertrutten,
leeghoofden, slavinnen. Ze wilde echt heel lekker voor hem koken.
‘Op een dag als deze? Bespaar je de moeite toch! We gaan gewoon
gezellig naar een restaurant.’
‘Ik heb een heleboel eten in huis. Het is hier toch ook gezellig?’
Lester kijkt omlaag naar de tafel, die allesbehalve gezellig gedekt
is: afgezien van Alicia’s tijdschrift en zijn arme, kapotte jas,
is zij meer bepaald volkomen leeg. Als zij niet naar het restaurant
gaan, dan heeft hij zich, valt het hem in, voor niets tot haast en spoed
laten verleiden en is de beschadiging van zijn jas nog zinlozer en schrijnender
dan sowieso reeds het geval was. Zinlozer? Kent zinloosheid gradaties?
Nee, de dingen gebeuren gewoon. De tijd is een onbesuisde lawine die
zich over ieders levensweg uitstort, blind en stom en zonder voorbehoud.
De ene steen botst tegen de andere aan, het ene zowel als het andere
voorval brengt het volgende met zich mee. Oorzaken zijn er dus te kust
en te keur, maar een goede reden voor dit alles laat zich bepaald moeilijk
bedenken. Alles heeft precies evenveel zin, met name geen enkele. Zijn
jas is gewoon naar de kloten, en dat is dan dat.
Je zou in het leven moeten staan, denkt hij, zoals de kapstok in de
hal: compleet en totáál onverschillig, ook en vooral tegenover
de eigen onverschilligheid. Dreig ermee mij tot brandhout te hakken
en zelfs de kleine moeite om mijn schouders op te halen is mij te veel.
Je zou in het leven moeten kunnen staan op een manier die bij elkeen
aan haat grenzende afgunst oproept. Als God, heersend over de wereld
zonder het de moeite waard te vinden je gezag te laten gelden, in te
grijpen in de loop van de gebeurtenissen, volkomen onbetrokken, zonder
interesse, ongenaakbaar als bestond je niet. Onverschilligheid is macht.
Hij besluit zijn laatste troef uit te spelen.
‘Ik wilde je meenemen,’ zegt hij, ‘naar de Oriental
Queen. De Oriental Queen, je weet nog wel.’
Niets wijst erop dat de naam haar iets zegt. Ze draait zich om en loopt
de keuken in, waar zij een vaas uit de kast neemt en de rozen begint
uit te pakken. In de bloemenwinkel was, herinnert Lester zich, aan de
kassa een papier bevestigd waarop de raad stond om een drupje tonic
aan het water toe te voegen.
Hij loopt haar achterna. ‘De Oriental Queen,’ houdt hij
vol. Daar wou je toch zo graag eens heen? Dat heb je zelf gezegd.’
‘Lester…’ Alicia heeft haar armen gestrekt, haar handen
liggen aan weerszijden van de rozen plat op het aanrecht. Al haar energie
lijkt naar het onderdrukken van wel duizend emoties te gaan. Hij doet
er goed aan te zwijgen, zoveel mag duidelijk zijn. Eén verkeerd
woord en alles, ronduit alles is mogelijk. Alicia kan voor zijn ogen
vuur vatten en in een mum van tijd tot stof en as vergaan. Eén
verkeerd woord van hem (en welke woorden zijn juist?) en het punt onder
Alicia’s voeten ontpopt zich tot het epicentrum van een aardbeving.
Zijn blik valt op de vaas. Deze vaas, een splinterbom van glas, is een
vervaarlijk en nietsontziend wapen. Zelfs een roos blijkt plots geschikt
om er iemand de keel mee af te snijden: één verkeerd woord,
één snelle beweging.
‘Lester, ik zou met je willen praten. Rustig. Vanavond. Thuis.’
| |
Een abonnement op de papieren versie van De Brakke hond kost slechts 32 euro. Klik hier voor een abonnement.
Nummer nabestellen? klik hier.
De Brakke Hond is geen tijdschrift voor hondenliefhebbers die zich interesseren voor hondenvoeding, hondenverzorging, puppies en hondenvakanties, het bevat 100% literatuur.
Schrijf u in op onze nieuwsbrief "Letters". Vul hier uw e-mailadres in: