| |
Vluchtig als rook in de wind - deel 1
Een maand of twee geleden is het begonnen: telkens als Lester Brandman
van zijn werk thuiskomt en de buitendeur achter zich dichtdoet, bekruipt
hem onweerstaanbaar het gevoel dat er hem een helse en wreedaardige
verrassing wacht. Hij weet niet hoe het komt of waar het mee te maken
heeft, maar gedurende de korte tijd die hij doorbrengt in de beslotenheid
van de hal, terwijl hij zijn jas uittrekt en hem aan de staande kapstok
hangt, acht hij ronduit alles mogelijk en zet hij zich schrap om straks
niet compleet van zijn sokken te worden geblazen. Hij bereidt zich voor
op het ergste, en dat doet hij uit louter zelfbehoud; onvoorbereid en
nietsvermoedend loopt hij gevaar, meent hij, om zo meteen te zullen
stikken, sterven van verbijstering.
In zijn verbeelding loopt hij bijvoorbeeld de trap op en staat vervolgens
in het deurgat van de badkamer te registreren hoe Alicia, haar blik
lijnrecht op de spiegel gericht, bezig is zich met blinde, mechanische
regelmaat in het gezicht te slaan, wang na wang na wang treffend.
Alles kan. Het hoeft maar plaats te vinden en het gebeurt. Meer is er
niet voor nodig.
Alicia zit naakt en wijdbeens op het aanrecht in de keuken, haar ogen
gesloten en haar mond een verticale geul; de Afrikaan werpt een blik
op Lester, maar lijkt er niet aan te denken zijn activiteit voortijdig
te staken.
Een Afrikaan? Waarom een Afrikaan? Maar waarom ook niet?
Lester treft letterlijk een bloedbad aan. In het midden ervan ligt,
als een grillige spierpees, het ontzielde en verdoemde witte lijf van
haar die ooit gezworen heeft hem nooit te zullen verlaten.
Het zijn vreemde, gruwelijke fantasieën, zonder enige link met
de werkelijkheid, maar het allervreemdste is nog, naar Lesters eigen
mening, dat de angst waarmee zijn visioenen hem steeds weer vervullen
zich vrij gemakkelijk beteugelen laat. Op het ergste bedacht, blijkt
hij erin te slagen zich tegen zijn angst te wapenen met het specifieke
mengsel van deemoed en daadkracht dat koelbloedigheid genoemd wordt,
en altijd opnieuw betreedt hij uiteindelijk de woonkamer met het geruststellende
gevoel eender welke situatie, hoe buitenissig ook, het hoofd te zullen
kunnen bieden. Hij houdt van dit gevoel, bedrieglijk als het zijn mag,
en mettertijd is hij dan ook begonnen zijn verblijf in de hal, op de
grens tussen zijn leven als werknemer en dat als echtgenoot, te koesteren
en zelfs te rekken, elke dag wat langer.
Deze vrijdagavond echter, het is eind november en al geruime tijd donker,
staat hij zichzelf geen uitstel toe. Hij heeft niet voor niets veel
sneller gereden dan gewoonlijk. Zelfs zijn dagelijkse visioen krijgt
amper kans zich toegang tot zijn geest te verschaffen, en blijft ontypisch
vaag – iets over Alicia die vliegensvlug de hoorn op de haak werpt,
een korte, blonde pruik van haar hoofd trekt en er haar tranen mee wist.
Haar tranen?
Hij doet zijn jas uit en draagt hem over zijn onderarm met zich mee
de woonkamer in, waarvan hij de deur achter zich dichtgooit. Dat hij
tegen zijn vaste gewoonte in verzuimd heeft zijn jas aan de kapstok
te hangen, merkt hij pas wanneer het kledingstuk zich abrupt van zijn
arm losmaakt, van het ene moment op het andere elke vorm van contact
met zijn lichaam verbreekt.
Alles kan. Het heden is het niemandsland tussen verleden en toekomst;
er gelden geen wetten.
Hij houdt halt en kijkt verward om zich heen. Tegen de deurstijl aangeleund
staat wat een seconde lang een zwart en kindgroot spook lijkt, nonchalant,
roerloos en uitdagend. Het spook verandert in zijn jas, maar dat maakt
het tafereel nauwelijks minder onthutsend: de klink van de deur steekt
door het bovenste knoopsgat, welk gat zich blijkt te hebben ontwikkeld
tot een lange, grijnzende scheur, die doorloopt tot halverwege de kraag.
Binnensmonds vloekend, zijn hoofd barstensvol bloed, keert Lester op
zijn schreden terug. De jas is nog redelijk nieuw, amper een jaar geleden
gekocht, wat niet wegneemt dat hij er sterk aan gehecht is. Hij heeft
nu eenmaal het vermogen blij te zijn met materiële dingen die hem
bevallen en is te allen tijde bereid om er zijn hart aan te verpanden,
zeker aan solide zaken als een dure winterjas, niet bedoeld om snel
aan slijtage onderhevig te zijn en na enkele maanden reeds te moeten
worden vervangen door een ander exemplaar.
Hij schuift de jas van de deurklink, neemt hem bijna teder in zijn armen,
als is hij van plan hem te wiegen, en inspecteert de onherstelbaar aandoende
schade eraan. Een wolk van rouw daalt over hem heen, hij voelt zich
zwaar van spijt worden. Hartstochtelijk verwijt hij zichzelf zijn onbezonnen
haast. Kon hij de klok maar terugdraaien, slechts één
enkele minuut!
Alles kan, maar dat dus niet…
‘Lester, wat sta jij hier te doen?’ hoort hij Alicia vragen.
Alvorens zich om te draaien en de vraag te beantwoorden, slikt Lester
Brandman twee keer achtereen. Zijn mond was leeg, hij heeft niets doorgeslikt,
en toch is het of er iets in zijn keel terechtkomt en zich ter hoogte
van zijn adamsappel vastzet.
‘Hallo, schatje,’ glimlacht hij schor, terwijl hij zich
naar Alicia toewendt. Hij glimlacht bepaald verdrietig, maar de uitdrukking
op zijn gezicht is niettegenstaande vele malen vrolijker dan hij zich
werkelijk voelt.
Toch blijkt Alicia hevig te schrikken. Ze steekt haar handen naar haar
man uit en vraagt: ‘Lester, wat scheelt er? Is er iets gebeurd?’
‘Nee, hoor,’ wuift hij weg. Hij heeft zich aangesteld, hij
weet het, en hij schaamt zich voor zijn onmacht om zijn verdriet te
relativeren. Zijn onmacht is sterker dan hij. Ontstellend veel dingen
zijn sterker dan hij. ‘Ik heb gewoon een stommiteit begaan. Haast
en spoed, je weet wel.’ Hij toont haar de jas, de kraag als een
dode vleugel tussen duim en wijsvinger.
‘O, wat zonde,’ zegt Alicia. Enigszins tot zijn verbazing
klinkt ze niet opgelucht. Ze neemt de jas van hem over en bestudeert
het letsel nauwgezet.
‘Aan de deurklink blijven haken toen ik binnenkwam,’ legt
hij uit. ‘Ik had mijn jas over mijn arm en die klink…’
‘Eeuwig zonde,’ zegt Alicia.
Zijn verbazing neemt nog toe. Hij had niet verwacht dat ze hem zou bijtreden
in zijn neiging om het spijtige voorval te dramatiseren. Niet op een
dag als deze, niet vandaag.
| |
Een abonnement op de papieren versie van De Brakke hond kost slechts 32 euro. Klik hier voor een abonnement.
Nummer nabestellen? klik hier.
De Brakke Hond is geen tijdschrift voor hondenliefhebbers die zich interesseren voor hondenvoeding, hondenverzorging, puppies en hondenvakanties, het bevat 100% literatuur.
Schrijf u in op onze nieuwsbrief "Letters". Vul hier uw e-mailadres in: