Een botergele maan scheen tevreden over het provinciestadje S., alwaar de plaatselijke assistent-arts Iwan Pawlowitsj Kazlow een wandeling maakte. Het was de eerste echt koude dag van de herfst en kleine wolkjes stoom kwamen uit de mond van de stevig doorstappende assistent-arts. Maar Iwan Pawlowitsj had het niet koud; zijn winterjas, die hij die ochtend voor het eerst sinds vijf maanden weer uit de kast had gehaald, was gevoerd met vossenbont en ook de paar glazen wodka die hij zojuist met een paar collega’s na het einde van hun dienst in de eetzaal van het Margarita-ziekenhuis genuttigd had, misten hun uitwerking niet. Zachtjes floot hij een deuntje voor zich uit.
‘Vier glaasjes, vier kleine glaasjes, precies goed,’ bromde hij, ‘vier glaasjes en geen glas meer, vier glaasjes, verduiveld! Dat kan toch geen kwaad,’ zei hij bij zichzelf, terwijl hij even in zijn diepe, warme zakken zijn vuisten balde.
Het geval wilde namelijk dat Iwan Pawlowitsj sinds een aantal maanden de kwalijke gewoonte had aangenomen om meer te drinken dan goed voor hem was. De laatste tijd probeerde hij daarom een beetje beter op te letten, al was het alleen maar omdat de directeur van het ziekenhuis, Dokter Nikolaj Leopoldowitsj Grigorjew, hem een paar dagen geleden op het matje geroepen had.
‘Mijn waarde Iwan Pawlowitsj Kazlow, U stelt mij teleur,’ had hij hem bij die gelegenheid toegevoegd, hem onderwijl streng aankijkend met zijn kille blauwe directeursogen, ‘en ik ben bang dat ik U een reprimande moet geven! U had zeker gedacht dat ik het niet gemerkt had! Hoe vergist U zich! Uw handen trilden vanochtend zo erg dat uw moeite had om de injectienaald recht te houden! Foei, U moest zich schamen!’
En schamen had Iwan Pawlowitsj zich gedaan. Hij zag zich nog heel goed met zwakke knieën voor het bureau van de Dokter staan, een bureau dat hem op dat moment nog imposanter voorkwam dan gewoonlijk; om zich een houding te geven had hij geprobeerd zich op het diploma te concentreren dat boven de kale schedel van de Dokter aan de muur hing. Hij had zich de rest van die vreselijke dag opgelaten gevoeld en zelfs nu nog kon hij een licht blozen niet onderdrukken als hij Dokter Grigorjew in de ziekenhuisgangen tegenkwam.
‘Vier glaasjes, en nu is het mooi geweest, mijn beste, thuis steek je de samowar aan, een hete kop thee met een soeplepel honing en daarna… onder de wol!,’ sprak Iwan Pawlowitsj zichzelf toe.
Juist op dat moment passeerde hij het spiksplinternieuwe belastingkantoor, een nepmarmeren kolos van vijftien verdiepingen hoog. In een paar ramen helemaal boven in het gebouw brandde nog licht. De steigers waren inmiddels van de muren verwijderd maar de werklui hadden hun materiaal nog niet opgehaald en de steigers lagen gedemonteerd opgeslagen op het trottoir, bedekt met dikke lagen plastic waaruit een paar ijzeren buizen staken. Het plastic wapperde in de wind en op de een of andere manier trof dat geluid Iwan Pawlowitsj bijzonder onaangenaam; het leek wel alsof het plastic geslagen werd. Het deed wanhopige pogingen om aan de harde klappen te ontkomen, maar hoe het ook probeerde zich in allerlei bochten te wringen, de wind liet zijn prooi niet los.
‘Wat een afschuwelijk lelijk gebouw,’ dacht Iwan, ‘hoe kunnen mensen zich in zo’n gedrocht op hun gemak voelen? Brrr…’ Snel stak hij de straat over. Een koude rilling gleed over zijn rug en bijna op hetzelfde moment begon een klein, lieflijk stemmetje in zijn binnenste te fluisteren: ‘een glaasje wodka zou er nu wel ingaan… eentje kan toch geen kwaad… toe, Ludmila’s café is vlakbij… een klein opwarmertje, daar zul je van opknappen…’
‘Vervloekte duivel!,’ weerklonk Iwans bulderende stem in de verlaten straat, zo luid dat Iwan er zelf van schrok en hij even om zich heen keek om te zien of niemand hem gehoord had, ‘ik heb je toch gezegd dat het voor vanavond mooi is geweest.’ Maar ondanks zijn ferme woorden sloeg hij linksaf, de Poesjkinsteeg in. In die steeg stonden geen lantaarnpalen, maar toch was het er niet helemaal donker: hoog in de hemel scheen de maan en iets lager lichtte het uithangbord van Ludmila’s café op.
‘Ik kijk alleen eventjes door het raam, om te zien of Ludmila vanavond achter de bar staat. Ik ga onder geen beding naar binnen…,’ fluisterde Iwan... En Iwan keek door het raam en hij zag dat Ludmila inderdaad achter de bar stond, ze maakte een fles wijn open. Iwan zag hoe Ludmila’s arm de lucht in ging; hij zag de blinkende flesopener in haar hand, hij zag haar zilveren armband en hij zag het zwart doorzichtige kanten truitje dat ze die avond droeg. En Iwans hand bewoog naar de deur. Hij voelde het koude koper van de klink al op zijn huid toen er iets vreemds gebeurde. Iwan moest aan iemand denken…ergens diep vanuit zijn binnenste drong zich een beeld naar voren, een gezicht. ‘Nikolaj Leopoldowitsj Grigorjew!,’ riep Iwan uit en verschrikt deinsde hij van de deur terug. Zijn hart klopte in zijn keel. Alsof hij pal voor hem had gestaan, zo duidelijk had Iwan het vertoornde gezicht van de directeur van het Margarita-ziekenhuis in een flits van een seconde aan zijn geestesoog zien verschijnen…. ‘Nikolaj Leopoldowitsj Grigorjew…,’ fluisterde hij zachtjes, terwijl hij verbluft naar de glazen deur van het café keek. En daarop begon hij onbedaarlijk te lachen.
‘Nikolaj Leopoldowitsj Grigorjew, daar heb je me toch een doodschrik bezorgd!,’ schudde hij zijn hoofd, ‘je bent me er een mooie!…mensen zo te laten schrikken! ’s Avonds laat! Zelfs hier houd je me in de gaten! Nu word ik zelfs al door je in de gaten gehouden wanneer je er niet bent!! Het is me wat moois!,’ galmde Iwans stem in de verlaten steeg. ‘Die arme Iwan Pawlowitsj al de hele dag door het hospitaal jagen, en hem dan zelfs ’s avonds nog niet met rust laten, foei, Nikolaj Leopoldowitsj, U moest zich schamen!… Nu, ik ben niet boos op je hoor, dankzij jou ben ik maar mooi aan mijn drankduivel ontsnapt!’
Hij verliet de Poesjkinsteeg en begon met grote stappen naar huis te lopen, energiek wolken uitblazend in de koude nacht. Hij was in een uitstekend humeur en elke keer dat hij aan het voorval dacht, barstte hij opnieuw in lachen uit. Zijn wandeling voerde door een helverlichte winkelstraat die tamelijk steil omhoog liep. De stad S. was namelijk gedeeltelijk op een heuvel gebouwd en Iwans huis bevond zich bijna boven aan de top. Sommige winkeliers hadden hun kerstetalage al ingericht, en hier en daar zag Iwan al een blozende en goedlachse kerstman. ‘Amerikaanse nieuwlichterij,’ dacht hij.
Aan het einde van de winkelstraat sloeg hij linksaf een donker straatje in, waar een paar vervallen 19e-eeuwse huizen stonden van vier verdiepingen hoog. In een van die huizen huurde Iwan een kamer op de bovenste verdieping. Nadat hij ook nog vier steile trappen had beklommen, haalde hij met bonzend hart en zwaar ademhalend de sleutels uit zijn zak.
Hij knipte het licht aan en keek met een verstrooide blik zijn kamer in: her en der verspreid lagen papieren, boeken en collegedictaten op de houten vloer; vuile hemden slingerden rond op de karige meubelstukken die in de zolderkamer stonden, en op het aanrecht stond een ontmoedigende berg afwas… ‘Een zwijnenstal,’ dacht Iwan, ‘een echte vrijgezellenkamer! Zondag maar weer eens opruimen…’
Hij viste een kopje uit de berg en stak de samowar aan. Voor de spiegel bleef hij even staan en streek bezorgd over zijn buik. ‘Je wordt dik Iwan Pawlowitsj!’ En hij wreef even over zijn kruin, het haar begon al een beetje dunner te worden… Even dacht hij aan Ludmila en er gleed een schaduw van treurigheid over zijn gezicht. ‘Bewegen! Ik moet meer bewegen. Misschien moet ik aan sport gaan doen,’ peinsde hij, terwijl hij een slok thee nam. En toen weerklonk er een doffe klop en het volgende moment was het aardedonker in de kamer.
‘De stoppen zijn gesprongen!,’ dacht hij. Op de tast liep hij naar het aanrecht; voorzichtig zette hij zijn kopje neer. Er werd aan de deur geklopt.
‘Iwan Pawlowitsj, Iwan Pawlowitsj, is bij jou de elektriciteit ook uitgevallen?,’ weerklonk vanuit de gang een nerveuze stem. Behoedzaam, met zijn voet de vloer aftastend naar rondslingerende boeken, liep Iwan naar de voordeur. In de gedrongen schaduw die voor hem stond herkende hij gemakkelijk de omtrekken van zijn buurman, de gepensioneerde kapitein Stepan Dimitrow. Ook het trappenhuis was in een diep duister gehuld.
‘Een stroomstoring in het hele huis! Maak je geen zorgen Stepan Dimitrow, dat gaat zo wel weer over. Ik kan je wel een paar kaarsen geven in de tussentijd…’
‘Graag Iwan Pawlowitsj… Wat een toestand! Je ziet geen hand voor ogen. Je zou je nek nog breken in je eigen huis. Heb je ook lucifers? En de verwarming is ook al uitgevallen. Wat een ellende!’
‘Rustig maar Stepan Dimitrow! Je zult heus niet doodvriezen vannacht. Wacht even…’ Iwans ogen waren al enigszins aan het duister gewend en zonder veel moeite vond hij een pak kaarsen en een doosje lucifers in het keukenkastje boven het aanrecht. Hij stak een kaars aan. In het kaarslicht leek het gezicht van zijn buurman die door een zenuwtic voortdurend met zijn mond trilde nog magerder en onrustiger dan gewoonlijk. Aan zijn glazige oogjes zag Iwan dat hij vanavond weer stevig had gedronken. Iwan overhandigde hem een paar kaarsen en een doosje lucifers.
‘Zo Stepan Dimitrow, nu kun je je fles wodka weer vinden! Alsjeblieft mijn beste!’ En Iwan sloot de deur voor de neus van de verblufte Stepan Dimitrow, die zelfs de tijd niet had gekregen om verontwaardigd te snuiven. Met de brandende kaars in zijn hand liep Iwan naar het raam en deed de gordijnen open. Eerst zag hij de maan. Rond als een schotel verlichtte ze de nachtelijke hemel. Pas daarna keek hij naar de huizen aan de overkant. Inktzwart. Geen enkel raam was verlicht. De lantaarnpalen in de straat waren uit. Ondanks de kou maakte Iwan het raam open. Hij keek naar rechts. Naar links. Niets. De gebouwen waren in zwarte blokken veranderd. Zo veel zwart had Iwan nog nooit gezien. Een ondoordringbare duisternis, in welke richting hij ook keek. Het enige licht dat scheen was de maan, hoog, ver weg, in de lucht.
‘Iwan Pawlowitsj, Iwan Pawlowitsj, heb je dat gezien?,’ klonk een angstig stemmetje van rechts. Ook Stepan Dimitrow had het raam geopend.
‘De hele wijk, Iwan Pawlowitsj, in de hele wijk is de stroom uitgevallen. Oh, oh, wat moeten we nu doen, Iwan Pawlowitsj? Misschien zit de hele stad wel zonder stroom, wie weet het gouvernement…’
‘Beslist heel Rusland! Geen paniek Stepan Dimitrow, gewoon een technische storing, dat is alles! Lang zal het wel niet duren…’ zei Iwan.
‘Ik ga de politie bellen! Ja! De politie!,’ galmde de onvaste stem van Stepan Dimitrow door de nacht.
‘Doe dat, Stepan Dimitrow, doe dat vooral! Ik ga naar buiten om te kijken of het een paar straten verder ook donker is,’ antwoordde Iwan, die het raam sloot. ‘Een stroomstoring! Misschien is de hele stad wel in duisternis gehuld!,’ dacht hij. Een gevoel van opwinding maakte zich van hem meester. Snel stak hij een grote familiedoos lucifers en twee kaarsen in zijn jaszak en ging hij de gang op. Voorzichtig, bang om te struikelen, liep hij de grotendeels onzichtbare trap af, een brandende kaars in zijn hand. Wat zag het trappenhuis er anders uit bij kaarslicht! Het toverachtig flikkerende vlammetje bewoog onrustig op en neer, grote stukken muur oplichtend die een moment later weer in een diep mysterieus zwart werden gehuld. Iwan had het idee dat hij niet zijn eigen trap afdaalde, maar de trap in een of ander gotisch kasteel. Met kloppend hart maakte hij de voordeur open en liep naar buiten, de donkere straat in, die zwart was als het binnenste van een handschoen. Het leek wel alsof hij het duister kon aanraken, zo dik en zwaar was de nacht die tussen de huizen hing, en als een blinde stak Iwan zijn vrije hand uit. Iets verderop hoorde hij stemmen. Met zijn hand de vlam van de kaars beschermend tegen de wind, liep hij met kleine passen in de richting van het geluid. Al heel snel kon Iwan een paar spookachtig bewegende zwarte vlekken onderscheiden en even bekroop Iwan het griezelige gevoel dat hij zo door hen heen zou kunnen lopen. Hij was het groepje schimmen inmiddels zo dicht genaderd dat hij hun gesprek kon volgen.
‘Wat een toestand! En de regering steekt natuurlijk geen poot uit om ons te helpen. Allemaal criminelen! Dat was vroeger wel anders! Onder vadertje Stalin was dit nooit gebeurd!,’ sprak een vrouwenstem.
‘Spreek geen onzin Tatiana Witowtowa! Toen de communisten nog aan de macht waren, viel de elektriciteit elke week uit. En als we daarover klaagden, stuurde jouw vadertje Stalin ons zonder met zijn ogen te knipperen naar Siberië…Of weet je soms niet meer dat we allemaal bang waren dat er ’s nachts aan de deur geklopt zou worden… Hé! Wat krijgen we nou? Daar komt iemand aan!,’ zei een plotseling angstig klinkende mannenstem die het naderende vlammetje had opgemerkt.
‘Goedenavond, excuseert u mij dat ik u aan het schrikken gemaakt heb. Ik woon hier in de straat en ik ben naar buiten gegaan om iets meer te weten te komen over de stroomstoring. En toen hoorde ik uw stemmen, en wel, en toen…’ In het kaarslicht kon Iwan nu duidelijk de gezichten van drie oude mensen onderscheiden.
‘In de hele stad meneer! De hele stad: pikdonker! Ik heb het met mijn eigen ogen gezien, meneer, zo waar ik nu voor u sta! Een totale stroomuitval! Zomaar! Weg! Alles weg! Geen licht meer, geen verwarming meer, geen radio, geen televisie, niks! Alleen nog maar kaarsen en houtvuur… Een regelrechte ramp! In een klap zijn we teruggevallen in de oude tijd! Welkom in de 19e eeuw meneer!,’ zei de man die zojuist de vrouw had tegengesproken.
‘Ik heb het je wel gezegd, die smerige kapitalisten laten ons creperen van de kou! Ons gas, ons mooie Russische gas hebben ze verkwanseld aan de Amerikanen en de Duitsers! Alles hebben ze verkocht! Zelfs het Kremlin!,’ sprak diezelfde vrouw, die, zo zag Iwan, een flink behaard gezicht had; grijze haren, lang als een geitensik, staken uit de kin van het oudje. Iwan knikte beleefd.
‘Ach Tatiana Witowtowa, jij slaat alleen maar wartaal uit. Het internationale grootkapitaal heeft hier helemaal niets mee te maken. Het zijn de Tsjetenen! Die vuile terroristen hebben de centrale opgeblazen! U weet wel meneer, de elektriciteitscentrale die aan de Wolga ligt, veertig werst hier vandaan,’ sprak de man weer.
‘Jullie zijn allebei niet goed wijs,’ zei een derde, een lange magere man die een hoornen bril droeg, ‘de centrale in ons gouvernement stamt nog uit de tijd van Peter de Grote! Nogal logisch dat ie het niet meer doet!’
‘Die gaan vast nog door met kibbelen als ze op het kerkhof naast elkaar liggen,’ dacht Iwan geërgerd, en met een paar beleefde woorden nam hij afscheid van de oudjes. Toen hij na een paar meter omkeek was er van hen geen spoor meer te bekennen, ze waren verzwolgen door de nacht.
Bij elke stap die Iwan zette, dreigde de wind zijn kaars uit te blazen, hoe hij ook probeerde de vlam met zijn hand te beschutten, en al heel snel kreeg hij er genoeg van en blies de kaars uit en stak hem in zijn zak. Hij was inmiddels aan het einde van zijn straat aangekomen en nieuwsgierig wierp hij een blik naar rechts, de winkelstraat in. Verbaasd bleef hij staan. De stad was weg. De gouden koepel van de Nikolai-kerk was verdwenen. Niets was er nog te zien van de provinciestad S. die Iwan normaal gesproken op die plek voor zich uitgestrekt zag liggen. En de winkelstraat zelf was in een geraamte veranderd. Geen enkele etalage was nog verlicht. De honderden lampen die op andere avonden mensen de straat in lokten, waren uit.
‘Een spookstad,’ fluisterde Iwan.
Het enige wat er van de straat over leek te zijn, waren hoge zwarte muren, scherp uitgesneden in de lucht. Want de winkelstraat was niet in een totale duisternis gehuld; hoog in de hemel scheen krachtig een ronde maan en tussen de daken van de huizen hing een tintelend, zilverachtig toverlicht…
‘Onder de maan,’ fluisterde Iwan. En een gevoel van blijdschap, zoals hij dat in jaren niet gevoeld had, nam bezit van hem.
De maanstralen drongen niet door tot aan de benedenetages, en het trottoir waarover Iwan liep, bleef bedekt onder een laag ondoordringbaar zwart. Bang om te vallen zette hij voorzichtig de ene voet voor de andere, de straattegels aftastend naar onzichtbare hindernissen. Vanuit de ramen van het restaurant op de hoek van de Alexanderlaan kwam licht; overal op de tafels waren kaarsen geplaatst en Iwan zag hoe de gasten aan de tafeltjes zich voorover bogen om elkaar beter te kunnen zien. ‘Wat ziet het er vanavond gezellig uit,’ dacht Iwan, die nog nooit in het restaurant gegeten had. Bijna was hij naar binnen gelopen om in de warme rode gloed die uit de ramen scheen een glaasje aan de bar te drinken, maar hij bedacht zich bijtijds en liep verder de heuvel af, in de richting van het kanaal. Hij was er inmiddels aan gewend te lopen zonder te zien waar hij zijn voeten neerzette en gaandeweg versnelde hij zijn pas. Soms kwam hij mensen tegen die hij pas op het laatste moment kon zien; een wit gezicht in een bewegende schaduw doemde dan plotseling voor hem op, onverwacht dichtbij, om dan weer even snel te verdwijnen. ‘Als een schim in de nacht,’ dacht Iwan huiverend. Om hem heen hoorde hij stemmen van mensen die verborgen bleven in de duisternis. En overal in de lucht voelde hij een nerveuze opwinding en langzaam maar zeker bekroop hem het gevoel dat de mensen deze nacht tot alles in staat waren omdat niemand hen kon zien… ‘Ludmila…,’ dacht hij, en hij versnelde nogmaals zijn pas. Hij sloeg linksaf, en na een paar meter zag hij het Catharina-kanaal voor zich liggen. De maan had een zilveren kleed uitgespreid over het kalm voortstromende water, en in weerwil van zijn verlangen Ludmila te zien, bleef Iwan aan de grond genageld staan. Nimmer had het kanaal hem zo mooi toegeschenen, zo sprookjesachtig, als in deze novembernacht. Het zilvergerimpelde water leek in niets op de grijszwarte watermassa waarop normaalgesproken ‘s avonds vieze oranje lichtvlekken van lantaarns dreven, verveeld en naargeestig.
‘Catharina’s kanaal, zoals zij het zelf nog gezien heeft…,1*’ fluisterde Iwan, en zijn hart bonkte in zijn keel, ‘Catherina’s kanaal, gezuiverd en gewassen door de maan...’
Op dat moment hoorde hij voetstappen achter zich, en snel vervolgde hij zijn weg. Voordat hij de Poesjkinsteeg insloeg, wierp hij een blik over zijn schouder naar de overkant. Een dreigende schaduw boorde zich hoog de hemel in. Iets voor de donkere schaduw zweefde een vreemd voorwerp door de lucht. Een stapel langwerpige buizen, bedekt met een soort transparante laag die op bepaalde plekken fonkelde als een diamant… ‘Het belastingkantoor…,’ dacht hij verbaasd…. ‘De maan bedekt al het lelijke onder een zwarte deken en de rest hult ze in een zilveren gewaad…’
In zijn middelbare schooljaren had Iwan een schrift volgeschreven met lyrische gedichten, een schrift dat hij zorgvuldig bewaarde maar eigenlijk nooit meer in durfde te kijken. En terwijl hij naar de opgeslagen steigers staarde moest Iwan plotsklaps aan dit schrift denken… Onwillekeurig even licht blozend wendde hij zijn blik af en draaide zich weer om. Het uithangbord van het café was uit maar er kwam licht uit het raam… ‘Ze heeft het café niet gesloten!,’ dacht hij opgelucht.
‘Iwan!,’ riep ze toen ze hem op de drempel zag staan, en een stralende glimlach lichtte op van onder haar groenbruine dierenogen. Iwans hart maakte een sprong van vreugde.
‘Zou ze soms blij zijn dat ik er ben, ik…?,’ schoot het door hem heen. Met grote, onhandige passen liep hij naar de bar.
‘Vind je het café niet mooi vanavond, Iwan?,’ vroeg Ludmila. Het duurde even tot de betekenis van haar woorden tot hem doordrong. Hij keek om zich heen het zaaltje in en zag dat ook hier overal op de tafels en langs de muren kaarsen waren geplaatst die een aangename rode gloed verspreidden in het normaal gesproken tamelijk vervallen en lelijk ogende café.
‘Toen de elektriciteit uitviel ben ik meteen in de kelder gaan kijken en gelukkig lag daar een hele stapel kaarsen! En moet je nu eens zien hoe het café er bij ligt! Van mij mag de stroom elke avond uitvallen. Alleen jammer dat er nu ook geen muziek meer is…’ Dromerig keek ze naar de theelichtjes die ze eerder die avond op de bar had gezet; ze dreven in diepe borden gevuld met water. De kleine vlammetjes bewogen onrustig op en neer, maar Iwan had slechts oog voor de reflecterende schaduwen die ze wierpen in Ludmila’s gezicht.
‘Ook jij bent vanavond mooier dan ooit, Ludmila,’ fluisterde Iwan zo zachtjes dat ze het onmogelijk kon horen, maar hij zag aan haar plotseling opflitsende ogen dat ze begreep wat hij had gezegd, en even huiverde hij.
‘Wat kan ik voor je inschenken, Iwan?,’ vroeg ze met een stem die hem zachter toescheen dan gewoonlijk. Heel even, heel kort, legde ze haar hand op de zijne.
‘Het is het kaarslicht!,’ dacht hij, ‘het kaarslicht maakt mij ook mooier.’
‘Euh… een… glaasje wodka… Ludmila…alsjeblieft… Heb je geen moeilijkheden gehad vanavond?’
‘Nee hoor, alles in orde… Ik heb het idee dat het kaarslicht hen een beetje kalmeert…Ze drinken in ieder geval minder snel dan gewoonlijk… Hier, je wodka…’
Op dat moment riep iemand Ludmila naar het andere einde van de bar. Iwan keek haar na. Hij keek naar de bruine krullen in haar hals, hij keek naar haar zwart doorzichtige kanten truitje waardoorheen hij eenvoudig haar bh kon zien, hij keek naar de vorm van haar billen in haar zwarte strakke broek, hij keek naar haar slanke benen en ten slotte keek hij naar haar zwarte enkellaarsjes. Hij zuchtte. Eigenlijk schaamde hij zich voor deze keurende blik en bijna geërgerd draaide hij zich om naar het kleine cafézaaltje. Het was niet al te druk vanavond. Aan de tien tafeltjes die in het zaaltje stonden, zaten hooguit een man of twaalf, verspreid in rustig pratende groepjes of stelletjes. Zijn blik werd getroffen door twee mannen die zwijgzaam zaten te schaken. Om de een of andere manier had hij het idee dat hij hen al wel eens eerder had gezien. Ze waren verdiept in het spel en merkten helemaal niet op dat Iwan naar hen keek.
‘Wat hebben die heren edele trekken!,’ dacht Iwan. Hij nipte aan zijn glas. Een uitdrukking van diepe concentratie lag op de gezichten van beide spelers. Op een gegeven moment bewoog een van de spelers heel langzaam zijn hand naar een van zijn stukken; gedurende een paar seconden zweefde de hand boven het bord, daarna tilde hij voorzichtig een witte loper op en sloeg met dat stuk een paard van zijn tegenstander. Iwan zag hoe de schaakspeler het paard nog lange tijd vasthield voordat hij het behoedzaam naast het speelbord neerzette.
‘Iwan…,’ hoorde hij plotseling Ludmila’s stem achter zijn rug. Met een schok draaide hij zich om.
‘Ik ben het maar hoor! Ik wilde je niet laten schrikken!’ Lachend en met stralende ogen keek Ludmilla hem aan en een golf van vreugde stroomde door Iwans ziel.
‘Zeg eens Iwan, hoe was het buiten?’
‘Ach Ludmila, de stad is zo mooi vanavond! De maan is een koningin, wist je dat Ludmila? Vanavond is ze weer op haar troon gaan zitten! Barmhartig hult ze alles wat lelijk is in duisternis… En de rest schittert onder haar maanstralen…door het kanaal stroomt zilverwater… Je zou het moeten zien, Ludmila. De stad is zo trots als een pauw dat ze weer zo mooi is geworden!’
‘Heb je soms koorts, Iwan? Heb je gedronken? Je praat zo…vreemd. “De stad is zo trots als een pauw” – toe maar!’
‘Plaag me niet zo, Ludmila… Ik…ik laat me misschien een beetje gaan…”
Maar ze hoorde hem al niet meer want op dat moment sprongen met een doffe klap alle lampen in het café aan. Op hetzelfde moment begon ook de radio weer te spelen. Een gejuich steeg op uit de cafézaal. Harde, westerse muziek schelde uit de luidsprekers en een fel, verblindend licht vulde het hele café en drong door tot in alle hoeken en gaten. Verdoofd en met samengeknepen ogen staarde Iwan om zich heen. Mensen stonden bruusk op van hun tafeltjes om aan de bar iets te bestellen, anderen staken hun hand op, nog weer anderen klapten in hun handen en riepen ‘Hoera! Licht! Het licht is weergekeerd!’, en de twee schakers hadden hun spel gestaakt. Iwan had de indruk dat hij zich plotseling in een heksenketel bevond, een orgie van licht en geluid. En alles was plotseling zo dichtbij, zo naakt… Iwan zag de scheuren in de vergeelde muren en de groene schimmelplekken op het plafond; hij zag de rode, pafferige gezichten en bloeddoorlopen ogen van de stamgasten aan de tafeltjes in de hoek; hij zag de zwarte randen onder de nagels van de man die naast hem stond en de puist op zijn neus, hij zag een barstje in zijn eigen glas. Hij nam een slok, het smaakte metalig. Hij keek naar Ludmila, die handen te kort kwam om de gasten te helpen met hun bestelling. Ze zag er moe uit, de wallen onder haar ogen waren diep en grijs. Haar kanten truitje was bij de hals een beetje versleten en om de zomen bij de pols zat een vettig randje.
‘Nee,’ dacht Iwan treurig, ‘het is niet goed om de dingen te goed te zien. Misschien kan ik maar beter naar huis gaan…’
Hij tastte al in zijn broekzak voor zijn portemonnee toen hij schuin achter zich een stem hoorde die hem bekend voorkwam.
‘Zeg, is dat niet de assistent-arts van het Margarita-ziekenhuis, hoe heet hij ook alweer?… Iwan Fjodorowitsj Kazlow?,’ vroeg iemand. Iwan bleef stokstijf staan.
‘Iwan Pawlowitsj Kazlow zul je bedoelen. Ja hoor, dat is hem,’ antwoordde een tweede stem. Het kwam uit de richting van de schaakspelers.
‘Wat doet die hier? Moet die niet in het ziekenhuis zijn op zo’n avond? Ze kunnen daar toch alle hulp gebruiken, lijkt me. Stel je voor, een beetje staan zuipen aan de bar terwijl in jouw ziekenhuis de stroom is uitgevallen!,’ zei de eerste weer.
‘Sst! Niet zo hard! Straks hoort hij je nog…’
‘Het zou wat. Schandalig vind ik het. Zelfs op gewone avonden hebben ze al personeel te weinig….’
Iwan had hun stemmen herkend. De twee schaakspelers waren Andrej en Vladimir, twee kruideniers die in de buurt van het Margarita-ziekenhuis een winkeltje uitbaatten. Hij legde een paar kopeken op de bar en zonder Ludmila te groeten liep hij het café uit. Het uithangbord was weer aan, maar Iwan zag het niet, hologig staarde hij voor zich uit terwijl hij als een slaapwandelaar langs het belastingkantoor liep. Hij zag niet dat op de bovenste verdieping licht uit de ramen scheen en ook het onheilspellende geluid van klepperend plastic merkte hij niet op. De woorden van de kruideniers hadden een luik in Iwans ziel opengezet en in sneltempo viel hij naar beneden…
‘Waarom ben ik vanavond niet naar het ziekenhuis gegaan? Waarom heb ik zelfs niet één keer aan het ziekenhuis gedacht? Heb ik dan geen enkele liefde voor mijn patiënten, geen enkele liefde voor mijn werk? Is mijn leven dan één grote leugen?’
En Iwan wist het antwoord. Hij wist dat hij niet van zijn werk hield en niet van zijn patiënten en dat hij nooit een goede arts zou worden. En dat hij dat had geweten vanaf de eerste dag dat hij als eerstejaarsstudent een witte doktersjas had aangetrokken in Dokter Grigorjews laboratorium… Hij was misselijk geworden van de geur van ether. Het menselijk lichaam maakte hem bang, een zielige hoop rottende ingewanden, dichtgenaaid in een zak vol gaten, was het eens door hem heen geschoten tijdens een college anatomie… Met tegenzin voerde hij zijn onderzoeken uit, met tegenzin stelde hij zijn diagnoses. Het lot van zijn patiënten liet hem uiteindelijk koud… Hij had het altijd al geweten. Maar hij had niet direct willen ophouden. En nu was het te laat…
Hij stond voor het kanaal. In het water dreven gele lantaarnvlekken. In zijn zakken voelde hij twee kaarsen.
‘Springen?,’ dacht hij. Hij haalde de kaarsen uit zijn zak en wierp ze in het kanaal. ‘Ook daar ben je niet geschikt voor…,’ fluisterde hij. En voor het eerst van zijn leven voelde hij die avond een koude verachting voor zichzelf, een gevoel dat hem de rest van zijn leven zou vergezellen. Soms zou het gevoel sterk zijn en soms minder sterk, en bij tijden zelfs zo zwak dat hij het bijna vergat… Maar altijd zou er ergens diep in zijn binnenste een stemmetje zijn dat hem toefluisterde dat hij een leugenaar was, een leugenaar en een slecht mens….
Iwan zette zijn kraag op. Traag, zijn rug licht gebogen, liep hij verder.
Hoog, en ver weg aan de hemel, scheen nog steeds de maan.
| |
Een abonnement op de papieren versie van De Brakke hond kost slechts 32 euro. Klik hier voor een abonnement.
Nummer nabestellen? klik hier.
De Brakke Hond is geen tijdschrift voor hondenliefhebbers die zich interesseren voor hondenvoeding, hondenverzorging, puppies en hondenvakanties, het bevat 100% literatuur.
Schrijf u in op onze nieuwsbrief "Letters". Vul hier uw e-mailadres in: