Vlaams Fonds

Home > 97 > Joseph Pearce

Joseph Pearce


1916 Duitsland
(deel 6)

Overigens was hij niet zeker of hij echt kunstenaarsbloed bezat. Zeker was alleen dat hij de poëzie pas had ontdekt toen hij slecht presteerde op school en zijn vader ermee dreigde hem van het gymnasium te halen en in zijn zaak aan het werk te zetten. Vertegenwoordiger in speelgoed was het laatste dat hij wilde. Stel je voor, tot aan zijn pensioen met blikken trompetten en pluchen beren leuren, wat was er kinderachtiger dan dat? In plaats van beterschap op school te beloven, besloot hij om de kunstenaar uit te hangen, zo kon hij niet alleen aan de gehate school ontsnappen maar zich ook op zijn vader wreken. Het was de gedroomde provocatie. Zijn vader, zoals iedere stramme Pruis van mening dat de nieuwe dichtkunst uit oplichters bestond die hun fatsoen te grabbel gooiden en voor hun plezier de reputatie van de keizer en het vaderland besmeurden, beet hem toe dat hij niets meer met hem wilde te maken hebben zolang hij niet tot inkeer kwam.

Hoewel hij niet lang daarna inderdaad tot inkeer was gekomen omdat hij had ingezien dat zijn besluit om met de school te kappen en zich als dichter aan te stellen alleen had kunnen rijpen in het hoofd van een onrijpe adolescent die niet wist wat hij wilde worden en nog minder wat hij niet wilde worden, had het conflict met zijn vader toch op een terrein een positief gevolg gehad. Voor het eerst had hij gevoeld wat passie was. Het was een groeistoot waarbij hij niet alleen zijn korte broek voor een lange inwisselde maar ook zijn onzekerheid voor zelfbewustheid ruilde. Natuurlijk was zijn revolutie niet meer dan een voorspelbaar ritueel. Sommigen zweetten hun jeugdige verwarring uit in gymnastiekclubs, anderen maakten een meisje zwanger, nog anderen verloren zich in eeuwig pessimisme of maakten verre reizen. Hij was een poëet geworden. De pose en de aanstellerij hoorden erbij, anders maakte hij zich in de rokerige cafés rond de universiteit belachelijk bij zijn gelijkgestemden. Uit het gelid lopen was een voorrecht, de woede van zijn vader een geschenk waarvan hij de waarde nauwelijks kon inschatten.

Toen de oorlog uitbrak, vielen die kinderlijke gewoontes als versleten kleren van hem af. Wat stelden de kapsones van een verwarde jongen voor wanneer het vaderland mannen nodig had? Een oorlogscampagne kon alleen met succes gevoerd worden als iedereen samen oprukte, verbonden door een gemeenschappelijke wil, samengesmeed door een en hetzelfde doel. Alleen zijn poëzie had hij niet in de steek gelaten, ook al waren de experimenten voorbij en schreef hij nu sentimentele liefdesgedichten, niet zonder succes overigens, zowel de krant van het Tweede Silezische Grenadierregiment Friedrich III als de dagbladen in Breslau hadden nood aan eenvoudige versregels die de soldatenziel verkwikten en het moreel hooghielden.

De majoor had hem in het moeras van zijn jeugdige verwarring teruggedreven.
Alleen was hij er nog niet uit of hij zich schaamde om de uitbrander om zijn slordig werk of om de spottende opmerking over zijn joodse afkomst. Natuurlijk wist de majoor niet dat hij zijn werk gewetensvol deed. Maar waarom moest hij Joden tellen en geen lutheranen of katholieken? Waarom kregen Joden een aparte behandeling? En waar diende die Jodentelling voor?

Hoewel Leo begreep dat hij een kind was van een volk dat het Noodlot als een worgtouw om zijn hals had vastgebonden, was hij er altijd zeker van geweest dat hij die strop had losgemaakt en van zich had afgeworpen. Was die verlossing een illusie? Als er een gat in de brug was, viel de Jood er dan altijd door? Kon hij zichzelf onmogelijk ontvluchten? Als dat het geval was, had hij daar zelf schuld aan. Hij mocht spartelen zoveel hij wilde, hij raakte nooit bevrijd.

Leo rukte met zoveel kracht een haar uit zijn wenkbrauw dat de tranen uit zijn ogen sprongen en hij nauwelijks een kreet van pijn kon onderdrukken. Het was nog veel erger. Hoe meer een Jood zich probeerde los te wrikken, des te strakker haalde hij de strop aan. De Joden werden geteld om te zien of ze in voldoende aantallen sneuvelden. Waarom wilde de legerleiding dat onderzoeken als hun wantrouwen niet gerechtvaardigd was? Lothar en Ludwig stonden dag en nacht aan duizenden gevaren bloot. Een mirakel als ze met een Heimschuss uit de loopgraven zouden terugkeren. Waren zij uitzonderingen? Hielden alle andere Joden zich schuil? Hadden ze zoals hij een luizenbaan achter het front? Toch kon zijn taak niet worden afgeschaft. Achter iedere fuselier stond een leger helpers. Een kokhulpje was geen verstekeling maar een volwaardig bemanningslid en evenzeer nodig als de scheepskapitein.

Bovendien had hij geen kantoorklerk willen worden, maar net zoals zijn broers met een wapen in de hand naar voren stormen en de vijand overrompelen. De medische keuring had hem dat belet. Zwakke ogen, zwakke longen, een zwak hart. Zijn teleurstelling was zo groot dat hij naar zijn oom in Berlijn gebeld had en hem had gesmeekt om zijn invloed op het ministerie van Binnenlandse Zaken aan te wenden om hem geschikt voor frontdienst te verklaren. Zijn oom had hartelijk gelachen. Jij bent de eerste, zei hij, die een baantje najaagt als kanonnenvoer. Waarom vraag je niet om ter plekke te worden doodgeschoten? Dat zou het leger een dure opleiding besparen.

De mekkerende lach van zijn oom klonk Leo nog in de oren. Hij balde zijn vuisten van woede. Met de heldendood van dappere soldaten werd niet gespot. Natuurlijk wist hij dat de oorlog het rijk een vermogen kostte en dat er nu en dan een lafaard zijn plicht verzuimde. Zulke lieden verdienden het executiepeloton, ze waren geen haar beter dan deserteurs. Ook zijn oom was een verrader. Welke rechtgeaarde patriot misgunde een soldaat de kans om zijn bajonet in de buik van de vijand te stoten?

Leo keek naar zijn slapende kameraden.
Soms was een Jood herkenbaar, soms ook niet. Op school hadden zowel Joden met een haakneus en zwart haar als met een wipneus en blond haar gezeten. En wie van deze mannen in het rijtuig was een frontsoldaat, wie een pennenlikker zoals hij? Iedereen had een snor en droeg een verkreukeld uniform, iedereen zag er moe en ondervoed uit.

Toen de trein een tunnel inreed en het gedaver van de locomotief tegen de wanden botste en honderdvoudig werd weerkaatst, schoot het Leo te binnen dat de waarheid hem al die tijd in de ogen had gestaard. Alleen een dode Jood was een goede Jood.

(Deze tekst is een fragment uit de nieuwe roman van Joseph Pearce, Vaderland, die in het voorjaar van 2008 verschijnt bij uitgeverij Meulenhoff/Manteau)

©Joseph Pearce

 

inhoudsopgave nr. 97


abonneren

Een abonnement op de papieren versie van De Brakke hond kost slechts 32 euro. Klik hier voor een abonnement.

Nummer nabestellen? klik hier.

boekenlinks

Proxis
boekenbank
DBNL

Over De Brakke Hond

De Brakke Hond is geen tijdschrift voor hondenliefhebbers die zich interesseren voor hondenvoeding, hondenverzorging, puppies en hondenvakanties, het bevat 100% literatuur.


nieuwsbrief

Schrijf u in op onze nieuwsbrief "Letters". Vul hier uw e-mailadres in:


AanmeldenAfmelden


Powered by YourMailinglistProvider.com