| |
1916 Duitsland (deel 6)
Overigens was hij niet zeker of hij echt kunstenaarsbloed bezat. Zeker
was alleen dat hij de poëzie pas had ontdekt toen hij slecht presteerde
op school en zijn vader ermee dreigde hem van het gymnasium te halen
en in zijn zaak aan het werk te zetten. Vertegenwoordiger in speelgoed
was het laatste dat hij wilde. Stel je voor, tot aan zijn pensioen met
blikken trompetten en pluchen beren leuren, wat was er kinderachtiger
dan dat? In plaats van beterschap op school te beloven, besloot hij
om de kunstenaar uit te hangen, zo kon hij niet alleen aan de gehate
school ontsnappen maar zich ook op zijn vader wreken. Het was de gedroomde
provocatie. Zijn vader, zoals iedere stramme Pruis van mening dat de
nieuwe dichtkunst uit oplichters bestond die hun fatsoen te grabbel
gooiden en voor hun plezier de reputatie van de keizer en het vaderland
besmeurden, beet hem toe dat hij niets meer met hem wilde te maken hebben
zolang hij niet tot inkeer kwam.
Hoewel hij niet lang daarna inderdaad tot inkeer was gekomen omdat hij
had ingezien dat zijn besluit om met de school te kappen en zich als
dichter aan te stellen alleen had kunnen rijpen in het hoofd van een
onrijpe adolescent die niet wist wat hij wilde worden en nog minder
wat hij niet wilde worden, had het conflict met zijn vader toch op een
terrein een positief gevolg gehad. Voor het eerst had hij gevoeld wat
passie was. Het was een groeistoot waarbij hij niet alleen zijn korte
broek voor een lange inwisselde maar ook zijn onzekerheid voor zelfbewustheid
ruilde. Natuurlijk was zijn revolutie niet meer dan een voorspelbaar
ritueel. Sommigen zweetten hun jeugdige verwarring uit in gymnastiekclubs,
anderen maakten een meisje zwanger, nog anderen verloren zich in eeuwig
pessimisme of maakten verre reizen. Hij was een poëet geworden. De pose
en de aanstellerij hoorden erbij, anders maakte hij zich in de rokerige
cafés rond de universiteit belachelijk bij zijn gelijkgestemden. Uit
het gelid lopen was een voorrecht, de woede van zijn vader een geschenk
waarvan hij de waarde nauwelijks kon inschatten.
Toen de oorlog uitbrak, vielen die kinderlijke gewoontes als versleten
kleren van hem af. Wat stelden de kapsones van een verwarde jongen voor
wanneer het vaderland mannen nodig had? Een oorlogscampagne kon alleen
met succes gevoerd worden als iedereen samen oprukte, verbonden door
een gemeenschappelijke wil, samengesmeed door een en hetzelfde doel.
Alleen zijn poëzie had hij niet in de steek gelaten, ook al waren de
experimenten voorbij en schreef hij nu sentimentele liefdesgedichten,
niet zonder succes overigens, zowel de krant van het Tweede Silezische
Grenadierregiment Friedrich III als de dagbladen in Breslau hadden nood
aan eenvoudige versregels die de soldatenziel verkwikten en het moreel
hooghielden.
De majoor had hem in het moeras van zijn jeugdige verwarring teruggedreven.
Alleen was hij er nog niet uit of hij zich schaamde om de uitbrander
om zijn slordig werk of om de spottende opmerking over zijn joodse afkomst.
Natuurlijk wist de majoor niet dat hij zijn werk gewetensvol deed. Maar
waarom moest hij Joden tellen en geen lutheranen of katholieken? Waarom
kregen Joden een aparte behandeling? En waar diende die Jodentelling
voor?
Hoewel Leo begreep dat hij een kind was van een volk dat het Noodlot
als een worgtouw om zijn hals had vastgebonden, was hij er altijd zeker
van geweest dat hij die strop had losgemaakt en van zich had afgeworpen.
Was die verlossing een illusie? Als er een gat in de brug was, viel
de Jood er dan altijd door? Kon hij zichzelf onmogelijk ontvluchten?
Als dat het geval was, had hij daar zelf schuld aan. Hij mocht spartelen
zoveel hij wilde, hij raakte nooit bevrijd.
Leo rukte met zoveel kracht een haar uit zijn wenkbrauw dat de tranen
uit zijn ogen sprongen en hij nauwelijks een kreet van pijn kon onderdrukken.
Het was nog veel erger. Hoe meer een Jood zich probeerde los te wrikken,
des te strakker haalde hij de strop aan. De Joden werden geteld om te
zien of ze in voldoende aantallen sneuvelden. Waarom wilde de legerleiding
dat onderzoeken als hun wantrouwen niet gerechtvaardigd was? Lothar
en Ludwig stonden dag en nacht aan duizenden gevaren bloot. Een mirakel
als ze met een Heimschuss uit de loopgraven zouden terugkeren. Waren
zij uitzonderingen? Hielden alle andere Joden zich schuil? Hadden ze
zoals hij een luizenbaan achter het front? Toch kon zijn taak niet worden
afgeschaft. Achter iedere fuselier stond een leger helpers. Een kokhulpje
was geen verstekeling maar een volwaardig bemanningslid en evenzeer
nodig als de scheepskapitein.
Bovendien had hij geen kantoorklerk willen worden, maar net zoals zijn
broers met een wapen in de hand naar voren stormen en de vijand overrompelen.
De medische keuring had hem dat belet. Zwakke ogen, zwakke longen, een
zwak hart. Zijn teleurstelling was zo groot dat hij naar zijn oom in
Berlijn gebeld had en hem had gesmeekt om zijn invloed op het ministerie
van Binnenlandse Zaken aan te wenden om hem geschikt voor frontdienst
te verklaren. Zijn oom had hartelijk gelachen. Jij bent de eerste, zei
hij, die een baantje najaagt als kanonnenvoer. Waarom vraag je niet
om ter plekke te worden doodgeschoten? Dat zou het leger een dure opleiding
besparen.
De mekkerende lach van zijn oom klonk Leo nog in de oren. Hij balde
zijn vuisten van woede. Met de heldendood van dappere soldaten werd
niet gespot. Natuurlijk wist hij dat de oorlog het rijk een vermogen
kostte en dat er nu en dan een lafaard zijn plicht verzuimde. Zulke
lieden verdienden het executiepeloton, ze waren geen haar beter dan
deserteurs. Ook zijn oom was een verrader. Welke rechtgeaarde patriot
misgunde een soldaat de kans om zijn bajonet in de buik van de vijand
te stoten?
Leo keek naar zijn slapende kameraden.
Soms was een Jood herkenbaar, soms ook niet. Op school hadden zowel
Joden met een haakneus en zwart haar als met een wipneus en blond haar
gezeten. En wie van deze mannen in het rijtuig was een frontsoldaat,
wie een pennenlikker zoals hij? Iedereen had een snor en droeg een verkreukeld
uniform, iedereen zag er moe en ondervoed uit.
Toen de trein een tunnel inreed en het gedaver van de locomotief tegen
de wanden botste en honderdvoudig werd weerkaatst, schoot het Leo te
binnen dat de waarheid hem al die tijd in de ogen had gestaard. Alleen
een dode Jood was een goede Jood.
(Deze tekst is een fragment uit de nieuwe roman van Joseph Pearce, Vaderland,
die in het voorjaar van 2008 verschijnt bij uitgeverij Meulenhoff/Manteau)
| |
Een abonnement op de papieren versie van De Brakke hond kost slechts 32 euro. Klik hier voor een abonnement.
Nummer nabestellen? klik hier.
De Brakke Hond is geen tijdschrift voor hondenliefhebbers die zich interesseren voor hondenvoeding, hondenverzorging, puppies en hondenvakanties, het bevat 100% literatuur.
Schrijf u in op onze nieuwsbrief "Letters". Vul hier uw e-mailadres in: