Als in de media Patrice Lumumba ter sprake komt, wordt er vaak allereerst herinnerd aan de zogeheten controversiële redevoering die hij als eerste minister hield op de Congolese onafhankelijkheidsdag - die redevoering waardoor onze arme vorst zich zo gekwetst voelde. Het zou omgekeerd moeten zijn. Telkens weer zouden we moeten herinneren aan de woorden waarmee de Belgische koning zelf de Congolezen beledigde op diezelfde 30ste juni 1960. Vanaf de eerste zin, die de onafhankelijkheid bestempelde als resultaat van het werk dat door ‘het genie van koning Leopold II’ was begonnen, bestond zijn speech uit gênante snoeverij, halve en hele leugens, paternalistische raadgevingen en waarschuwingen. Lumumba’s toespraak komt vandaag nog altijd over als fundamenteel juist, intelligent en bovendien mooi, terwijl je bij die van Boudewijn in het gunstigste geval een ‘hoe is ’t mogelijk’ laat ontsnappen. Maar goed, je moet het in zijn tijd zien, zeggen ze dan, en dat is waar, enigszins toch. Hopelijk wordt het koninklijke gezemel over de zegeningen van de kolonisatie veel gebruikt als document in de lessen geschiedenis, om de zin voor historische kritiek te oefenen, en om te tonen dat je de woorden van machtigen nooit mag geloven.
Onlangs werd een ander misbaksel geboren dat in dezelfde lessen dienst kan doen, en met dezelfde doelstellingen: de rede die de Franse president Nicolas Sarkozy op 26 juli 2007 aan de universiteit van Dakar hield voor de Afrikaanse jeugd. Het is een bizarre en beschamende preek, die door een groot deel van de Afrikaanse pers en intelligentsia dan ook boos of honend werd ontvangen. De Senegalese schrijver Boris Boubacar Diop had het over ‘een buitenlandse president die, uit de hoogte van zijn één meter vierenzestig, alle inwoners van een continent bekritiseerde en hen sommeerde zich eindelijk van de natuur te durven verwijderen, om binnen te gaan in de menselijke geschiedenis en zich een toekomst te ontwerpen.’ Sarkozy toont zich inderdaad even paternalistisch als Boudewijn een halve eeuw eerder, en voor hem gelden geen historische excuses - wat hij zegt moeten we in onze tijd zien. Zijn vergoelijkende benadering van de kolonisatie bijvoorbeeld past volgens de Kameroenese historicus Achille Mbembe in het ‘revisionistische project’ van de Franse neoconservatieven - net zoals de wens daarin past om eindelijk eens af te rekenen met het vermaledijde Mei 68. (Overigens hebben we bij ons ook de nodige vergoelijkers van het kolonialisme en zijn nasleep; Ludo De Witte spreekt zelfs van ‘negationisme’.)
Met Diop en Mbembe zijn twee van Sarkozy’s scherpste critici genoemd. In Frankrijk kwam er tegenwind van onder anderen de mediapaljas Bernard-Henri Lévy; hij noemde de toespraak racistisch - maar legde de schuld alleen bij de presidentiële conseiller spécial en toesprakenschrijver Henri Guaino; onzin natuurlijk, want Sarkozy had de tekst onuitgesproken kunnen laten. Overigens toonde het hoge heerschap Guaino zich in zijn reactie op Lévy merkwaardig grofgebekt: con, connerie, connard, crétin, het kon niet op.
Sarkozy (ik blijf de redevoering aan hem toeschrijven) blikt terug op de geschiedenis, zegt wat er in Afrika fout zit, roept de jonge Afrikanen op aan het werk te gaan. Wat de geschiedenis betreft, hij erkent de slavenhandel en de slavernij als misdaden maar vindt niet dat de Europeanen daar berouw [repentance] over moeten tonen. Wij moeten niet boeten voor wat voorbije generaties gedaan hebben, en trouwens: dat waren misdaden tegen de mensheid, ze hebben ook ons verwond en doen lijden! De jonge Afrikanen moeten de pijn ervan niet vergeten maar wel achter zich laten [dépasser].
Over de Europese kolonisatie is de president nog veel tweeslachtiger. Hij erkent uitvoerig dat die verkeerd was: ‘[De Europeanen] zagen de diepte en de rijkdom van de Afrikaanse ziel niet. Zij geloofden dat ze superieur waren, dat ze meer ontwikkeld waren, dat ze de vooruitgang waren, dat ze de beschaving waren. Ze hadden ongelijk.’ L’âme africaine! Tegelijk hamert Sarkozy erop dat de kolonisatie niet alleen genomen maar ook gegeven heeft (bruggen en scholen, u weet wel), dat veel kolonisten het goed bedoelden (ils croyaient donner l’amour), en dat de kolonisatie niet verantwoordelijk is voor alle huidige problemen in Afrika. In wat hij daarover beweert zit veel betwistbaars, maar ik sla het over.
Cruciaal is deze zin: ‘De kolonisatie was een fout die het lot van Europa en dat van Afrika veranderd heeft en die ze vermengd heeft.’ Met andere woorden, door de kolonisatie, hoe hoogmoedig die ook was, heeft Afrika extra kansen en een tweede erfgoed gekregen - maar helaas heeft het daar nog niet genoeg profijt van getrokken.
En zo krijgen we zicht op Sarkozy’s beeld van Afrika. Des clichés, encore des clichés, toujours des clichés, schreef een Senegalese krant. Het goede nieuws is dat ‘de moderne mens die de behoefte voelt zich met de natuur te verzoenen veel te leren heeft van de Afrikaanse mens, die sinds duizenden jaren in symbiose leeft met de natuur.’ Blijkbaar is er een tegenstelling tussen ‘modern’ en ‘Afrikaans’? Maar de symbiose met de natuur heeft ook kwalijke kanten, ik citeer nu wat uitvoeriger:
ik ben gekomen om u te zeggen dat het deel Europa dat in u is [...] niet verachtelijk [indigne] is.
Want het is de roep van de vrijheid, van de emancipatie en van de rechtvaardigheid en van de gelijkheid tussen vrouwen en mannen.
Want het is het beroep op de universele rede en het universele geweten.
Het drama van Afrika is dat de Afrikaanse mens onvoldoende is binnengetreden in de geschiedenis. De Afrikaanse boer, die sinds duizenden jaren leeft met de seizoenen, wiens levensideaal het is om in harmonie te zijn met de natuur, kent alleen het eeuwige herbeginnen van de tijd, die geritmeerd wordt door de eindeloze herhaling van dezelfde gebaren en dezelfde woorden.
In die voorstellingswereld waarin alles altijd herbegint, is er geen plaats voor het menselijke avontuur en evenmin voor de idee van vooruitgang. [...]
De moeilijkheid voor Afrika is om op te houden met altijd te herhalen en altijd te herkauwen, om zich te bevrijden van de mythe van eeuwige terugkeer, het is om zich ervan bewust te worden dat het gouden tijdperk dat Afrika onophoudelijk betreurt niet zal terugkomen omdat het nooit bestaan heeft.
Het probleem van Afrika is dat het in zijn heden te veel leeft met nostalgie naar het verloren paradijs van de kindertijd.
Wie zich afvroeg waarom de hele toespraak bol staat van de retorische herhalingen, krijgt in dit fragmentje een verklaring: kennelijk wilde de Franse president zich aanpassen aan de repetitieve en statische Afrikaanse mentaliteit.
Geen intrede in de geschiedenis... Merk op dat de kolonisatie dus blijkbaar niet echt tot de geschiedenis behoort, of heeft ‘de Afrikaanse mens’ alleen maar onvoldoende de voordelen van de kolonisatie gezien? Merk op dat ‘de Afrikaanse mens’ samenvalt met de Afrikaanse boer, of omgekeerd. Merk op dat Sarkozy hier een idee overneemt die hij eerder aan de kolonisatoren verweet: dat alleen de Europeanen vooruitgang kennen. Merk op (ik kan dat ook, herhalen!) dat de laatste zin de voorlaatste verduistert: heeft het verloren paradijs/gouden tijdperk niet bestaan, of wél? Wél, zo blijkt verderop. Komaan, hier is nog wat fraais:
Want elk volk heeft die tijd van het eeuwige heden gekend, waarin het niet wilde heersen over het universum maar leven in harmonie met het universum. [...] Afrika heeft alle volken van de aarde eraan herinnerd dat ze dezelfde kindertijd gedeeld hebben. Afrika riep de eenvoudige vreugden daarvan weer op, de vluchtige geluksmomenten, en de behoefte, die behoefte waar ik zelf zo sterk in geloof, die behoefte om veeleer te geloven dan te begrijpen, die behoefte om veeleer te voelen dan te redeneren, die behoefte om veeleer in harmonie te zijn dan op veroveringstocht.
Er valt nog veel meer te lachen en te griezelen, maar dit volstaat. Natuur versus geschiedenis, eeuwige herhaling, eenvoud, kindertijd... Het zal niemand verbazen dat die dwaze en zelfgenoegzame lyriek veel Afrikanen in het verkeerde keelgat geschoten is: ze hadden van Sarkozy weinig verwacht, maar stonden toch nog versteld van zijn arrogantie en onwetendheid. Achille Mbembe wees erop dat de intellectuele basis van Frankrijks Afrikaanse politiek ‘letterlijk van het einde van de 19de eeuw dateert’. Eerdere presidenten hadden ongeveer dezelfde opvattingen, maar Sarkozy, groot vernieuwer als hij is, durft het allemaal hardop te zeggen.
Herlees de aangehaalde zinnen, lees de hele toespraak, en bedenk dat deze woorden in 2007 uitgesproken werden door een machtig staatshoofd, door iemand die in principe tot de best geïnformeerde mensen ter wereld behoort. Als westerse leiders er zulke vreemde voorstellingen op nahouden, hoe zit het dan met hun onderdanen? En welke gevolgen hebben die beelden voor onze omgang, hier en nu, met racisme, immigratie, uitbuiting? En voor onze omgang met de geschiedenis?
***
Terug naar Aimé Césaire, de zeer oude (1913) zwarte dichter en politicus uit Martinique. Vorige keer had ik het over La tragédie du roi Christophe, het eerste van drie felle theaterstukken die hij in de jaren zestig schreef. Het tweede van die stukken is gewijd aan het catastrofale begin van de Congolese onafhankelijkheid.
Une saison au Congo (1966/1973) vertelt over wat er in onze ex-kolonie gebeurde tussen 1959 en 1961 (maar de eerste scène speelt zich nog iets vroeger af, en de laatste is gesitueerd in 1966). De meeste personages zijn historisch, al is van degenen die in 1966 nog leefden de naam gewijzigd; in het middelpunt staat Patrice Lumumba: het stuk evoceert in zekere zin zijn Rise and Fall. Maar Césaire waarschuwde dat het hem niet om Lumumba ging maar om een volk, en Lumumba is dus ‘vooral een homme-symbole, een man die zich identificeert met de Congolese realiteit en met het Afrika van de dekolonisering [...]. Mijn theater is geen individueel of individualistisch theater, het is episch theater, want het draait altijd om het lot van een collectiviteit.’ Psychologisch realisme moet je hier dus niet zoeken, en sommige figuren zijn zonder meer karikaturen: de bankiers dragen hoge hoeden en roken dikke sigaren - en ze drukken zich uit in houterige alexandrijnen, zoals het vertegenwoordigers van de westerse cultuur betaamt.
De Amerikaanse Césaire-kenner A. James Arnold heeft laten zien dat in het stuk over Christophe twee soorten tijd met elkaar geconfronteerd worden, een historische en een mythische. Ik denk dat er in Une saison au Congo ook zoiets aan de hand is, zij het op een heel andere manier.
Historisch. Ondanks een aantal bedoelde en onbedoelde ‘fouten’ volgt Césaire vrij getrouw het verloop van de gebeurtenissen, vanaf de Rondetafel van 1959 tot de moord op Lumumba. Weinig daarin stemt tot vreugde. Het is een stinkende geschiedenis van verval, een verhaal van moord, plundering, hebzucht, paternalisme, racisme (ook tussen zwarten), omkoping, verraad... De UNO van Hammarskjöld blijft neutraal, militairen als ‘Mokutu’ houden zich zogenaamd buiten de politiek en wensen slechts herstel van de rust - maar allemaal handelen ze, gewild of niet, in het voordeel van de grote oude belangen, van het kolonialisme dat niet overgaat. Het is een slechte geschiedenis, die voor Lumumba naar de dood leidt. Aan die hele constellatie heeft Césaire helder, levendig, bits en geestig vorm gegeven.
Mythisch. De figuur Lumumba behoort tot de geschiedenis maar hij staat er ook tegenover, hij maakt deel uit van een andere orde. Zie het citaat hierboven: hij staat voor Congo en Afrika, voor een idee van emancipatie, zelfs voor een nieuwe mensheid... Voorbeelden van dat mythische (en poëtische) karakter:
Lumumba accepteert bij voorbaat zijn dood, maar: ‘ze kunnen ons vernietigen, niet ons overwinnen!’ Hij is het soort held dat geofferd wordt om na zijn dood sterker terug te keren; jullie stellen hem voor als een demon, zegt ‘Mokutu’ tegen de Katangezen, maar dood zal hij een god zijn. En de stervende Lumumba profeteert dat hij overal in het land zal opduiken. In deze orde is de dood niet definitief, niet echt:
Ik zal in het veld zijn, ik zal in de weide zijn
Ik zal bij de visser van Wagenia zijn
Ik zal bij de ossendrijver van Kivu zijn
Ik zal op de berg zijn, ik zal in het ravijn zijn.
Wanneer zijn medestanders Lumumba als teken van macht een luipaardhuid aanbieden, weigert hij, en (ook) dat doet aan Jezus denken: mijn koninkrijk is niet van deze wereld! Hij wordt liever geassocieerd met de vogels, die zich van de aarde verheffen.
Hij wil snel vooruit, is ongeduldig. Wanneer de trage president ‘Kala-Lubu’ hem de les leest over de noodzaak om zachtjesaan te doen en de mensen gerust te stellen, vliegt hij uit: ‘Ik haat de tijd! Ik verafschuw uw “zachtjesaan”! En dan, geruststellen! Waarom geruststellen? Ik zou liever iemand zijn die verontrust, een verontruster! Iemand die het volk ongerust zou maken, zoals ik het zelf ben, over de toekomst die de slechte herders ons bereiden!’ Lumumba wil/moet snel gaan omdat hij maar weinig tijd heeft, omdat de dreiging te groot is; maar ook: omdat hij de tijd wil overslaan, eroverheen wil springen – omdat hij de historische tijd niet erkent.
In het laatste citaat is sprake van ‘het volk’. Hoe zit het met dat volk, welke plaats heeft het?
Lumumba heeft vertrouwen in het volk, waaronder volgens hem de enige echte elite te zoeken is. Hij voelt zich ook op zijn gemak tussen het volk: hij zit zelfs voor politieke besprekingen graag in bars, staat op goede voet met vrouwen van divers allooi, trakteert graag met bier. Hij kan met ‘iedereen’ overweg, grapt en plaagt en spot graag.
In feite treedt het volk op twee manieren op - nogmaals mythe en geschiedenis.
Enerzijds is het volk belichaamd in de ‘sanzaspeler’ (sanza is een muziekinstrument): een figuur die in bijna elke scène indirect (en soms duister) commentaar geeft via liedjes, verhaaltjes, wijsheden. Hij fungeert als een soort koor. In een interview noemde Césaire hem een vertegenwoordiger van het volkse gezond verstand en van ‘het eeuwige Congo’. De sanzaspeler toont zich soms sceptisch en ziet gevaren die Lumumba niet ziet, maar hij staat wel altijd aan diens kant: het vertrouwen is wederzijds.
In één scène treedt de sanzaspeler op als gek of nar, en beweert hij dat zijn beroep insulteur de la nation is. Lumumba zelf legt dat uit aan een onbegrijpende en afkeurende ‘Mokutu’: ‘Dat bestaat bij sommige stammen. Hun rol: de chefs uitkafferen, opdat ze zich niet te veel au sérieux zouden nemen. Het kan nuttig zijn.’ Hij ziet daar geen kwaad in, Lumumba, waarom zou hij? Er is terecht opgemerkt dat hij zelf die rol op zich genomen had met zijn beroemde redevoering.
Het volk als sanzaspeler en nar is mythisch. Maar het komt, anderzijds, ook in een historische gedaante op het toneel: ontevredenen, hongerigen, onbetaalde soldaten, goedgelovigen, onwetenden, wispelturigen die een leider het ene moment verheerlijken en het andere moment verwensen. Ook die ‘feitelijke’ volksmensen voelen wel wat voor Lumumba; ze weerstaan moeilijk aan zijn charme, zoals blijkt wanneer hij tijdens een eerste gevangenschap zijn bewakers overtuigt om hem vrij te laten. Maar hij kan niet echt rekenen op dat volk, net zo min als op zijn collega’s en op andere protagonisten.
Het volk zal me beschermen tegen mijn vijanden, zegt Lumumba in een emotioneel gesprek met zijn vrouw, het begrijpt me en volgt me. ‘We zitten in een revolutie, Pauline, en in een revolutie is dat wat telt het volk!’ Strikt genomen was Lumumba natuurlijk geen revolutionair, hij was een legale premier; maar zijn wens om een reële onafhankelijkheid tot stand te brengen impliceerde wel een fundamentele omwenteling. En misschien zit daar dan toch de kern, de knoop, het struikelblok. De ‘revolutie’ behoort tot de mythe, en die vloekt met de ergerlijke, vulgaire geschiedenis. Bij de ‘revolutie’ horen ideeën en idealen, en het streven naar het onmogelijke. Anders dan Lumumba denkt, schijnt het feitelijke volk daar niet in geïnteresseerd te zijn, dat volk wil zijn buik vullen.
Sommigen hebben ten onrechte beweerd dat Une saison au Congo Lumumba hagiografisch benadert. Césaire stelt zijn held (ook) voor als naïef, onrealistisch, inefficiënt. Als te ‘ideologisch’. Als iemand die dacht dat hij ongestraft de zot mocht uithangen. Je zou de schrijver dus evengoed het tegendeel van hagiografie kunnen verwijten: maakt hij zich niet te makkelijk af van het politieke ideaal? Maar kom, Césaires Lumumba is vooral een dubbele, contradictorische figuur, hij is naïef én lucide, en hij blijft aantrekkelijk, dichterlijk, fascinerend. Mede door dat gebrek aan eenduidigheid blijft ook de tekst fascineren. Dit is veel meer dan een gelegenheidsstuk over een voorbije actualiteit.
Voor zover ik weet werd Une saison au Congo niet in het Nederlands vertaald, niet in de jaren zestig en evenmin in de tijd van de Lumumbacommissie; bijna ongelooflijk eigenlijk, dat er in Vlaanderen nooit belangstelling zou hebben bestaan voor een prachtig werk waar we zoveel mee te maken hebben. Het zegt wel iets over onze misère.
***
Volgens Van Dale en volgens mijn taalgevoel, allebei ouderwets, hoort een campus bij een universiteit. Maar in Vlaanderen beschikt tegenwoordig zowat elke school, ik vermoed zelfs elke crèche, over één of meer ‘campussen’. Het moest er dus van komen: de Antwerpse schouwburg, pardon het Antwerpse cultureel centrum, pardon het Antwerpse kunstcentrum deSingel (u kent het, dat gebouw waar zo’n gedrocht van Jan Fabre op prijkt) noemt zich vanaf het seizoen 2007-2008 een Internationale Kunstcampus. Zoiets doet het niveau razendsnel stijgen, en in de inleiding bij de chic chaotisch gelay-oute programmabrochure slaat de directeur een toon aan die helemaal bij die verhevenheid past: ‘We hebben het immers steeds belangrijk gevonden om kunst niet alleen te tonen, maar ook de productie ervan te faciliteren en voor het publiek tal van vormen van toeleiding te voorzien.’ Nee, wie dat schrijft is niet van de straat. Faciliteren kon ik gelukkig opzoeken, maar bij toeleiden liet het woordenboek me alweer in de steek. ‘Toeleiden’ staat er helemaal niet in, ‘toeleidend’ kun je alleen zeggen van bruggen en kanalen, en verder is er nog ‘toeleidingskanaal’, ‘toeleidingsweg’ en ‘toeleidingswerk’, allemaal heel materieel. Wat nu begonnen? Ik moet die uitleg echt dringend vinden, want, schrijft de directeur nog: ‘Toeleiding en educatie worden belangrijke sleutelwoorden op de nieuwe kunstcampus.’ God, sta ons bij.
***
Met T.S. Eliots gedicht The Waste Land (1922) maakte ik kennis als student van wijlen Herman Servotte, zevenendertig jaar geleden; drie jaar later maakte ik kennis met Paul Claes. Het waren twee indrukwekkende ontmoetingen, die nu als het ware samenkomen in een becommentarieerde vertaling van Eliots werk. Claes’ Het Barre Land, dat voor ons taalgebied een van de voornaamste westerse literaire teksten van de afgelopen eeuw toegankelijk maakt, is beslist een van de voornaamste Nederlandse literaire boeken van het afgelopen jaar. Toch is het niet onverdeeld positief ontvangen; met name het commentaar heeft voor gemopper gezorgd (maar, zover ik weet, niet voor een grondige discussie). Wat bedenkingen:
(1) Sommige lezers hebben een probleem met de grote omvang van het commentaar (inleiding, nawoord, verklarende aantekeningen). Er is geen reden om lacherig of neerbuigend te doen over die omvang (zoals Huub Beurskens in een dom stuk in De Standaard), maar ik zie wel een soort georganiseerd misverstand. De uitvoerigheid van de (overigens van a tot z heldere) toelichtingen maakt Het Barre Land tot een specialistische uitgave, iets voor mensen die qua tekstbegrip het onderste uit de kan willen; maar het boek is verschenen bij een algemene literaire uitgever (wat waarschijnlijk niet gebeurd zou zijn als Paul Claes niet Paul Claes was: een gereputeerde schrijver en vertaler). Hoeveel niet-specialistische lezers (op de koop toe buitenlanders, zonder kennis van de oudere Engelse literatuur waarnaar Eliot zo vaak verwijst) hebben de tijd en de zin om zoveel informatie en interpretatie te assimileren? Een flink deel ervan lijkt me niet onmisbaar voor een redelijk begrip van het gedicht. Zou het niet beter geweest zijn het commentaar tot het wezenlijke af te slanken? Met ‘beter’ bedoel ik ‘efficiënter’ én ‘aantrekkelijker’. Dit gezegd zijnde: in mijn hoofd voltrok zich vanzelf een schifting. En het is buitengewoon bevredigend om achteraf het gedicht zonder aantekeningen te herlezen.
(2) Mogelijk vindt Claes zelf níet dat zijn commentaar onnodige elementen bevat. Als ik het goed zie moet je volgens hem alles (ook ‘alle details’) van een tekst begrijpen. Zijn opvatting over lezen is die van een echte filoloog; zie zijn ‘Glimpen 2006’ (in DBH 96): ‘In Humo vertellen twintig schrijvers wat de jongeren op hun twintigste gelezen zouden moeten hebben. Vier van hen noemen De Oostakkerse gedichten en twee van hen de Illuminations, twee teksten die nog nooit afdoende verklaard zijn en dus in feite onbegrijpelijk zijn.’ In feite onbegrijpelijk, versta (extreem uitgedrukt): je kúnt die teksten ‘in feite’ niet lezen, laat ze dus maar liggen. Ik ben het daar niet mee eens; ik werd in mijn jeugd niet alleen bewogen of aangesproken door De Oostakkerse gedichten en The Waste Land, ik ‘begreep’ er ook al veel van, en ik zou voor geen geld die jeugdige leeservaring gemist willen hebben; en je kunt trouwens niet vragen dat iedereen alles wat hij leest ook bestudeert. Met andere woorden, er zijn verschillende soorten van lezen, en de filologisch ondersteunde soort is niet per se de ‘beste’. (Maar laat niemand mij een pleidooi tegen geannoteerde uitgaven aanwrijven.)
(3) Sommige van Claes’ vondsten en leesaanwijzingen zijn werkelijk geweldig, en hij weet het. Al dank ik veel aan mijn voorgangers, schrijft hij, ‘Toch waag ik het mijn aantekeningen baanbrekend te noemen’, en hij voegt daaraan toe ‘dat de samenhang van het gedicht nu voor het eerst duidelijk wordt’. Misschien zijn die beweringen waar, maar niettemin vormen ze een vergissing, de ene jammerlijke vergissing die Het Barre Land bevat. Je moet zulke kreten niet slaken over je eigen werk, dat wekt onvermijdelijk irritatie, zeker bij een tekst waarover al een bibliotheek bijeen gepend is; laat de lof aan anderen over.
(4) Uit de voorbeelden in sommige recensies zou je kunnen opmaken dat Claes’ aantekeningen vol zitten met misplaatste seksuele verklaringen: fallische symbolen alom! Dat klopt helemaal niet. Die soort duidingen (waarvan enkele me niet overtuigen, maar dat geldt ook voor sommige andere) vormen een kleine minderheid. Ze spelen ook maar een kleine rol in de belangrijkste samenhangen die Claes, aanknopend bij Eliots eigen suggesties, laat zien: vegetatiemythe, Graallegende. (Benno Barnard maakte zich, op basis van een interview, al vóór het boek verschenen was vrolijk over ‘Claes als freudiaan’; met zo’n etiket verraadt hij vooral iets over zijn eigen primitieve opvatting van de psychoanalyse.)
(5) ‘Had de auteur iets te verbergen?’ In het nawoord bij Het Barre Land krijgen we een biografische ontsleuteling: Eliot zou in het gedicht vooral zijn mislukte huwelijk verwerkt hebben, en de relatie van zijn vrouw met Bertrand Russell. Die zienswijze heeft veel aandacht getrokken, mede omdat Claes zelf er veel nadruk op legt, maar in feite valt ze te beschouwen als een postscriptum: je kunt het nawoord ongelezen laten en toch volop je voordeel doen met het overige commentaar. Zelf vind ik de biografische lezing mogelijk of aannemelijk, maar ze interesseert me geen zier; Eliots huwelijkssores laten me koud, de overeenkomst tussen tekst en leven voegt niets toe aan mijn inzicht in of waardering voor het gedicht, de twintig pagina’s van het nawoord hadden er voor mijn part twee mogen zijn. Ik zou veel liever wat andere ‘biografische’ informatie krijgen; de talloze religieuze verwijzingen (niet alleen christelijke) maken nieuwsgierig naar Eliots godsdienst of wereldbeschouwing: wat ‘geloofde’ hij eigenlijk, in 1922? Dat lijkt me relevant, maar ik verneem er niets over.
(6) The Waste Land is bepaald geen toonbeeld van conventionele esthetiek. Maar lezend in dit boek word ik toch in de eerste plaats getroffen door (opnieuw) de schoonheid van het gedicht, én door de schoonheid (niet alleen de juistheid) van de vertaling. Ik kan me nauwelijks voorstellen dat andere taalgebieden over een even adequate versie beschikken. Tot de hoogtepunten van de tekst behoort de passage 331-365, die Eliot zelf de beste vond; pikant genoeg is ze zonder veel toelichting te genieten en is ze ‘in een trek geschreven’ (Claes). Ik citeer het begin:
Hier is geen water maar enkel rots
Rots en geen water en de zandweg
De weg die hoog door het gebergte kronkelt
Een rotsgebergte waar geen water is
Was er water we stonden stil om te drinken
Tussen de rotsen kan je niet stilstaan of denken
Zweet droogt op en voeten staan in het zand
Was er maar water tussen de rotsen
Dode bergmond met rot gebit die niet kan spuwen
Je kunt hier staan noch liggen noch zitten
Er is in het gebergte zelfs geen stilte
Maar dor schraal gedonder zonder regen
Dat ‘dor schraal gedonder’ voor dry sterile thunder is prachtig. In de oude versie van Theo van Baaren was het ‘donder droog steriel’.
(7) Wat Eliot schreef gaat ons aan en moet ons raken, er zijn hier kwesties van allesbehalve academische aard in het geding. The Waste Land is een gedicht over levende doden, over de geestelijke dorheid van een individu en een maatschappij - maar ook over regeneratie, vernieuwing, hoop: Claes spreekt terecht van een ‘positieve moraal’. Zelf geen filoloog zijnde, zou ik graag een forsere klemtoon op die thematiek en die strekking zien liggen. Meer nog dan Eliot leven wij immers in een infernale, dorre maatschappij – waarin ‘innovatie’ de enige aanvaarde vorm van vernieuwing is, met als enig doel: rijk en rijker en rijkst worden. We kunnen in Het Barre Land onder meer leren dat madame Sosostris’ raad om de reddende onderdompeling te vermijden (Fear death by water, ‘Hoed u voor verdrinkingsdood’) verkeerd is, en dat we maar beter luisteren naar het door de donder verkondigde gebod om te geven en moedig te zijn:
De vreeslijke durf van een ogenblik overgave
Die een leven vol behoedzaamheid niet kan herroepen
Hierdoor, alleen hierdoor, bleven wij bestaan
Het staat niet in onze doodsberichten
Of in memoires die de milde spin verhult
Of onder zegels die een magere notaris verbreekt
In onze lege kamers
Helaas, in zijn nawoord haalt Paul Claes deze regels onderuit: ‘De overgave wijst op [Eliots] overhaaste huwelijk dat verregaande consequenties had voor zijn leven.’ Hoe negatief klinkt dat, terwijl we in de aantekeningen toch gelezen hadden: ‘De gave van onszelf is belangrijker dan onze geestelijke en materiële nalatenschap.’ En nog dit: B.C. Southam wijst in zíjn commentaar bij The Waste Land op het belang van overgave (surrender) in Eliots visie op het dichterschap.
In elk geval, Paul Claes heeft zijn werk gedaan, en hoe. De meeste recensenten doen dat niet. Ze schrijven snobistisch over Het Barre Land, alsof iedereen het gedicht eigenlijk al goed kent en goed begrepen heeft, iedereen en zij zelf in de eerste plaats; ze geven ook de indruk dat de grote dingen waarover het gedicht handelt beneden hun en onze stand zijn, onze verfoeilijke hedendaagse ironische stand. Ze nodigen hun lezers niet uit tot lezen, laat staan tot nadenken. Misschien is dat hún gebrek aan moed.
Bibliografie
| |
Een abonnement op de papieren versie van De Brakke hond kost slechts 32 euro. Klik hier voor een abonnement.
Nummer nabestellen? klik hier.
De Brakke Hond is geen tijdschrift voor hondenliefhebbers die zich interesseren voor hondenvoeding, hondenverzorging, puppies en hondenvakanties, het bevat 100% literatuur.
Schrijf u in op onze nieuwsbrief "Letters". Vul hier uw e-mailadres in: